Postelsia palmaeformis

Postelsia palmaeformis
Postelsia palmaeformis
Taxonomische indeling
Rijk:Chromista
Stam:Heterokontophyta
Klasse:Phaeophyceae
Orde:Laminariales
Familie:Laminariaceae
Geslacht:Postelsia
Soort
Postelsia palmaeformis
Ruprecht, 1852[1]
Postelsia palmaeformis
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Postelsia palmaeformis op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Postelsia palmaeformis is een bruinwier uit de orde van de Laminariales en de familie van de Laminariaceae en het geslacht Postelsia. Postelsia palmaeformis is de enige soort van dit geslacht. De soort komt voor in de brandingszone van kusten van de noordoostelijke Stille Oceaan.

Naamgeving

Volgens leenvertalingen uit het Duits en het Engels zou men de soort zeepalm kunnen noemen, vanwege de vorm. De wetenschappelijk geldige beschrijving van de soort werd in 1852 gemaakt door de Oostenrijkse natuuronderzoeker Franz Josef Ruprecht (1814 - 1870). [2] De geslachtsnaam is een eerbetoon aan de Baltisch/Duitse natuuronderzoeker Alexander Postels (1801 - 1871).

Beschrijving

Postelsia palmaeformis (zeepalm) is een olijfgroen tot olijfbruin zeewier, dat een hoogte bereikt van 20 tot 40, zelden tot 60 centimeter. Het eenjarige thallus groeit rechtop en lijkt op een palmboom met een stam en een plukje bladeren. Het is verankerd in de rotsachtige ondergrond met een kleverig orgaan (rhizoïde). De steel is dik, buisvormig, veerkrachtig en elastisch en wordt naar boven toe dunner. Aan het uiteinde ontstaan talrijke gesteelde bladorganen met een lengte van 10 tot 25 centimeter. Deze zijn smal gestreept en lopen spits toe. Het bladoppervlak heeft aan beide zijden diepe evenwijdige groeven, de bladranden zijn gezaagd. De hier gebruikte termen steel en blad van deze wiersoort zijn niet vergelijkbaar met steel en blad bij vaatplanten en worden daarom cauloïde en phylloïde genoemd.

Ontwikkelingscyclus

Zoals bij alle Laminariales, is het (met het blote oog) zichtbare zeewier de sporofyt. De sporofyt van Postelsia palmaeformis is eenjarig en overleeft tot de winter, wanneer hij meestal wordt afgescheurd door de golven in de branding. De sporen worden al in de late lente tot de vroege zomer gevormd in de diepe groeven van de phylloïden ("bladeren"). De phylloïde degenereert en de sporen komen dan vrij. Deze van zichzelf onbeweeglijke sporen landen meestal nabij de plaats van de sporofyt. Daar hechten zij zich vast aan de ondergrond en ontwikkelen zich tot microscopisch kleine mannelijke en vrouwelijke gametofyten, die alleen uit celdraden bestaan. De gametofyten overleven in de winter en het vroege voorjaar en vormen daarna eicellen of sperma. Na bevruchting ontstaat een zygote die uitgroeit tot een nieuwe sporofyt. De sporen kunnen meestal maar een afstand van één tot drie meter overbruggen. De verspreiding over grotere afstanden vindt waarschijnlijk plaats via afgescheurde sporofyten die hun sporen nog niet hebben vrijgegeven.

Voorkomen

Zeepalm (Postelsia palmaeformis) is wijdverspreid in de noordoostelijke Stille Oceaan aan de kusten van British Columbia tot Californië. Dit zeewier koloniseert rotsachtige ondergrond binnen de getijdenzone op plaatsen die worden blootgesteld aan hoge brandingsgolven. Daar vormt het vaak dichte bestanden.

Zeepalm in een getijdepoel aan de kust van Californië

Gebruik

Zeepalm (Postelsia palmaeformis) is eetbaar. Om de zeepalmpopulaties tegen uitsterven de behoeden, verbiedt de staat Californië het oogsten voor particuliere consumptie. Er worden echter wel, tegen betaling, vergunningen verleend voor commercieel gebruik. De oogst in 2000 en 2001 wordt geschat op twee tot drie ton. De "zeepalmbladeren" kunnen rauw gegeten worden. Meestal worden ze gedroogd verkocht op Aziatische markten of reformwinkels en gebruikt voor soepen en salades.

Ecologie

Zeepalm (Postelsia palmaeformis) is afhankelijk van locaties met een krachtige branding. Daar krijgt het wier voldoende voedingsstoffen en direct zonlicht, maar er is ook voortdurend nieuw, kaal substraat om zich te vestigen, want er worden herhaaldelijk mosselen door de golfwerking afgescheurd. In deze zone is een enorme concurrentie om ruimte tussen zeepalm en schelpdieren als Mytilus californianus en zeepokken (rankpootkreeften). Zeepalmsporen kunnen deze organismen overwoekeren en ze kwetsbaarder maken voor het geweld van de golven. Het wier wordt echter ook weer gegeten door dieren als keverslakken en schaalhoorns. Door hun snelle groei zijn ze echter minder kwetsbaar voor vraat.