Operatie Badr
| Operatie Badr | ||||
|---|---|---|---|---|
| Onderdeel van Jom Kipoeroorlog | ||||
![]() | ||||
Het Egyptisch offensief op 6 oktober en de Israëlische tegenaanvallen | ||||
| Datum | 7 oktober – 14 oktober 1973 | |||
| Locatie | Sinaï (schiereiland) | |||
| Resultaat | Egyptische overwinning | |||
| Strijdende partijen | ||||
|
| ||||
| Leiders en commandanten | ||||
| ||||
| Troepensterkte | ||||
| ||||
| Verliezen | ||||
| ||||
Operatie Badr (Arabisch: عملية بدر, ʻAmaliyat Badr) was een militaire operatie van de Egyptische krijgsmacht om op 6 oktober 1973 vanaf 14:00 het Suezkanaal over te steken, en door de Israëlische Bar-Levlinie te breken teneinde een strook van vijftien kilometer diepte van de tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967 verloren Sinaï te heroveren. Tegelijk vielen de Syrische strijdkrachten de Golanhoogvlakte aan, onder andere in de Vallei der Tranen, om die te heroveren op Israël. Operatie Badr begon op de joodse heilige dag Jom Kipoer en was het begin van de Jom Kipoer-oorlog. De operatie was genoemd naar de Slag bij Badr die de moslims in 624 wonnen, ook tijdens de maand Ramadan.
De operatie was een volledig succes, zelfs meer dan het Egyptische opperbevel zelf besefte zodat men naliet het volledig uit te buiten. Wel werd een sterke verdedigingstelling gevestigd op de oostelijke oever die in staat bleek een Israëlisch tegenoffensief met zware verliezen af te slaan. Het Syrische leger was echter bijna vernietigd en om hun bondgenoten te hulp te schieten probeerden de Egyptenaren naar het oosten uit te breken. Daarbij verloren ze zoveel tanks dat het Israëlische leger er alsnog in slaagde het Suezkanaal over steken en een groot deel van het Egyptische leger te omsingelen.
De aanleiding
Na de Zesdaagse Oorlog hadden zowel Israël als Egypte Resolutie 242 Veiligheidsraad Verenigde Naties naast zich neergelegd: Israël bleef de Sinaï bezet houden en Egypte hield zich ogenschijnlijk aan de "drie neens" van de Resolutie van Khartoem: nee tegen erkenning van Israël, nee tegen onderhandeling met Israël, nee tegen vrede met Israël. Tussen 1957 en 1967 waren de relaties tussen Egypte en Israël echter relatief goed geweest. Egypte had de handen vol aan de oorlog in Jemen en de meeste Israëlische politici zagen gebiedsuitbreiding door middel van oorlogsvoering, nog een dominant politiek thema tussen 1949 en 1956, niet meer als een urgent politiek doel. President Gamal Abdel Nasser van Egypte hoopte in juli 1967 dan ook op korte termijn een regeling te treffen waarbij Israël zich zou terugtrekken en in ruil daarvoor diplomatieke erkenning zou krijgen en een formele, door verdragen gewaarborgde vrede, demilitarisering van de Sinaï en recht op vrije doorvaart door de Golf van Akaba en het Suezkanaal. Contacten tussen Egypte en Israël moesten echter uiterst behoedzaam plaatsvinden want Syrië bleef vasthouden aan een radicale confrontatiepolitiek. Pogingen de boodschap via de diplomatieke kanalen van de Verenigde Staten van Amerika over te brengen mislukten grotendeels. Toen de Resolutie van Khartoem werd aangenomen, was het te laat want de Israëlische reactie daarop was zeer negatief; men wilde geen contacten meer zonder voorafgaande erkenning en was daarbij niet van plan ooit Oost-Jeruzalem op te geven.
Nasser was niet bereid zich dan maar bij de status quo neer te leggen. Nu diplomatieke middelen geen optie waren, zag hij slechts een hervatting van de vijandelijkheden als een praktische oplossing. Voorlopig was hij echter gedwongen zich bescheiden op te stellen. De Zesdaagse Oorlog had Egypte militair zeer verzwakt: zowel de luchtmacht als de tankvloot waren grotendeels verloren gegaan. Met hulp van de Sovjet-Unie bouwde Egypte de Egyptische krijgsmacht weer op. Het besef was echter gegroeid dat een totale oorlog met Israël niet gewonnen kon worden. Daarom ging Nasser in 1968 over tot de zogenaamde "Uitputtingsoorlog", een langdurige campagne om via artilleriebeschietingen en aanvallen van commando’s het met een inwonersaantal van drie miljoen niet bepaald volkrijke Israël zoveel verliezen aan manschappen toe te brengen dat de Sinaï opgegeven zou worden. Israël reageerde daarop door de bezetting van de oostelijke oever van het Suezkanaal tot het uiterste minimum te beperken, minder dan duizend man. Daar construeerde men de Bar-Lev-linie, een reeks clusters van kazematten die met hun beton veiligheid boden aan de soldaten. Ook wachtte men niet passief af maar liet zich leiden door het adagium dat de aanval de beste verdediging was. Amerikaanse Phantoms werden aangeschaft die zware bombardementen uitvoerden op de infrastructuur van Egypte. Artilleriebeschietingen verdreven de Egyptische burgerbevolking uit de kanaalzone. Luchtlandingen werden uitgevoerd om de transformatorsystemen van de Aswandam te vernietigen. Men stak het Suezkanaal over om Egyptische artillerieopstellingen te verwoesten. Landingen werden uitgevoerd over de Rode Zee op de oostkust van Egypte.
De Sovjet-Unie bouwde ten westen van het kanaal een luchtafweergordel van luchtdoelraketten op, bemand door Sovjetoperators. Die werden op hun beurt weer doelwitten van de bombardementen. De Sovjet-Unie begon met haar luchtmacht aan de oorlog deel te nemen door eskadrons jachtvliegtuigen naar Egypte te zenden. De Verenigde Staten van Amerika en de USSR zagen deze escalatie beide als een ernstig gevaar voor de wereldvrede en oefenden grote druk uit op de strijdende partijen om tot een wapenstilstand te komen. Nasser had al de conclusie getrokken dat de hele Uitputtingsoorlog een slecht idee geweest was. Israël toonde geen tekenen van uitputting. De Egyptische verliezen waren zowel in absolute zin veel zwaarder, vijftienmaal hoger, als relatief ten opzichte van de bevolkingsomvang die tienmaal hoger lag. Daarentegen was Israël, vooral de burgerbevolking, geneigd de vijandelijkheden voort te zetten. Door de Zesdaagse Oorlog had het zelfvertrouwen al een enorme oppepper gekregen en de onafgebroken reeks successen leidde tot de onwrikbare overtuiging dat men een overweldigende militaire superioriteit bezat ten opzichte van willekeurig welke Arabische staat. Het Israëlische kabinet durfde echter Richard Nixon niet te schofferen en gebruikte de algemene indruk dat Egypte toch al op het punt van instorten stond als argument dat men dus niet verder hoefde te vechten. Daarop volgde in augustus 1970 een staakt-het-vuren.
President Nasser overleed op 28 september 1970 en Anwar Sadat volgde hem op. Sadat wilde de Sinaï terug en stelde in februari voor dat Israël zich uit de Sinaï zou terugtrekken, om te beginnen tot aan de passen, dat het Suezkanaal zou heropenen en dat Israël Resolutie 242 Veiligheidsraad Verenigde Naties zou naleven met inbegrip van de regeling voor de Palestijnse vluchtelingen sinds de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 en dat Egypte na een wapenstilstand van zes maanden dan een vredesverdrag zou ondertekenen en Israël erkennen. Golda Meïr weigerde echter veroverd gebied op te geven.
Vanaf maart bezocht Sadat vier keer de Sovjet-Unie om wapens en munitie te vragen. Hij wilde modernere vliegtuigen en ballistische raketten om Israëlische steden te kunnen bombarderen als afschrikking tegen Israëlische bombardementen op de Egyptische industrie. Sadat zei openlijk dat hij oorlog wilde en noemde 1971 als het jaar van de beslissing. De Sovjet-Unie weigerde in 1971 de levering van geavanceerde wapens. De Israëlische geheime diensten waren hiervan op de hoogte en concludeerden dat een Egyptische aanval zou uitblijven. De dreigementen van Sadat werden afgedaan als holle retoriek. Egypte had echter zelf die informatie gelekt als misleiding. Arabische leiders waren het in 1972 eens dat diplomatie het conflict niet kon oplossen en midden 1973 stopte alle Amerikaanse bemiddeling.
In 1972 streefden de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie naar détente. De Arabische landen waren bezorgd, want zo zouden ze militair in het nadeel blijven tegenover Israël. Alleen een oorlog met Israël kon de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie dwingen om het conflict te beslechten.
De Arabische Liga

