Quousque tandem factionem cartellum ...

Quousque tandem factionem cartellum waren de eerste woorden uit de maidenspeech van Thierry Baudet tijdens de algemene beschouwingen in de Tweede Kamer op 28 maart 2017.[1] Met deze Latijnse uitspraak, een verwijzing naar een bekende uitspraak van Cicero, uitte Baudet kritiek op wat hij zag als de machtspositie van de politieke elite, voornamelijk op de verwachte kabinetsformatie tussen VVD, CDA, D66 en GroenLinks, die op dat moment veel politieke aandacht kreeg.[2]

Volledige tekst

De volledige Latijnse uitspraak waarmee Baudet zijn maidenspeech opende, luidde als volgt:

Quousque tandem factionem cartellum et officiorum magina, patientia nostra abuditur dum navis praetoria resurrectionis ad profiscendum parata est?

(Hoelang stelt het partijkartel en de baantjescarrousel ons geduld nog op de proef, terwijl het vlaggenschip van de renaissancevloot klaarligt?[3])

Alternatieve tekst

Fik Meijer wijst op een alternatieve vertaling van classicist Thom van Leuveren in "beter Latijn":

Quo usque tandem factionum cartellum et officiorum machina patientia nostra abutentur dum navis praetoria renascentiae ad proficiscendum parata est?[4]

Analyse

Baudet verklaarde later dat hij het Latijn in zijn maidenspeech gebruikte om zijn partij in een klassieke traditie te plaatsen en om met een knipoog enige flair aan het debat toe te voegen. Volgens hem was het bedoeld om een indruk achter te laten.

In de media werd gesuggereerd dat het gebruik van Latijn past binnen een bredere trend waarin politiek rechts en de Amerikaanse alt-rightbeweging klassieke symboliek naar zich toe trekken,[5] een verband dat Baudet zelf ontkende.[6] Volgens Diederik Burgersdijk gebruikt Baudet klassieke taal en beelden vooral als een retorisch instrument in zijn politieke stijl, en niet omdat de klassieke oudheid echt een belangrijke basis vormt in zijn gedachtegoed. Baudets Latijn en historische termen zouden vaak op een wat vage en oppervlakkige manier worden ingezet, bijvoorbeeld door woorden als 'beschaving' te gebruiken zonder duidelijk te maken wat hij daar precies mee bedoelt. Deze klassieke verwijzingen werken volgens Burgersdijk meestal meer als symbolische hints dan als echte, inhoudelijke verwijzingen naar de klassieke oudheid. Op die manier wekt Baudet een gevoel van culturele autoriteit en continuïteit, zonder dat hij echt diep op de antieke traditie ingaat. Dit zou passen bij een retorische stijl die vooral sterke, cultureel geladen beelden inzet om zijn publiek aan te spreken en zijn politieke project te ondersteunen.[7]

Ophef en kritiek

Tijdens het voorlezen van dit eerste Latijnse gedeelte van Baudets speech probeerde Kamervoorzitter Khadija Arib hem te interrumperen, maar Baudet sprak door. Na afloop van zijn bijdrage sprak Arib hem daarop aan. Zij benadrukte dat toespraken in de Tweede Kamer in het Nederlands dienen te worden gehouden en dat het Nederlands de voertaal van het parlement is.[1]

Het gebruik van het Latijn bleef niet beperkt tot een procedurele opmerking van de Kamervoorzitter, maar leidde ook tot inhoudelijke kritiek op de formulering van de uitspraak. In de kritiek wordt onder andere gesteld dat de Latijnse zin meerdere taalkundige fouten bevat. Zo zouden er fouten zitten in de naamvallen, vervoeging, woordgebruik en de betekenis van gebruikte woorden.[8] Daarnaast zouden ook sommige woorden inhoudelijk verkeerd vertaald of verkeerd begrepen zijn. Tot slot wordt Baudet verweten dat hij het Latijn gebruikt op een manier die meer indruk wil maken dan taalkundig correct is.[4][9]