Orde van de Hollandse Tuin
De Orde van de Hollandse Tuin is gesticht door Willem van Oostervant in 1387, de latere graaf Willem VI van Holland en Zeeland. Als politieke orde moest het dienen als tegenhanger van de ridderorde van zijn vader graaf Albrecht van Henegouwen, Holland en Zeeland. Willem kende de orde vooral toe aan edelen uit de Hoekse partij.[1]
Na het overlijden van Willem VI in 1417 is de orde voortgezet door zijn dochter gravin Jacoba van Beieren tot aan haar overlijden in 1436. Hierna werd de orde niet meer verstrekt: de orde hing te veel samen met de persoon Willem VI en was voor volgende machthebbers dus niet meer interessant.[2]
Het versiersel dat de leden van de orde kregen, was er in drie varianten: goud, verguld zilver en zilver. Van de gouden versie zijn er door Willem tien uitgedeeld, waaronder Willem VI zelf en zijn echtgenote Margaretha van Bourgondië. Ook de hertogen van Gelre en Lancaster bezaten een gouden versiersel. Jacoba verstrekte er in haar regeerperiode ook nog eens tien.[2]
Tegenwoordig sinds 2025 bestaat ook nog een stichting van de Orde van de Hollandse Tuin in Nederland, deze ingesteld om het cultuur historisch erfgoed te behouden.
Literatuur
- ‘Reekeninge der testamentoren van wijlen der edelre vorstinnen, vrouwe Jacobs van Beyeren, van Hollant, grauynne van Oistreuant, zaliger gedenckenisse’, Codex Diplomaticus Neerlandicus 2de serie, 1 (1852) 166–266.
- F. von Löher, Jakobäa van Bayern und ihre Zeit, 2dln. (Nördlingen 1862-1869).
- F. von Löher, Beitrage zur Geschichte der Jacobäa von Bayern, 2 dln. (München 1865).
- F. de Potter, Geschiedenis van Jacoba van Beieren (1401-1436) (Brussel 1881).
- R. Putnam, A mediaeval princess. Being a true record of the changing fortunes which brought diverse titles to Jacqueline countess of Holland, together with an account of her conflict with Philip duke of Burgundy (1401-1436) (New York/Londen 1904).
- P.L. Tack, ‘De juwelen van Jacoba van Beieren en Elisabeth van Görlitz’, Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde 2 (1940) 106-114.
- D. Denuit, Jacqueline de Bavière: princesse infortunée (Brussel 1946).
- R. Vaughan, Philip the Good. The Apogee of Burgundy (London 1970; herz. ed. 2002).
- H.P.H. Jansen, Jacoba van Beieren (2de druk; Den Haag 1976).
- H.P.H. Jansen, ‘Jacoba van Beieren 1401-1436’, in: C. Tamse, Vrouwen in het landsbestuur. Van Adela van Hamaland tot en met koningin Juliana (Den Haag 1982) 23-37.
- E.H.G.L. Pluijmen, ‘Jacoba van Beieren als vorstin’, Spiegel Historiael 20 (1985) 321-325.
- G. Staalenhoef, ‘Kwartierstaat van Jacoba van Beieren, gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen’, Gens Nostra 40 (1985) 506-507.
- D. de Boer en E. Cordfunke, Graven van Holland. Portretten in woord en beeld (880-1580) (Zutphen 1995).
- M.J. van Gent, ‘Vijftien mannen achter Jacoba van Beieren’, Holland 29 (1997) 127-142.
- A. Janse, Een pion voor een dame. Jacoba van Beieren (1401-1436) (Amsterdam 2009).
- ↑ Mathijs Timmermans, Het auteurschap van het Nederlandse Beke-Vervolg. Leidschrift p. 145 (mei 2016).
- 1 2 Koene, Bert (2005). Voor God, graaf en geslacht: de kroniek van de ridders van Assendelft. Uitgeverij Verloren, p. 80. ISBN 978-90-6550-878-2.