Op een vergadering van de gezamenlijke defensieraad van de Arabische Liga van 27 tot 30 januari 1973, stelde Egypte dat vanwege het luchtoverwicht van de Israëlische luchtmacht enkel een gelijktijdige aanval van Egypte, Syrië en Jordanië kans op slagen maakte. De Egyptische luchtmacht en de Syrische luchtmacht zouden versterkt met zestien squadrons van andere Arabische landen weliswaar numeriek de Israëlische luchtmacht overtreffen, maar de Israëlische luchtmacht zou door betere training, avionica, bommen en toestellen toch de heerschappij in de lucht behouden. Een gelijktijdige grondaanval zou de Israëlische landmacht dwingen om op twee fronten op de grond te vechten wat het de Israëlische luchtmacht onmogelijk zou maken zich op één strijdtoneel te concentreren.
In januari gaf president Hafez al-Assad zijn akkoord aan een aanval tegen Israël. Egypte en Syrië kwamen overeen om hun acties overeen te stemmen en hun ministers van oorlog formuleerden een gemeenschappelijke militaire strategie. Die bleef echter abstract. Beide landen hadden geen gezamenlijk operationeel opperbevel en hielden voor elkaar verborgen dat ze niet van plan waren hun troepen volledig in te zetten.
Egypte kreeg politieke steun van meerdere Arabische landen. Sadat besprak de inzet van aardolie als economisch drukmiddel om westerse regeringen aan te zetten om een pro-Arabische politiek te voeren. Saoedi-Arabië en Libië waren bereid tot een olieboycot. Koning Faisal bin Abdoel Aziz al-Saoed zegde dat in januari 1973 aan Sadat toe toen die een hadj uitvoerde naar Mekka. Saoedi-Arabië, Jordanië, Irak, Koeweit, Tunesië en Marokko beloofden kleine militaire eenheden voor het front; alleen Marokko zou werkelijk bijdragen voor de oorlog was uitgebroken. Een probleem was dat Jordanië geen derde front zou openen en zelfs niet volledig geïnformeerd kon worden vanuit de terechte angst dat plannen aan Israël doorgespeeld zouden worden.
De planning


Minister van Oorlog, generaal Mohammed Ahmed Sadek wilde met een grote diepe operatie heel de Sinaï heroveren, maar zag in januari 1972 in dat het vijf tot tien jaar zou duren om daarvoor gereed te zijn. Egypte schatte dat het zeventienduizend doden zou kosten om het Suezkanaal over te steken en de Sovjet-Unie kwam zelfs tot vijfendertigduizend. Sadek vond dat het offer van zoveel soldaten enkel gerechtvaardigd kon worden door herovering van veel territorium. Sadat wees de argumenten van Sadek af. Het was nodig op korte termijn een actie te ondernemen. De Egyptische economie miste de inkomsten uit het Suezkanaal en de olievelden van de Sinaï bij Aboe Roedeis. Het volk van Egypte was het leven tussen oorlog en vrede beu.
Op 3 juni 1971 zei Sadat:
Ik wil dat we het offensief plannen binnen onze mogelijkheden, niet meer. Steek het kanaal over en houd zelfs maar tien centimeter van de Sinaï. Ik overdrijf uiteraard, maar dat zal me erg helpen en de politieke toestand internationaal en binnen de Arabische gelederen volledig veranderen.
Sadat wilde politiek succes boeken zonder een overweldigende militaire overwinning en dus, aangezien de Egyptische krijgsmacht zwakker was dan de Israëlische defensieleger, vereiste dit dat de aanvalsdoelen beperkt werden.
Stafchef luitenant-generaal Saad El Shazly steunde een beperkte oorlog.
Hij zag twee zwakten van Israël:
- De kleinere bevolking maakte het onmogelijk om grote aantallen doden te aanvaarden.
- Het was onmogelijk om voor langere tijd 18% van de joodse bevolking te mobiliseren en paraat te houden.
Een langdurige oorlog op beperkte schaal zou beide zwakten uitbuiten.
Generaal-majoor Mohammed Fawzi voerde regelmatig Kriegsspiele uit om na te gaan welke strategie de meeste kans van slagen had. Toen Saad El Shazly hem op 16 mei 1971 verving waren er twee plannen opgesteld voor een oorlog met Israël: “Operatie 200” en “Operatie Graniet”. Beide waren echter allereerst defensief van karakter. Rechtse Israëlische partijen riepen op de wapenstilstand te verbreken, de westelijke kanaalzone te bezetten en het Egyptische leger te vernietigen. Operatie 200 wilde dat zo dicht mogelijk op het kanaal opvangen door het aanleggen van een dichte verdedigingsgordel. Graniet voorzag in het verstoren van een Israëlische opbouw door kleinere raids over het kanaal en luchtaanvallen uit te voeren.
De Israëlische luchtmacht was veel moderner uitgerust dan de Egyptische en beschikte over 122 superieure Amerikaanse McDonnell Douglas F-4 Phantom IIs plus zes RF-4Es, de verkenningsversie ervan.[2] Om dit te compenseren legde Egypte een reeks luchtafweergordels aan met vooral statische SAM-2 en SAM-3 (zo'n 150 bij elkaar), maar ook mobiele SAM-6 en draagbare SAM-7 luchtdoelraketten naast de ZSOe-23-4 Sjilka luchtafweertank met vier radargeleide snelvuurkanonnen van kaliber 23 mm en duizenden stukken conventioneel luchtafweergeschut. Het doel was een luchtafweerparaplu boven de Egyptische grondtroepen te scheppen. De SAM-2 en SAM-3 hadden negen uur nodig om ze te verplaatsen en Egypte had te weinig SAM-6s om oprukkende grondtroepen te beveiligen. Shazly was daarom voor een beperkte oorlog om enkel de oostelijke oever van het Suezkanaal te heroveren, nog binnen het bereik van de luchtafweerraketten.
Sadek begon in juli 1971 twee offensieven te plannen. “Operatie 41” (ofwel Tahrir, "Bevrijding", 41, zogenaamd slechts een oefening) was een offensief over de volle breedte van het Suezkanaal met een vervolgfase om uiteindelijk de belangrijkste bergpassen van de Sinaï in te nemen: de Mitla en de Gidi. De Sovjet-Unie werkte mee aan het plan, hoewel het volgens haar buiten de mogelijkheden van het Egyptisch leger lag. Shazly zag het plan als een middel om de Sovjet-Unie aan te zetten om meer wapens te leveren. Het plan zou ook Syrië aanmoedigen om aan de oorlog mee te doen omdat de Syriërs bang waren dat de Israëliërs hun strijdmacht grotendeels op de Golan zouden inzetten als de Egyptenaren meteen een verdedigende positie zouden innemen. Het plan voor “Operatie 41” was klaar in september 1971 en de maand erop vlogen Sadat en Sadek naar Moskou om het duurste wapencontract van Egypte ooit af te sluiten: honderd Mikojan-Goerevitsj MiG-21 gevechtsvliegtuigen, tien Toepolev Tu-16 bommenwerpers, SAM-6 luchtdoelraketten en zware artillerie. “Operatie 41” werd hernoemd tot “Operatie Graniet Twee”.
Het tweede plan “Hoge Minaretten” voorzag om op vijf plaatsen het kanaal over te steken, tien kilometer op te rukken en zich daar in een verdedigende stelling in te graven. Door maar tien kilometer op te rukken bleven de grondtroepen onder de bescherming van de luchtafweer. Ook dit geheime plan was in september 1971 klaar.[3]

