Reflectienevel

Een reflectienevel is een diffuse nevel die aan de hemel zichtbaar is doordat het licht van naburige sterren door het stof in de nevel wordt "gereflecteerd". In feite wordt het licht door het stof verstrooid. Dit licht kan komen van jonge sterren die net uit het gas en stof van de nevel zijn ontstaan, en niet helder genoeg zijn om het aanwezige gas te ioniseren (waardoor een H-II-gebied zou zijn ontstaan). Bij andere reflectienevels komt het licht van sterren die zich toevallig in de buurt van een interstellaire stofwolk bevinden.
Een voorbeeld van een reflectienevel is te zien rond de sterren van het Zevengesternte.
Een variabele nevel is een reflectienevel die verandert in helderheid omdat de nevel geassocieerd is met een veranderlijke ster. Voorbeelden zijn NGC 1555 en NGC 2261.
Ontdekking


In 1912 analyseerde Vesto Slipher het spectrum van de nevel die geassocieerd wordt met de ster Merope, die in de Pleiaden staat. Hij kwam hierbij tot de conclusie dat de de nevel hoogstwaarschijnlijk door de ster belicht wordt, en dat de nevel dit licht reflecteert (en dat van de ster Alcyone).[2] Berekeningen van Ejnar Hertzsprung in 1913 ondersteunen deze hypothese.[3] Verder maakte Edwin Hubble in 1922 onderscheid tussen emissienevels en reflectienevels.[4]
Reflectienevels zijn meestal blauw, omdat de verstrooiing van blauw licht efficiënter is dan de verstrooiing van rood licht (dit is hetzelfde verstrooiingsproces dat zorgt voor een blauwe lucht en een rode zonsondergang).
Reflectie-en emissienevels worden vaak samen gezien en worden allebei soms diffuse nevels genoemd.
Er zijn zo'n 900 reflectienevels bekend.[2] In het gebied aan de hemel waar ook de Trifidnevel staat, kan een blauwe reflectienevel gezien worden. De superreus Antares, die zeer rood is (spectraalklasse M1), wordt omgeven door een grote, gele reflectienevel.
In reflectienevels kunnen soms ook sterren ontstaan.
- ↑ (en) information@eso.org, A Star’s Moment in the Spotlight. www.eso.org. Geraadpleegd op 17 januari 2026.
- 1 2 (en) Slipher, V. M. (1912). On the spectrum of the nebula in the Pleiades. Lowell Observatory Bulletin 2: 26–27
- ↑ Hertzsprung, E. (1913). Über die Helligkeit der Plejadennebel. Astronomische Nachrichten 195 (23): 449–452. DOI: 10.1002/asna.19131952302.
- ↑ Hubble, E. P. (1922). The source of luminosity in galactic nebulae. Astrophysical Journal 56: 400. DOI: 10.1086/142713.