Pont Valentré

Pont Valentré
Pont du Diable
Occitaans: Pont de Balandras
Onderdeel van de werelderfgoedinschrijving:
Pelgrimsroutes in Frankrijk naar Santiago de Compostella
Pont Valentré
Land Vlag van Frankrijk Frankrijk
UNESCO-regio Europa en Noord-Amerika
Criteria ii, iv, vi
Inschrijvingsverloop
UNESCO-volgnr. 868
Inschrijving 1998 (22e sessie)
UNESCO-werelderfgoedlijst
Pont Valentré
Pont Valentré
Algemene gegevens
Locatie Cahors
Coördinaten 44° 27 NB, 01° 26 OL
Overspant Lot
Lengte totaal 138 m
Monumentale status monument historique (1840)
werelderfgoed (1998)
Bouw
Bouwperiode 1308-1378
Opening 1378
Architectuur
Type Boogbrug
Pont Valentré (Frankrijk)
Pont Valentré
Portaal  Portaalicoon   Verkeer & Vervoer

De Pont Valentré, ook Pont du Diable (Occitaans: Pont de Balandras), is een versterkte middeleeuwse stenen brug met verdedigingstorens over de Lot in het Franse Cahors, hoofdstad van het departement Lot in de Zuidfranse regio Occitanie. De brug ligt ten westen van het historisch stadscentrum. De brug is onderdeel van de Via Podiensis van de pelgrimstocht naar Santiago de Compostela en ligt aan het wandelpad GR 36.

Met zijn drie 40 m hoge vierkante versterkte torens met kantelen en mezekouwen en zes bogen, met brugpijlers voorzien van scherpe tuiten, is het een voorbeeld van middeleeuwse verdedigingsarchitectuur. Twee barbacanes beschermden de toegang, maar alleen die aan de oostkant van de brug, aan de stadskant, is bewaard gebleven. De toegang tot de stad vanuit het westen langs deze brug is beperkt tot voetgangers.

De Pont Valentré, gebouwd in de periode voor de honderdjarige oorlog, is een zeldzaam voorbeeld van Franse militaire architectuur uit deze periode. Tot de bouw werd in 1306 beslist door de stadsbestuurders onder het ancien régime, de consuls van de stad. De eerste steen werd gelegd op 17 juni 1308. De brug, hoewel deze niet direct op de rest van de stadsvestingen aansloot, was onderdeel van de vestingswerken, bedoeld om de stad te verdedigen tegen aanvallen vanuit het zuiden. Het geheel van deze vestingswerken was een succesvolle afschrikking, aangezien de Engelsen en Hendrik IV de stad nooit veroverden maar wel tussen 1359 en 1362 belegerden. De stad sloot na de belegering in 1362 een verbond met het leger dat uit Engelsen en Fransen uit de Gascogne bestond, wat een zeer zware aderlating was voor de stadsfinanciên.

De oorsprong van de naam Valentré is onzeker. Valentré zou de vervorming van het woord balandra kunnen zijn, occitaans voor salamander. Dit dier, mogelijk afgebeeld bovenop een pier van de brug, zou de duivel voorstellen (de pont Valentré wordt ook wel de "pont du Diable" genoemd). Een andere hypothese verwijst naar de balandra ("balandre" of "belandre" in het Engels), oorspronkelijk een platbodemboot die werd gebruikt voor het vervoer van mensen en goederen, die vóór de bouw van de brug als veerboot zou hebben gediend.

De bouw zou leiden tot de creatie van een nieuwe commerciële as, oost-west, vergeleken met de vorige, die noord-zuid was georiënteerd. Deze belangrijke wijziging zou gevolgen hebben voor de hele stad. De brug werd geestelijk beschermd door een kapel gewijd aan de Maagd in het westelijke kasteel.

Legende en restauratie

Het bouwwerk werd voltooid in 1378. De bouw, die zeventig jaar duurde (ook door de pestepidemie in 1348, de oorlog en de belegering door de Engelsen), gaf aanleiding tot een legende. Gefrustreerd door de traagheid van het werk sloot de bouwmeester een pact met de Duivel. Volgens de voorwaarden van dit contract zou Satan al zijn kennis inzetten voor de bouw, en als hij al zijn bevelen uitvoert, zal hij zijn ziel aan hem overgeven als betaling. De brug rijst snel, het werk wordt voltooid, het contract loopt ten einde. Om zijn ziel te redden, omdat hij zijn dagen niet in de hel wil eindigen, vraagt hij de duivel water te halen uit de Kartuizerbron, voor zijn arbeiders, met een zeef. Satan komt natuurlijk met lege handen terug, de oefening is onmogelijk, en Satan verliest het recht op de ziel van de bouwmeester. Vastbesloten wraak te nemen, stuurt de Duivel elke nacht een duiveltje om de laatste steen van de centrale toren, bekend als de Duiveltoren, te verwijderen, die de dag ervoor door de metselaars weer op zijn plaats was gezet. Daarom heeft de bouwplaats volgens de legende 70 jaar bestaan.

Het oorspronkelijke uiterlijk van de brug werd aanzienlijk aangepast tijdens de restauratiewerkzaamheden in 1879. Daarbij liet architect Paul Gout ook een steen met het beeld van een imp op de lege plek in de duivelstoren plaatsen. Het was een zekere Cyprien-Antoine Calmon, een beeldhouwer uit de regio, die het beeld maakte. Dus elke keer dat de Duivel controleert of de brug onaf is, denkt hij dat het een van zijn eigen mensen is die de brug afbreekt.

Erkenning

De brug uit de 14e eeuw werd in 1840, als onderdeel van de allereerste reeks van 1.082 objecten Frans erfgoed dat beschermd werd, geklasseerd als monument historique.[1] De brug werd in 1998 als onderdeel van de Pelgrimsroutes in Frankrijk naar Santiago de Compostella door het UNESCO werelderfgoedcomité tijdens zijn 22e sessie bijgeschreven bij het werelderfgoed.

De brug wordt afgebeeld op de vlag van Lot. De brug is op schaal gereconstrueerd in het miniatuurpark France Miniature in Élancourt. Het Henri-Martin Museum van Cahors heeft verschillende afbeeldingen van de Valentré-brug waaronder de afbeelding van de brug op het wapen van het kathedraalkapittel, tekeningen van Pierre Daura, gravures van Franck Brangwin en Eugène Pujol, schilderijen van Didier Chamizo, Gabrielle David, Jean-Baptiste Houel, Jacques-Edmond Leman en Eugène Pujol en foto's door Jean Dieuzaide, Denis Farley, Raymond Hains en Alain Turpault evenals een merkwaardige kooi, zogenaamd bedoeld voor de bestraffing van ontrouwe vrouwen, die aan het einde van de negentiende eeuw in de Lot aan de voet van het bouwwerk werd ontdekt.

Zie de categorie Pont Valentré van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.