Sadek bleef tegen een beperkte oorlog en Sadat verving hem na een hoogoplopende ruzie op 24 oktober 1972 door generaal-majoor Ahmed Ismail Ali. Sadat vermaande deze:
Verlies het leger niet zoals in 1967!
“Hoge Minaretten” bleef het enige uitvoerbare plan en werd voorzien voor de lente van 1973. Volgens schatting zou de eerste belangrijke Israëlische tegenaanval zeven uur na de aanval beginnen met drie pantserbrigades, terwijl ondersteuning met Egyptische tanks pas na twaalf uur ter plaatse zou zijn. Egyptische infanterie stond dus voor een grote uitdaging. De Israëlische tankcompagnies zouden ieder een vuurpositie innemen bij een bunkercomplex aan het kanaal en het tussenliggende terrein met dodelijk accuraat vuur bestrijken. Om de oversteek een succes te laten worden, was het een absolute noodzaak om de tanks in frontale aanvallen snel uit te schakelen. Men moest daarom veel anti-tank guided missiles (ATGM) en raketwerpers (RPG) meenemen, vooral RPG-7s en in minder getal het draadgeleid wapen 9M14 Maljoetka en honderden terugslagloze vuurmonden. De met de hand gerichte 9M14 Maljoetka was minder geschikt om mee aan te vallen. Hij had weliswaar een groot bereik en een krachtige springkop, maar vloog traag. Een tank had zo'n twintig seconden om de raket te ontwijken of een schot af te vuren in de richting van de operator wat deze kon dwingen in dekking te gaan.[4] De vuurcontrole was ook primitief en bracht de raket niet automatisch op één lijn met het richtvizier van de schutter. Die moest daarom handmatig met een joystick de raket bijsturen totdat hij de vlam van de raketmotor op het vizierkruis zag liggen. De kleinste afstand waarbinnen dit lukte was vijfhonderd meter. De trefkans was in de praktijk maar een paar percent. De bediening vergde veel oefening en de speciale teams werden achtergehouden om te verdedigen tegen Israëlische tankaanvallen door de reserves die na 36 uur verwacht werden. Op kortere afstand moesten de RPG-7, de 82 mm B-10 en 107 mm B-11 terugslagloze vuurmonden de tanks overvallen. RPG-7-teams werden geacht de tankcompagnies binnen tweehonderd meter te naderen. Egypte had ook RPG-43 antitankwerpgranaten. De infanterie had infrarood nachtkijkers en lasbrillen tegen verblinding door xenonlampen op tanks. De Israëlische tanks hadden helemaal geen nachtzichtkijkers en konden dus in de schemering of in de stofwolken en rookgordijnen die de Egyptische artillerie opwierp plots geconfronteerd worden met opduikende Egyptenaren.
De infanterie moest dus de zware ATGMs, RPGs, vlammenwerpers, machinegeweren en landmijnen dragen voor er bruggen over het kanaal lagen. Alles moest met duizend motorboten worden aangevoerd en dan dieper het land in gesjouwd. Vijf verschillende rugzakken werden ontwikkeld met grotere veldflessen en rantsoenen voor 24 uur. Er werden ook 2200 houten karretjes met vier wieltjes voorzien, door soldaten getrokken, om 330 ton gereedschap, wapens en munitie mee te voeren. In de maanden voor de aanval werden de troepen dag in, dag uit gedrild zodat alle noodzakelijke handelingen een automatisme werden.
Voor “Hoge Minaretten” moest de infanterie vijf bruggenhoofden van vijf kilometer diep en acht kilometer breed vestigen, drie ten noorden van de Bittermeren en twee ten zuiden ervan. Van het begin af aan zou er massale artilleriesteun vanaf de westelijke oever zijn: 194 batterijen waren verzameld met 1100 houwitsers. Daartoe werden hoge platforms van veertig meter hoogte opgetrokken zodat men vrije zichtlijnen had over de zandwal op de oostelijke oever. In reactie hierop trokken de Israëliërs zeventig meter hoge obervatietorens op. Raketartillerie was in staat indrukwekkende barrages af te geven. De artillerie miste echter de precisie om Israëlische tanks uit te schakelen maar kon die wel dwingen om met de luiken dicht te vechten zodat ze kwetsbaarder werden voor RPG-teams. Zo gauw versterkingen en tanks het kanaal waren overgestoken, zouden de bruggenhoofden acht kilometer diep gemaakt worden, 18 uur na begin van de operatie, door het aanleggen van een voorpostenlinie. Commando's neergezet door helikopters en op de kust landende mariniers zouden door hinderlagen te leggen de aanvoer van Israëlische reserves naar de Bar-Levlinie pogen te vertragen, hoewel men zich geen illusies maakte over de effectiviteit van zulke acties.

De lente van 1973 ging echter voorbij zonder offensief, hoewel het Egyptische leger zich tweeëntwintig maal deployeerde voor een aanval. Op 21 augustus reisden in het geheim zes hoge Syrische officieren met valse namen en paspoorten van Latakia naar Alexandrië op een passagiersschip van de Sovjet-Unie met vakantiegasten. Onder dezen waren Minister van Defensie kolonel-generaal Mustafa Tlass en stafchef generaal Yusuf Shakkour. Ze vergaderden twee dagen met hun Egyptische collega’s in het hoofdkwartier van de Egyptische marine in Ras El Tin. Op 23 augustus ondertekenden Shazly en Shakkour twee documenten dat de Egyptische krijgsmacht en de Syrische strijdkrachten klaar waren voor oorlog. De presidenten Sadat en Hafez al-Assad moesten nog een datum kiezen met gunstig getij: ofwel 7–11 september, ofwel 5–10 oktober en ze moesten hun beslissing vijftien dagen voor de aanval aan hun bevelhebbers meedelen. 27 augustus, vijftien dagen voor 7 september, verstreek zonder antwoord van Sadat of Assad. Op 28 en 29 augustus ontmoette Sadat Assad in Damascus en ze kwamen overeen om de oorlog in oktober te beginnen. Ze legden 6 oktober vast en informeerden Ahmed Ismail en Tlass op 22 september en die lichtten hun stafchefs in, overigens pas op 1 oktober. Op verzoek van Ahmed Ismail verordende Sadat een presidentieel decreet voor de oorlog. Zo was het pas in september, minder dan een maand voor de aanval, dat 6 oktober was vastgelegd en het offensief zou beginnen om 14:00 plaatselijke tijd te Caïro. De hoofdreden voor de vertraging was dat de Syriërs per se in de avond wilden beginnen zodat hun tanks onder dekking van de duisternis de "Paarse Lijn" op de Golan konden aanvallen. Toen dat na veel geruzie toch niet doorging omdat de Egyptenaren er niets voor voelden hun pontonbruggen de ochtend erna in het volle daglicht aan te te leggen, hadden ze geen vertrouwen meer in het succes van het offensief en besloten, zonder dit aan de Egyptenaren te verklappen, hun pantserreserves alleen in te zetten in het onwaarschijnlijke geval dat er toch een doorbraak tot stand zou komen.
6 oktober was ook de joodse heilige dag Jom Kipoer: gelovige joden vasten dan en maken geen vuur of gebruiken geen elektriciteit, zodat vervoer stilligt en het in theorie lastig zou worden het Israëlisch defensieleger te mobiliseren. In feite bleek het juist eenvoudiger reservisten telefonisch te bereiken omdat iedereen thuis zat. 7 oktober viel ook in de maand Ramadan en moslims wonnen hun eerste overwinning tijdens de maand Ramadan op 6 oktober 624 in de Slag bij Badr. “Operatie Hoge Minaretten” werd daarom hernoemd tot “Operatie Badr”. Tijdens de oorlog waren moslims vrijgesteld van de plicht te vasten en de soldaten werd op 4 oktober bevolen hun vasten te verbreken. Voor de eerste golf zette men echter zoveel mogelijk Koptische christenen in. Een laatste voordeel van het tijdstip van de aanval was dat die dicht op de datum van de Israëlische verkiezingen lag, 30 oktober. Dat zou tot spanningen in het Israëlische opperbevel leiden.
De Bar-Levlinie

