Preferentiële toewijzing

De preferentiële toewijzing (Frans: l'attribution préférentielle) is een rechtsfiguur uit het Belgische relatievermogensrecht die een echtgenoot of wettelijk samenwonende partner in bepaalde gevallen het recht heeft om zich bepaalde goederen te doen toewijzen bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel of de beëindiging van de wettelijke samenwoning. De preferentiële toewijzing is geregeld in de artikelen 2.3.13 en 2.3.14 van het Belgische Burgerlijk Wetboek (BW), voor wat betreft de echtgenoten, en de artikelen 1480 en 1481 van het Oud Burgerlijk Wetboek, voor wat betreft de wettelijk samenwonende partners.

Omschrijving

De wet voorziet in twee gevallen van preferentiële toewijzing, namelijk naar aanleiding van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel of de beëindiging van de wettelijke samenwoning door overlijden (art. 2.3.13 BW; art. 1480 Oud BW) of door de echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting (art. 2.3.14 BW) dan wel beëindiging van de wettelijke samenwoning via schriftelijke verklaring. Voor echtgenoten is de preferentiële toewijzing zowel mogelijk voor echtgenoten die zijn gehuwd onder een gemeenschapsstselsel, zoals het wettelijk stelsel of de algehele gemeenschap, als voor echtgenoten die zijn getrouwd onder de scheiding van goederen.

Overlijden

Wordt het huwelijksvermogensstelsel ontbonden door het overlijden van een van de echtgenoten (art. 2.3.41, 1° BW), of komt de wettelijke samenwoning tot een einde door het overlijden van een van de wettelijk samenwonende partners, dan heeft de langstlevende onder hen steeds het recht om zich de gezinswoning, het huisraad en/of de beroepsgoederen te doen toewijzen. Zulke preferentiële toewijzing is echter enkel mogelijk als de betrokken goederen behoren tot het gemeenschappelijk vermogen (bij een gemeenschapsstelsel) of tussen de echtgenoten in exclusieve onverdeeldheid zijn (bij scheiding van goederen of wettelijke samenwoning). Bovendien zal de overnemende echtgenoot of partner verplicht zijn een opleg te betalen als daartoe aanleiding bestaat (art. 2.3.13 BW; art. 1480 Oud BW).

Relatiebreuk

Wordt het huwelijksvermogensstelsel ontbonden door de echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting (art. 2.3.41, 2° BW), of komt de wettelijke samenwoning ten einde via schriftelijke verklaring, dan hebben beide echtgenoten of wettelijk samenwonende partners het recht om de preferentiële toewijzing van de gezinswoning, het huisraad en/of de beroepsgoederen te vragen (art. 2.3.14, §1 samen gelezen met art. 2.3.13 BW; art. 1481, §1 samen gelezen met art. 1480 Oud BW).

De familierechtbank zal vervolgens oordelen aan welke echtgenoot of partner deze goederen worden toegewezen. De rechter moet daarbij rekening houden met de belangen die elke echtgenoten kan laten gelden en met de financiële mogelijkheden van degene die de opleg desgevallend zal moeten betalen (art. 2.3.14, §2, eerste lid BW; art. 1481, §2 Oud BW). Gaat het verzoek echter uit van een echtgenoot of partner die slachtoffer is van partnergeweld, dan heeft de rechter geen appreciatiemarge en moet hij de gevraagde goederen toewijzen aan deze echtgenoot of partner. De rechter kan hiervan dan slechts in uitzonderlijke omstandigheden afwijken (art. 2.3.14, §2, tweede lid BW; art. 1481, §2 Oud BW).

De preferentiële toewijzing is niet mogelijk bij echtscheiding door onderlinge toestemming, omdat de echtgenote in die procedure de toebedeling van de gezamenlijke goederen zelf, in onderling akkoord moeten regelen in hun regelingsakte (art. 1287 Ger.W.).[1]

Vergoedingsrekeningen

Indien de vergoedingsschuld tussen de echtgenoten wordt voldaan door vooruitneming, dan mag men hierbij geen afbreuk doen aan de rechten van preferentiële toewijzing die de andere echtgenoot bezit. Als beide echtgenoten daarmee akkoord gaan, kunnen zij hier evenwel van afwijken (art. 2.3.49, §3, tweede lid BW).

Geschiedenis

De preferentiële toewijzing werd aanvankelijk geregeld door de artikelen 1446 en 1447 van het Oud Burgerlijk Wetboek. Door de wet van 22 juli 2018[2] werden deze bepalingen afgeschaft en vervangen door de artikelen 1389/1 en 1389/2 oud BW, zodat de preferentiële toewijzing voortaan ook mogelijk zou zijn bij scheiding van goederen.[3] Bij de invoering van boek 2, titel 3 'Relatievermogensrecht' in het Burgerlijk Wetboek werden deze regels hernomen in de artikelen 2.3.13 en 2.3.14 BW.

Na een arrest van het Grondwettelijk Hof in 2024[4] werd de preferentiële toewijzing bij wet van 11 december 2025 uitgebreid naar de wettelijke samenwoning.[5]