Purge

Wanneer iemand in het openbaar 'heks' genoemd werd en geen formele klacht neerlegde bij de rechtbank wegens laster, dan maakte dit hem/haar extra verdacht. Zo'n formele klacht leidde dan tot een smaadproces, een civiele procedure.

Om van een reputatie als 'toversse' of 'heks' af te komen kon een verdachte zich echter ook 'ter purge' stellen. De beschuldigde liet zich dan op eigen initiatief voor een bepaalde periode gevangen zetten. In die periode moesten degenen die de beschuldigingen hadden uitgesproken, zich melden bij het gerecht om hun aanklachten te bevestigen. Deden ze dat niet, dan werd de verdachte persoon bij vonnis officieel vrijgesproken van hekserij.

Na de aanhouding werden alle personen gedagvaard die iets tegen de eiser(es) in te brengen hadden. Wanneer niemand opdaagde of wanneer de aanklagers hun beweringen niet geloofwaardig konden maken, verklaarde de rechtbank de verdachte voor eeuwig van hekserij gezuiverd. De verdachte werd meteen uit de gevangenis ontslagen en niemand mocht hem/haar in het openbaar nog 'heks' noemen.

Dikwijls had een purgeproces succes, maar het kon ook anders aflopen. Tanneke Sconyncx uit Gottem, bijvoorbeeld, spande in 1602 op aanraden van Hubrecht Meganck, haar neef en de plaatselijke baljuw, een purgeproces in. Het gevolg was dat zij werd doodgemarteld.

Jan de Munck uit Hooglede liet zich op 15 juli 1605 in Nieuwpoort 'vrijmoedig' gevangennemen om het geroddel over hem een halt toe te roepen. De schepenbank besliste hem te pijnigen en op 30 augustus 1605 werd hij op de brandstapel gezet.