Het Suezkanaal is op zichzelf een formidabel obstakel, 170 kilometer lang. Het was toen 180 meter breed, zestien meter diep en bezat geen sluizen of stuwen zodat het water vrij de Middellandse Zee inliep, of terug als het tij keerde. De oostelijke oever vormde een betonnen kade van twee meter hoog die nergens doorwaadbaar is. In het zuiden zorgde de getijdenwerking voor hoogteverschillen in de waterspiegel van wel twee meter en een stroomsnelheid van anderhalve meter per seconde. Niet de volle lengte van het kanaal hoefde verdedigd te worden. De Bittermeren verkorten de afstand met tientallen kilometers, het gevechtstoneel in een noordelijke en zuidelijke sector verdelend. In het noorden ligt een zoutmoeras, het Tinahmeer. Dat schermt Port Fouad af, een stad op de oostelijke oever die de Israëliërs, ondanks verschillende pogingen daartoe, nooit zouden weten te veroveren. Bij elkaar bracht dit de breedte van het slagveld op zo'n honderd kilometer.

De Bar-Levlinie is in de winter van 1969 tijdens de Uitputtingsoorlog aangelegd voor minstens een miljard Israëlische pond, de tegenwaarde van driehonderd miljoen Amerikaanse dollar naar de koers van 1973 en is genoemd naar de toenmalige stafchef Chaim Bar-Lev. De linie was niet bedoeld om een groot offensief van het Egyptische leger tegen te houden maar diende om bij schermutselingen, infiltraties en commando-overvallen met een minimaal garnizoen te voorkomen dat het Egyptische leger het achterland zou binnendringen. Die functie heeft de linie goed vervuld: met een bezetting van slechts duizend man werd tot oktober 1973 iedere belangrijke penetratie verhinderd. Een probleem ontstond toen het opperbevel verleid werd de dure lijn een rol te laten spelen in het plan "Duiventil" (Sjovach Jonim) voor een volle oorlog door haar dan in twee dagen tijd om te bouwen tot een hoofdweerstandlinie ondanks dat men op slechts 120 meter afstand lag van de Egyptenaren op de andere oever. Dat had alleen kans van slagen indien die niet recht in de stelling konden vuren. De Israëlische genie wierp daartoe over honderd kilometer langs de oostelijke oever van het Suezkanaal een zandwal van tweehonderd meter breed en achttien meter hoog op met een helling van 55°, de maximale klimhoek voor rupsvoertuigen. Daarbij verhoogde men een al bestaande wal van zes tot tien meter die bij de aanleg van het kanaal op de oostelijke oever gestort was. Oversteekpunten werden versterkt met betonnen hindernissen zoals draketanden tegen tanks en amfibische landingsvaartuigen. De wal schermde zo niet alleen de stelling af tegen direct vuur maar zou ook een aanval vertragen. De Israëliërs rekenden erop dat het minstens 24 uur zou vergen om met bulldozers door de zandwal te breken. Moshe Dayan noemde het Suezkanaal de beste tankgracht ter wereld.
Achter de zandwal lagen met zes tot tien kilometer tussenruimte tweeëntwintig fortencomplexen, Maozim, waarin zo'n vijfendertig betonnen bunkers. De bunkers lagen diep in het zand. Het dak was afgedekt door een zes meter dikke plaat van gewapend beton die de zwaarste veldartillerie of een vliegtuigbom van vijfhonderd kilogram kon weerstaan. Een airconditioning hield de temperatuur en het stof op een leefbaar niveau. De bovenste verdieping had observatieposten en schietsleuven voor automatische wapens. Daaronder lag een ruimte voor opslag van munitie, water en voedsel. In een ondergrondse ruimte at, recreëerde en sliep de bemanning. Rondom de hoofdbunker lagen loopgraven, prikkeldraadversperringen, een mijnenveld van tweehonderd meter diep, bunkers en shelters (in de zin van schuilplaatsen voor infanterie) en geschutstellingen voor drie tanks. Zulke tanks waren meestal geen deel van het vaste garnizoen; ze konden te hulp geroepen worden uit reservebataljons en slechts bij acht Moazim. Een uitzondering waren enkele oude buitgemaakte T-34s en IS-3s die vlak bij het kanaal ingegraven waren. Ieder complex had drie lichte 52 mm mortieren en een middelzware 81 mm mortier. De shelters werden alleen overdag bezet en konden machinegeweervuur uitbrengen op het kanaalwater en de oostelijke kade. Als het duister viel, trok iedereen zich terug in de hoofdbunker. Elke versterking zou volgens het oorspronkelijke plan een ondergrondse tank krijgen met ruwe aardolie, die ze door buizen in het Suezkanaal kon pompen om het wateroppervlak in brand te steken.
Zo'n vierhonderd meter achter het bunkercomplex lag een opstelling en een gedekte toevoerweg voor de overige twee pelotons van een versterkende tankcompagnie waarin deze in een rompgedekte positie vuur kon uitbrengen op de killing zones tussen de complexen. Die waren zo geplaatst dat ze waarschijnlijke oversteekplaatsen insloten. Op die manier kon de linie functioneren als hoofdweerstandstelling. Deze opstellingen boden ook ruimte voor het peloton gemechaniseerde infanterie dat iedere compagnie zou meebrengen. Die infanterie bood een zekere bescherming tegen Egyptische RPG 7-teams. Veel vuurkracht had de Israëlische infanterie niet. De antitankwapens bestonden uit vrijwel waardeloze geweergranaten en verouderde superbazookas uit de Koreaanse Oorlog met een geringe trefzekerheid en een holle lading die het frontpantser van de T-54 niet kon doorboren. Geleide antitankraketten gebruikte men helemaal niet. In 1956 waren wel wat Franse SS-10s aangeschaft maar die waren net zo primitief als hun Sovjettegenhangers doch een stuk duurder zodat men het zich niet kon veroorloven teams afdoende te trainen. De achterliggende stellingen waren verbonden door een dwarsweg die codenaam Lexicon kreeg. De wegen waren in de Sinaï zeer belangrijk omdat zandduinen en rotsvelden het terrein ontoegankelijk maakten.
Een volgende linie lag vier tot acht kilometer achter de zandwal. Dit was de zogenaamde Artillerieweg. Tijdens de Uitputtingsoorlog reed hier de Israëlische gemechaniseerde artillerie, vuurmonden onder pantser op rupsonderstellen met een hoge vuursnelheid, heen en weer om snel concentraties te vormen om de onbeschermde getrokken Egyptische houwitsers met hun vuur te overweldigen. De Egyptenaren hadden nauwelijks gemechaniseerde artillerie. Terwijl de bunkercomplexen geen continue linie vormden, was de Artillerieweg over de volle breedte van het kanaal doorgetrokken. In geval van een volle oorlog kreeg deze weg een veel belangrijker functie. De reservetankbataljons, die klaarlagen in Toazim, twaalf versterkingen die Sharon nog had laten aanleggen, zouden elk twee compagnies uitzenden om de bunkercomplexen de "schouders" van een sector hoofdweerstandslinie te versterken; de derde compagnie moest voor de artillerieweg een blokkade vormen zodat een overstekende Egyptische divisie door in theorie eenenvijftig tanks geheel omsloten werd en door het accurate vuur van de 105 mm tankkanonnen vernietigd kon worden. Op de voorziene grendelposities werden vlak voor de aanval op bevel van generaal Gonen tankopstellingen ingericht en loopgraven. Zo ontstonden driehoekige structuren, de zogenaamde "vinnen". Nergens echter bezat de Bar-Levlinie een doorlopende reeks veldversterkingen en het is ook nooit de bedoeling geweest die in te richten, zelfs niet na een volledige mobilisatie van alle reserves. Het plan was namelijk om zo snel mogelijk zelf tot het offensief over te gaan en het kanaal over te steken. Twee reservedivisies zouden daartoe worden gemobiliseerd. Om die te kunnen verplaatsen werd een tweede weg overdwars aangelegd, zo'n vijftien tot dertig kilometer achter het kanaal. Verbonden met die Dwarsweg (dat was ook de officiële aanduiding) bevonden zich meer oostelijk talrijke mobilisatiecomplexen, munitiebunkers, werkplaatsen, commandoposten en voorraadschuren.
Over de volle diepte bekeken was de Sinaï overdwars verdeeld in drie sectoren: een noordelijke sector van El Arish aan de kust tot El Qantara, een centrale sector van Aboe Ageila tot Ismaïlia en een zuidelijke sector van Eilat over de bergpassen Mitla en Gedy (Gidi) tot het Grote Bittermeer en het zuidelijke uiteinde van het Suezkanaal.
De generaals Ariel Sharon en Israël Tal waren van begin af aan tegen de Bar-Levlinie. Ze vergeleken die met de Franse Maginotlinie in de Tweede Wereldoorlog. Die zou alleen maar veel geld gekost hebben in ruil voor schijnveiligheid. Sharon waarschuwde dat de garnizoenen klem zouden komen te zitten, een gemakkelijk doelwit. Het zou beter zijn de fondsen uit te geven voor meer tanks en die continu langs het kanaal te laten patrouilleren. Toen Sharon in 1969 bevelhebber van het Zuidelijk Commando werd liet hij zes bunkercomplexen sluiten en met zand opvullen. De pijpen om brandende brandstof in het kanaal te spuiten werden alle afgesloten. Het systeem, dat pas bij twee bunkercomplexen aangelegd was, werd bij nader inzien te riskant geacht, zeker voor een strijdmacht die zelf het kanaal hoopte over te steken. De getijdestroming spoelde ook de brandstof te snel weg. Het is bij één bunker alsnog uitgeprobeerd en bleek toen toch aardig te werken; voor een plan ze toch maar weer in werking te stellen ontbrak uiteindelijk de tijd. Sharon beval op geschikte oversteekpunten de zandwal te verlagen zodat die voor de IDF zelf in dat geval geen obstakel zou vormen. Hij liet ook gespecialiseerd brugslagmaterieel voorbereiden waaronder een rollerbrug die in één keer over het kanaal kon worden geschoven. Vlak voor de aanval besloot men veertien gesloten kazematten alsnog uit te graven.

