Paard-en-wagen

Brouwerijwagen, Amsterdam, 1965
Enkelspan voor een sleperswagen, Nijmegen
Pakketwagen van Van Gend & Loos, 1960
Aapjeskoetsier, Amsterdam
Sleperswagen in een bloemencorso
Tweespan voor een vrachtwagen
Trouwkoets van een stalhouderij, 1960

De term paard-en-wagen of bespannen wagen uit de verkeerswetgeving stamt uit het begin van de 20e eeuw toen naast een stijgend aantal gemotoriseerde voertuigen nog veel paarden met wagens de wegen gebruikten, waarvoor speciale regels opgesteld werden.

Geschiedenis

Er waren in de 20e eeuw verschillende beroepsgroepen die nog tot ongeveer 1970 dagelijks met een 'bespannen wagen' de openbare weg op gingen. Naast boeren op het platteland, die hun boerenwagens gebruikten om hun oogst naar de boerderij te halen, waren er vele venters zoals melkboeren, groenteboeren en bakkers, die met hun ventwagens langs de deuren gingen om hun waren te bezorgen. Dit soort wagens waren in de jaren 1960 meestal voorzien van luchtbanden, achteruitkijkspiegel en rem. In de tweede helft van de 20e eeuw werden de meeste van dit soort voertuigen gemotoriseerd waardoor een bespannen wagen geen dagelijkse verschijning meer was.

Wagentypen

Bekende wagentypen in het straatbeeld waren bijvoorbeeld marktwagens, kaaswagens, ventwagens zoals melkwagens, broodwagens, groentewagens, vrachtwagens zoals pakketwagens, sleperswagens, bierwagens, hooiwagens en oogstwagens.

Voor personenvervoer had men de paardentaxi of een eigen rijtuig en omstreeks 1880-1920 ook de omnibus en de de paardentram. Stalhouderijen van paardentaxi's hadden vaak een speciale (witte) trouwkoets. Als wagens voor personenvervoer kende men in Nederland bijvoorbeeld de kerkbrik, de dokterswagen, de jachtwagen, de Twentse- en de Walcherse kleedwagen en de Hollands-Gelderse boerenwagen (met een kromme dissel). Ook werden gedecoreerde wagens gebruikt als praalwagen in verschillende soorten optochten en bloemencorso's.

Recreatief rijden

In Nederland ziet men steeds minder beroepsmatig gebruikte aanspanningen in het verkeer. Soms ziet men in steden een aapjeskoetsier met huurkoets of een bierwagen met reclame rondrijden. Op het platteland ziet men soms een rijtuigje, een janplezier of een koetsenoptocht voorbijkomen. Recreatief rijden met paard-en-wagen kan gedaan worden als gespecialiseerd beoefenaar van de mensport, of als liefhebber van paarden, mennen en authentiek gerij in het algemeen.

Verkeerswetgeving

In de Nederlandse verkeerswetgeving is de voerman van een bespannen wagen een 'bestuurder'. Voor bestuurders van bespannen wagens gelden speciale regels. Overigens vallen onder de bespannen wagens ook de ponywagens en de boerenkarren en Friese sjezen. De regels betreffen bijvoorbeeld de te gebruiken rijstroken en de verlichting van de voertuigen.

Koetsiers kunnen een cursus volgen om een mendiploma te behalen. Een veelgebruikt mensysteem is de Achenbachmethode waarbij de koetsier beide leidsels in zijn linkerhand heeft. De rechterhand is vrij voor het hanteren van de zweep. Deze wordt ook gebruikt om boven het hoofd naar links te wijzen bij afslaan naar links. Rechts afslaan kan aangegeven worden door de hand uit te steken naar rechts.

Verschillende manieren van aanspannen

Een voertuig kan eenspannig of meerspanning aangespannen zijn. De hoofdstellen van tuigpaarden zijn meestal voorzien van oogkleppen, waardoor de paarden minder schrik hebben voor achteropkomend verkeer en beter vooruit kijken.

Enkelspan

Bij het rijden met een enkelspan loopt het paard tussen het inspan of lamoen dat bestaat uit twee naar voren stekende balken. De wagen of koets is voorzien van een evenaar (zweng), waaraan de strengen bevestigd zijn. Het deel van het tuig waar een paard mee trekt kan een gareel of haam zijn met hout, maar ook een borstblad geheel van leer. In Oost Europa komen nog aanspanningswijzen voor waarbij een enkel paard naast een dissel loopt.

Tweespan

Bij gebruik van twee paarden lopen de paarden meestal aan weerszijden van de dissel. De vier leidsels van de paarden kruisen elkaar vooraan en komen in het midden paarsgewijs samen.

In een tweespan is het linkerpaard dat recht voor de voerman loopt, het bijdehandse paard. Het andere is het vandehandse paard. Het paard dat bijdehand is, is het meest ervaren paard. Jonge en onervaren paarden worden rechts ingespannen, in de hoop dat ze het een en ander opsteken. Het is niet uitgesloten dat bijdehand in de betekenis van slim hiervan afgeleid is.[1]

Vierspan

Bij mennen van paarden in een vierspan lopen de paarden twee-aan-twee voor elkaar en heeft de koetsier in de basishouding vier leidsels in zijn linkerhand.

Overige aanspanningen zijn bijvoorbeeld zes- en achtspan en daarnaast tandem en trojka.

Hippomobiel Erfgoed

De organisatie die zich bezighoudt met de Nederlandse rijtuiggeschiedenis is de Stichting Hippomobiel Erfgoed.[2] Enkele musea en verzamelingen op dit gebied zijn het Nationaal Rijtuigmuseum in Nienoord, kasteel Twickel in Delden en in België het particuliere Rijtuigmuseum Bree.

Afbeeldingen


Zie ook

Zie de categorie Horse-drawn wagons van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.