Postprocessuele archeologie

De postprocessuele archeologie[1] is een stroming die vanaf de late jaren 1970 ontstond als reactie op de processuele archeologie (Engels: "New archeology" of "New archaeology") die nadruk legt op de wetenschappelijke objectiviteit. Postmodernistische archeologie daarentegen benadrukt dat archeologische interpretaties altijd subjectief zijn, beïnvloed door de culturele en sociale achtergrond van de archeoloog.[1] Het gaat dus niet alleen om harde data en wetenschappelijke modellen, maar ook om agency (de invloed, creativiteit of inventiviteit van het individu), betekenis, cultuur, ideologie, macht en perspectief . Het bouwt voort op de filosofische traditie van het postmodernisme.[2] Het verkent hoe individuen en sociale contexten betekenis geven aan materiële cultuur en staat kritisch tegenover het idee van puur objectieve archeologische conclusies zoals de processuele archeologie voorschrijft.

Het postmodernisme

De kritiek op de 'Processuele archeologie' was gericht op het feit dat daarin vooral aandacht was voor positivistische ontwikkeling van cultuur.[3] Hierbij werd de agency vergeten. Deze benadering van de archeologie ontstond met pioniers als Ian Hodder[4]. Postmodernistische archeologie benadrukt de subjectiviteit van interpretatie, de invloed van cultuur, gender, ideologie. Het legt de nadruk op het begrijpen van het verleden, en ziet het verleden als complex en contextueel, in plaats van louter als een proces van aanpassing aan de omgeving.

Postmoderne archeologie is geen uniforme school, maar een verzameling van benaderingen (zoals feministische, marxistische en hermeneutische archeologie) die één centrale overtuiging delen: het verleden kan niet "objectief" worden gekend; het is altijd een interpretatie, beïnvloed door onze eigen sociale en politieke context.

Het is gebaseerd op de denkers van het postmodernisme, met als belangrijke vertegenwoordigers: Roland Barthes, Jean Baudrillard, Gilles Deleuze, Jacques Derrida, Michel Foucault, Luce Irigaray, Julia Kristeva, Jacques Lacan, Emmanuel Levinas, en Jean-François Lyotard.