In oktober 1973 dacht het Israëlische publiek dat de Bar Levlinie oninneembaar was en het "Kerkhof der Egyptenaren" zou worden als die het zouden wagen aan te vallen. Het opperbevel wist wel beter. Nu er maar zestien Moazim waren, zouden grote sectoren niet verdedigd worden en daar kon de Egyptische infanterie straffeloos oversteken. Bij voorbaat zag men af van de optie de gaten met grote hoeveelheden Israëlische infanterie op te vullen. Die kon onmogelijk op tijd gemobiliseerd worden en het was juist de bedoeling de Egyptische tanks naar voren te lokken zodat men ze kon vernietigen. Tijdens de Uitputtingsoorlog lag een elite-eenheid aan het kanaal, meestal een parachutistenbataljon. Oktober 1973 was de sterkte verminderd tot 414 soldaten, waaronder zo'n 250 man op herhalingsoefening uit het 68e Territoriaal Bataljon van de "Jeruzalembrigade" (275e IB) die nooit in de Sinaï gevochten hadden. De rest van de brigade was op herhaling in het oosten van de Sinaï. In de complexen waren ook paramilitairen aanwezig van de Nahal-beweging. De zuidelijkste drie complexen werden bemand door troepen van het 904e NAHAL Infanteriebataljon.
Het Egyptische opperbevel kreeg de eerste week van oktober in de gaten dat de paraatheid van de Ber Levlinie laag bleef. Men begreep dat de kosten van de eigenlijke oversteek wel eens veel lager zouden kunnen liggen dan eerder gevreesd. Een beginsucces was nu vrijwel verzekerd. Men had echter groot ontzag voor de IDF en vreesde dat het allemaal deel uitmaakte van een Israëlische valstrik. Op alle niveaus werd er ingehamerd dat men de vijand niet mocht onderschatten.
De Israëlische deployering
De 252e Divisie van generaal-majoor Albert Mandler verdedigde de Bar-Levlinie met drie pantserbrigades. Een infanteriebrigade leverde het bataljon dat op 6 oktober de versterkingen aan het kanaal bemande. Verder waren er bataljons gemechaniseerde infanterie die met de tanks konden oprukken. De divisie had ook 48 stuks zware gemechaniseerde artillerie, vier bataljons met M107 of M110 170mm en 203mm geschut. Verder was er een batterij buitgemaakte raketartillerie van Sovjetmakelij.
Zeven kilometer achter de versterkingen lag de 14e Pantserbrigade met 91 tanks onder kolonel Amnon Reshef met drie bataljons, een bataljon voor elk van de drie sectoren. Van zuid naar noord had het 9e Tankbataljon 32 tanks, het 185e TB 25 tanks en het 52e TB 34 tanks. Bij een Egyptische aanval moest de brigade oprukken om de bunkerposities en de zijden van de "vinnen" langs de Bar-Levlinie te bezetten. In het zuiden waren dat drie posities, in het midden twee en in het noorden weer drie.
Zevenentwintig kilometer achter het kanaal lagen nog twee pantserbrigades van kolonels Gabi Amir en Dan Shomron. De 401e Pantserbrigade had 130 tanks; haar vier tankbataljons, het 46e TB, het 52e TB, het 79e TB en het 195e TB moesten als het ware de "stop" vormen op de punt van de vinnen. De 460e Pantserbrigade moest met 69 tanks dienen als strategische reserve. Het omvatte het 196e en 198e Tankbataljon. Het 71e TB vocht op de Golan. De kwaliteit van deze brigade was wisselend omdat ze van de tankschool afkomstig was. De instructeurs die als tankcommandanten dienden, waren uiterst ervaren maar sommige bemanningsleden waren nog maar gedeeltelijk opgeleid. De divisie had dus 289 tanks, alle Amerikaanse Pattons, op Centurions in de tankschoolbrigade na. De 14e PB gebruikte M48s, de 401e PB de M60A1, de modernste tank waarover de IDF beschikte en de M60.
De bezetting van de Sinaï telde achttienduizend soldaten onder bevel van generaal-majoor Shmuel Gonen, sinds 1 juli 1973 de opvolger van Sharon als bevelhebber van het Zuidelijk Commando. Israël kende ook een Noordelijk Commando bij de Golan en een, veel zwakker, Centraal Commando tegenover Jordanië. De Gazastrook was aan de controle van het Zuidelijk Commando onttrokken en aan het Centraal Commando overgedragen toen bleek dat Sharon begin 1971 zo'n duizend Palestijnse militanten door doodseskaders had laten ombrengen. Gonen had zijn hoofdkwartier in Beër Sjeva, ver van het front in de Negev. Dat was geen groot probleem zolang alles volgens plan verliep maar al snel zou hij de controle over de slag verliezen.
Volgens het algemene mobilisatieplan Sela, "rots", moest het Zuidelijk Commando versterkt worden door twee divisies. Dat zou hoe dan ook voldoende moeten zijn om iedere aanval te blokkeren. Israëls planning was echter niet alleen defensief. Verwacht werd dat de oversteekpoging het Egyptische leger sterk zou verzwakken en een uitbraakpoging nog meer. Bij een Kriegspiel in 1972 lukte het alle overgestoken troepen binnen twee dagen te vernietigen. Dat zou vijf van de negen grote Egyptische divisies fataal verzwakken. De vijand was dan rijp voor de eigen oversteekpoging, Operatie Gazelle. Aan de overzijde van het kanaal kon men daarna het hele Egyptische leger verslaan in Operatie Chatoel Midbar, "Woestijnkat", en oprukken naar Caïro. Het was niet de taak van de IDF te beslissen wat daarna moest gebeuren; dat was aan de politiek die daarover nog geen consensus had bereikt, een patroon dat al bekend was van eerdere conflicten. Verschillende ideeën waren tijdens de Uitputtingsoorlog geopperd: een bezetting of althans demilitarisering van de westelijke kanaalzone; vrije doorvaart door het Suezkanaal; een ontmanteling van de luchtafweergordel en zelfs een regime change. Men begreep dat men snel moest handelen en de eisen niet te zwaar mochten zijn, wilde de Veiligheidsraad geen wapenstilstand opleggen, vermoedelijk gekoppeld aan een dreiging door de Sovjet-Unie militair in te grijpen. Men hoopte op een bemiddelende rol door de VS.
De taak van de Egyptische genie

Om de operatie te laten slagen moest de verdediging letterlijk doorbroken worden om toegangswegen door de zandwal te openen. De Egyptische genie moest daartoe zeventig bressen van zeven meter breed, gemiddeld tien meter hoog en zestig meter diep in die zandwal slaan, wat per bres de verwijdering van zo'n 4500 m³ zand betekende. Maar proefnemingen wezen uit dat zestig man en een bulldozer er zelfs met verbruik van driehonderd kilogram explosieven er zes uur over zouden doen om 1500 kuub te verwijderen, ook zonder vijandelijk vuur. Dat zou het proces te traag maken. In 1973 concludeerden Sovjetexperts, in een poging de Egyptenaren het hele project uit het hoofd te praten, dat een snelle doorbraak eigenlijk alleen mogelijk was door de inzet van tactische nucleaire wapens.
Eind 1971 stelde de Egyptische genie-officier Baki Zaki Youssef, die daarmee ervaring opgedaan had bij de aanleg van de Aswandam, voor om kleine, lichte pompen aangedreven door een benzinemotor over het Suezkanaal te varen in opblaasbare rubberbootjes en dan het zand weg te spuiten met water van het Suezkanaal onder druk.[5][6] Egypte kocht driehonderd Britse pompen. Uit testen bleek dat vijf van die pompen 1500 m³ zand konden wegspuiten in drie uur. In 1972 kocht Egypte 150 krachtiger Duitse pompen aangedreven door een gasturbine en aan te voeren in een houten boot. Drie Britse en twee Duitse pompen konden 1500 kuub verwijderen in twee uur en een bres scheppen in zes uur.
Als de bressen in de zandwal er waren, moest de genie tien zware bruggen over het Suezkanaal leggen, twee per bruggehoofd, met Duitse MTU en Sovjet TMM brugleggende tanks en pontonbruggen, vijf lichte bruggen, tien lichte pontonbruggen en vijfendertig tankveren.[7] De Egyptenaren beschikten over twee Sovjet PMP drijvende zware plooibruggen die snel te leggen en eenvoudig te herstellen waren.[8]
Binnen zes uur moesten de bressen in de zandwal gespoten zijn, dan moesten de veerdiensten beginnen, en twee uur later moesten de bruggen geslagen worden. De genie moest ook de mijnenvelden ruimen.
De slagorde

Opperbevelhebber: kolonel-generaal Ahmed Ismail Ali
Stafchef: luitenant-generaal Saad el-Shazly
Commandant van de operatie: luitenant-generaal Abdel Ghani el-Gamasy
Hoofd genie: generaal-majoor Gamal Mohamed Aly
Hoofd van de militaire inlichtingendienst: generaal-majoor Ibrahim Fouad Nassar
- Sector Port Said: Port Said en Port Fouad: generaal-majoor Omar Khalid
- 30e Infanteriebrigade: brigade-generaal Mohamed Salah el-Din
- 135e Infanteriebrigade: kolonel Mustafa el-'Abbassi
- 10e Gemechaniseerde infanteriebrigade in reserve
- 2e Leger noordelijke kanaalzone: generaal-majoor Sa'adeddin Ma'moun
- Stafchef: generaal-majoor Tayseer Aqad
- Hoofd artillerie: generaal-majoor Mohamed Abd Al-Halim Abu Ghazala
- 18e Infanteriedivisie: brigade-generaal Fuad 'Aziz Ghali
- 90e Infanteriebrigade
- 134e Infanteriebrigade
- 136e Gemechaniseerde infanteriebrigade
- 2e Infanteriedivisie: brigade-generaal Hassan Abu Sa'ada
- 4e Infanteriebrigade
- 120e Infanteriebrigade
- 117e Gemechaniseerde infanteriebrigade
- 16e Infanteriedivisie: brigade-generaal abd Rab el-nabi Hafez
- 16e Infanteriebrigade: Abdel-Hamid Abdel-Sami
- 112e Infanteriebrigade
- 3e Gemechaniseerde infanteriebrigade
- 21e Pantserdivisie brigade-generaal Ibrahim El-Orabi
- 1e Pantserbrigade: Mohamed Taufik Abu Shady, gesneuveld en vervangen door Sayyid Saleh
- 14e Pantserbrigade
- 18e Gemechaniseerde infanteriebrigade: Talaat Muslim
- 23e Gemechaniseerde infanteriedivisie: brigade-generaal Ahmad 'Aboud el Zommer, Hassan Abd Al-Latif
- 24e Pantserbrigade
- 116e Gemechaniseerde infanteriebrigade: Hussein Ridwan, gesneuveld
- 118e Gemechaniseerde infanteriebrigade
- 15e Pantserbrigade: kolonel Tahseen Shanan
- 18e Infanteriedivisie: brigade-generaal Fuad 'Aziz Ghali
- 3e Leger: zuidelijke kanaalzone: generaal-majoor Mohamed Abd Al-Munim Wasel
- Stafchef: generaal-majoor Mustafa Shaheen
- Hoofd artillerie: generaal-majoor Munir Shash
- 7e Infanteriedivisie: brigade-generaal Ahmad Badawi Said Ahmad
- 2e Infanteriebrigade
- 11e Gemechaniseerde infanteriebrigade
- 8e Gemechaniseerde infanteriebrigade
- 19e Infanteriedivisie: brigade-generaal Yusuf Afifi Mohamed
- 5e Infanteriebrigade
- 7e Infanteriebrigade
- 2e Gemechaniseerde infanteriebrigade
- 4e Pantserdivisie: brigade-generaal Mohamed Abd Al-Aziz Qabil
- 2e Pantserbrigade
- 3e Pantserbrigade: brigade-generaal Noureddin Abd Al-Aziz, gesneuveld
- 6e Pantserbrigade
- 6e Gemechaniseerde infanteriedivisie: brigade-generaal Mohamed AbulFath Muharam
- 22e Pantserbrigade
- 113e Gemechaniseerde infanteriebrigade
- 1e Gemechaniseerde infanteriebrigade
- 130e Amfibische brigade: kolonel Mahmoud Shu'aib
- 25e Pantserbrigade: kolonel Ahmed Helmy Badawy
- 7e Infanteriedivisie: brigade-generaal Ahmad Badawi Said Ahmad
- El-Sa'ka-eenheden: generaal-majoor Nabeel Shukry
- 127e El-Sa'ka groep: kolonel Fuad Basyuni
- 129e El-Sa'ka groep: kolonel Ali Heykal
- 136e El-Sa'ka groep: kolonel Kamal Atiyah
- 139e El-Sa'ka groep: kolonel Osama Ibrahim
- 145e El-Sa'ka groep: kolonel El-Sayid Sharqawy
.jpg)

Minister van Defensie: Luitenant-generaal buiten dienst Moshe Dayan
Chef van de Israëlische Generale Staf: luitenant-generaal David Elazar
Adjunct stafchef: generaal-majoor Israel Tal
Operationeel commandant: generaal-majoor Avraham Tamir
Militaire inlichtingendienst: generaal-majoor Eli Zeira
Zuidelijk Commando: generaal-majoor Shmuel Gonen, vervangen door Haim Bar-Lev
- 252e Divisie (Ugdah): generaal-majoor Albert Mandler (gesneuveld op 13 oktober)
- 8e Pantserbrigade: kolonel Aryeh Dayan (overgeheveld van de 143e Ugdah)
- 14e Pantserbrigade: kolonel Amnon Reshef
- 401e Pantserbrigade: kolonel Dan Shomron
- 460e Pantserbrigade: kolonel Gabi Amir
- Harel Brigade: kolonel Avraham Bar-Am
- Yiftach Brigade: kolonel Aharon Peled
+gemechaniseerde infanterie en parachutisten
- 162e Divisie: generaal-majoor Avraham Adan
- 217e Pantserbrigade: kolonel Natke Nir
- 460e Pantserbrigade: kolonel Gabi Amir (overgeheveld van de 252e Ugdah)
- 500e Pantserbrigade: kolonel Aryeh Keren
+gemechaniseerde infanterie en de 35e brigade parachutisten: kolonel Uzi Yairi
- 143e Divisie: generaal-majoor Ariel Sharon
- 14e Pantserbrigade: kolonel Amnon Reshef (overgeheveld van de 252e Ugdah)
- 600e Pantserbrigade: kolonel Tuvia Raviv
- 421e Brigade: kolonel Haim Erez
- 243e Parachutistenbrigade: kolonel Danny Matt
+gemechaniseerde infanterie
De militaire inlichtingendienst Aman

De Israëlische Militaire Inlichtingendienst kortweg Aman hield alle troepenbewegingen in het oog. De Israëli verwachtten minstens 24 uur, liefst 96 uur, vooraf een waarschuwing van hun inlichtingendienst en vertrouwden erop dat de Israëlische luchtmacht elke Arabische aanval snel zou afslaan.
Damascus is maar een uur rijden en Caïro misschien twee.
Majoor Michael C. Jordan van het United States Marine Corps legt uit dat die uitspraak de mening van Israël weergaf:[9]
Dit geeft de minachting weer van de Israëliërs voor de militaire mogelijkheden van de Arabische buren Egypte en Syrië. De overwinning van 1967 was zo volledig en zo gemakkelijk. Israëliërs zagen hun militaire strijdkrachten als onoverwinnelijk, hun inlichtingendienst als ongeëvenaard en hun Arabische vijanden als minderwaardig en onbekwaam.
Op 13 september 1973 was er voor de Libanese kust een gevecht tussen Syrische en Israëlische straaljagers. Twaalf Syrische toestellen en een Israëlisch vliegtuig gingen verloren.[10] De Egyptenaren waren ongerust: op 7 april 1967 was een luchtgevecht tussen Syrië en Israël geëscaleerd tot de Zesdaagse Oorlog. Omdat de oorlog enkele dagen later zou beginnen, zagen de Syriërs af van vergelding. Dit hielp de Syriërs met hun voorbereiding op de oorlog, omdat de Israëli hun troepenbewegingen zagen als een defensieve reactie.
Egypte kondigde een militaire oefening langs het Suezkanaal aan van 1 tot 7 oktober. Er waren al veel oefeningen geweest en in mei en augustus 1973 had Israël gemobiliseerd voor die oefeningen volgens de "blauw-wit"-plannen, wat telkens de tegenwaarde van tien miljoen dollar kostte. Hoewel de Israëlische economie na 1967 nog flink gegroeid was, door verhoogde joodse immigratie en goedkope arbeidskrachten uit de bezette gebieden, stond de staatsbegroting toch ernstig onder druk door een stijging van het defensiebudget naar een kwart van het BNP. Het ministerie van financiën protesteerde dan ook hevig tegen de gemaakte kosten en dat maakte Aman onwillig opnieuw alarm te slaan.
Aman vond de oefening niet verontrustend. Ze zagen ook troepenbewegingen in Syrië, maar Aman was er gerust in dat Syrië niet zou aanvallen zonder Egypte. Luitenant Benjamin Simon-Tov van de militaire inlichtingendienst diende tweemaal een rapport in dat concludeerde dat de voorbereidingen van Egypte slechts verklaard konden worden door een besluit daadwerkelijk aan te vallen maar beide papers werden niet aan de legerleiding doorgegeven. De CIA had al in juli geconcludeerd dat een aanval rond 30 september zou plaatsvinden; Kissinger besloot zijn persoonlijke instinct te volgen dat er niets aan de hand was. Dat leidde tot een vicieuze cirkel: de Amerikanen namen aan dat de Israëliërs het zelf wel het beste zouden weten en Israël vermoedde dat Amerika een of andere geheime bron van informatie had die bewees dat het allemaal een vals alarm was — maar die bron waren ze zelf.
De 2e en 3e Egyptische legers lagen altijd al paraat langs het Suezkanaal ter verdediging. Bruggen, soldaten en tanks werden ‘s nachts dichterbij gebracht, vijftien nachten lang en vooral de laatste vijf nachten.
Afvaart van de Egyptische marine
Toen Israël de Sinaï in 1967 bezette, had het aangegeven in Sharm-el-Sheikh te zullen blijven om de zeevaartroute naar de haven van Eilat door de Straat van Tiran open te houden. De sluiting in 1967 door Nasser van de Straat van Tiran was een van de aanleidingen geweest voor de Zesdaagse Oorlog.

Om Sharm-el-Sheikh af te sluiten wilde Egypte de straat van Bab el Mandeb blokkeren, de toegang tot de Rode Zee, 2500 km van Israël. Egypte sprak met Pakistan af, dat Egyptische onderzeeboten daar begin 1973 hersteld zouden worden. Egypte kreeg toestemming van Soedan en Jemen dat de onderzeeboten in Port Sudan en Aden zouden aanmeren op weg naar Pakistan. De reparatie was slechts misleiding.
Op 1 oktober vertrokken onderzeeboten, torpedobootjagers en raketboten bewapend en bemand voor gevechten op een route die op 6 oktober langs Bab el Mandeb zou leiden. Ze moesten radiostilte bewaren en de commandanten kregen verzegelde enveloppen met instructies om deze pas op 6 oktober te openen. De reis was aangekondigd als een oefening, de eerste marine-oefening sinds de Uitputtingsoorlog.
Misleiding

Egypte zette in 1973 een uitgebreide misleidingcampagne in gang om Israël ervan te overtuigen dat het nog lang niet klaar was voor de aanval. Generaals buiten dienst werden aangemoedigd mopperige brieven naar de kranten te zenden om zich te beklagen over de slechte geoefendheid van het leger. De Britse Clare Hollingworth, een journaliste van de Daily Telegraph schreef een reportage over het slechte onderhoud van het materieel.
Net voor begin van de Ramadan op 26 september kondigde de minister van oorlog aan dat alle militairen verlof konden krijgen voor een hadj naar Mekka. Egyptische dagbladen berichtten over een zeilwedstrijd, waaraan verschillende hogere officieren van de Egyptische marine zouden deelnemen. Treinen werden gevorderd om het garnizoen van Alexandrië van het front te laten terugkeren. Diplomaten werden juist niet teruggehaald. Een bezoek van de Roemeense minister van defensie aan Egypte op 8 oktober werd aangekondigd. Op 6 oktober werd dit bezoek afgezegd, maar het hielp mee in de misleiding.
On 27 september werd een grote groep reservisten gemobiliseerd. De ministers van Egypte werden uitgenodigd op een rondleiding van het hoofdkwartier. Op 30 september werden nog reservisten opgeroepen. Op 4 oktober kondigde Egypte aan dat de reservisten opgeroepen op 27 september gedemobiliseerd werden, maar enkel twintigduizend man werd echt gedemobiliseerd. Troepen liepen zonder uniform rond om te zonnebaden en visten of zwommen in het kanaal.
Op 1 oktober werden generaals Saad Mamoun van het 2e Leger en Abdel Munim Wasel van het 3e Leger ingelicht over Operation Badr. Op 3 oktober lichtten zij hun divisiecommandanten in, op 4 oktober werden de brigadecommandanten ingelicht, op 5 oktober de commandanten van bataljons en compagnieën en op 6 oktober, zes uur voor de aanval de pelotonscommandanten.
Sadat had in september de conferentie van de Beweging van Niet-Gebonden Landen in Algerije bijgewoond en bij zijn terugkeer werd gezegd dat hij ziek was en verscheen hij niet in het openbaar. Egyptische inlichtingendiensten verspreidden verhalen over zijn ziekte in de pers en zochten een verblijfplaats in Europa voor zijn behandeling.
In het begin was ook de Sovjet-Unie in het ongewisse gelaten over de komende oorlog. Op 2 oktober werd ze nog wijsgemaakt dat het slechts om voorbereidingen tegen een Israëlische aanval ging. De volgende twee dagen lichtte de directeur van de militaire inlichtingendienst, generaal Fouad Nassar de verbindingsofficier van de Sovjet-Unie generaal Samachodski in dat het om een grootschalige aanval en een luchtaanval ging. Adviseurs van de Sovjet-Unie bij de Egyptische en Syrische eenheden berichtten op 3 oktober over ongewone troepenbewegingen van Egyptische en Syrische strijdkrachten. De Sovjet-Unie lanceerde op 3 oktober een verkenningssatteliet waarvan de baan over het Suezkanaal en toen de Golan gelegd werd. Sadat en Assad besloten om de Sovjet-Unie in te lichten en ontboden in de ochtend van 3 oktober hun Sovjetambassadeurs om ze te waarschuwen dat een aanval aanstaande was. De Sovjet-Unie vroeg meteen permissie om haar personeel uit Egypte en Syrië te evacueren en Sadat en Assad stemden met tegenzin toe [11] Egyptische commandanten waren verrast, toen in de avond van 4 oktober militaire experts, ambassadepersoneel en hun gezinnen haastig vertrokken in Antonov An-22s en op 5 oktober allemaal weg waren. Oorlogsschepen en vrachtschepen van de Sovjets verlieten de haven van Alexandrië. Ze hadden alle bevel in geen geval bij gevechtshandelingen tegen Israël betrokken te raken. Die evacuatie zagen de Israëlische inlichtingendiensten als een zeker teken dat een aanval op korte termijn zou beginnen. Eli Zair vond het gebeuren op 5 oktober lastig op een andere manier te verklaren. Een breuk tussen Egypte en de Sovjet-Unie achtte hij onwaarschijnlijk. Evenmin kon het zijn dat men een Israëlische aanval vreesde want dan zou de Sovjet-Unie wel bij de VS aangedrongen hebben hun bondgenoot in toom te houden. Toch kon hij zich niet voorstellen dat Egypte Israël zou aanvallen.
Op 4 oktober waren Egyptische commandanten bezorgd dat EgyptAir alle vluchten had geschrapt en alle burgervliegtuigen buiten Egypte had verspreid op bevel van de Minister van luchtvaart Ahmed Nuh. Het hoofdkwartier kwam snel tussenbeide om het bevel te herroepen en op 5 oktober vloog EgyptAir weer normaal.

In september 1973 kreeg Aman elf waarschuwingen, waaronder van koning Hoessein van Jordanië die op 25 september in het geheim persoonlijk per helikopter naar Tel Aviv vloog in een vergeefse poging om de Israëlische regering van de ernst van de situatie te overtuigen. Aman hield vol dat de Arabieren niet zouden aanvallen. Directeur Zvi Zamir van de Mossad meende dat oorlog geen optie was voor de Arabische landen. De eerste week van oktober begonnen de aanwijzingen voor een oorlog zich op te stapelen. Op geschikte oversteekpunten werd de westelijke oever van het kanaal afgegraven om pontonbruggen te kunnen aanleggen. Honderdtwintig trucks met pontons en brugslagmaterieel vertrokken van Caïro naar het kanaal. Op zeventig punten werden mijnen in het kanaal geruimd. Tankpelotons begonnen vuurposities in te nemen tegenover Israëlische bunkers. Nog op 3 oktober echter adviseerde AMAN de Israëlische regering dat het allemaal slechts een oefening was die op 10 oktober voorbij zou zijn.
Op 4 oktober rukte het Egyptische leger in volle slagorde op naar het kanaal wat veel commandanten van de IDF alarmeerde. Zesenvijftig Egyptische batterijen artillerie werden naar voren gebracht. Stafchef David Elazar achtte de kans op oorlog klein, maar trof uit voorzichtigheid toch maatregelen op 5 oktober. Hij bracht het Israëlisch defensieleger en vooral de Israëlische luchtmacht in staat van paraatheid en trok alle verloven in volgens Plan Gimmel. Toen Israël Tal, de commandant van de pantsertroepen, begin oktober bericht kreeg dat de Syriërs hun brugslagmaterieel van de centrale reserve uit naar de voorste tankbataljons overbrachten, kennelijk om de grote tankgracht van de Paarse Lijn te overschrijden, verplaatste hij de elitepantserbrigade, de 7e, van de Sinaï naar de Golanhoogvlakte. Dit bracht het Israëlisch leger in de Golanhoogvlakte op 177 bemande tanks en 44 stukken artillerie op 6 oktober. De 7e PB liet haar Centuriontanks achter in het depot van Tasa en bouwde zich weer op met tanks uit het depot van Nafech. Tal, die zeer ongerust was over de situatie, beval de tankschool onder bevel van kolonel Gabi Amir om haar tankbrigade te activeren door per vliegtuig naar Tasa af te reizen en daar Pattontanks in dienst te nemen. Die brigade was op 6 oktober in de Sinaï net voor de oorlog begon. Er werd nog geen bevel gegeven tot mobilisatie van reservisten, want Elazar en zijn collega’s verwachtten een waarschuwing van Aman ten minste 48 uur vooraf.

In de nacht van 5 op 6 oktober vloog Zvi Zamir naar Londen om persoonlijk met de Egyptische dubbelagent Ashraf Marwan te spreken, bijgenaamd "de Engel", die voor de Mossad werkte. Marwan had Israël als deel van de misleidingscampagne foto's van de authentieke Egyptische documenten verschaft met het geweigerde verzoek aan de Sovjet-Unie om geavanceerde wapens. Marwan wilde uitvissen waarom Israël nog niet gemobiliseerd had en zei dat Egypte en Syrië op 6 oktober samen zouden aanvallen, maar hij gaf het tijdstip als "tegen de avond" in plaats van 14:00. Dit overtuigde Zvi Zamir dat oorlog nakend was en de directeur Eli Zeira van Aman waarschuwde de regering van Israël op 6 oktober om 04:30 voor een aanval om 18:00. De waarschuwing kwam 9,5 uur voor de aanval om 14:00 in plaats van de verwachte 24 uur vooraf.

Hier openbaarde zich een fundamentele zwakte in het Israëlische verdedigingsplan. De IAF was nodig om het aantal Egyptische bruggehoofden tot vier te beperken want meer kon men met de parate troepen niet omsingelen. De luchtmacht kon echter niet veilig voor luchtsteun ingezet worden voordat de Egyptische raketgordel en vliegvelden waren uitgeschakeld. Daarvoor had men in het plan Negiha ("openrijtende hoornstoot") minstens twee en liefst vier dagen uitgetrokken. Dat moest dan als een preventieve aanval uitgevoerd worden. Men durfde echter geen oorlog te beginnen zonder toestemming van de VS. Israël had op het eind van de Uitputtingsoorlog toegestemd in een wapenstilstand in ruil voor een toezegging van Nixon dat Israël nooit gedwongen zou worden Palestijnse vluchtelingen terug te nemen en dat de militaire superioriteit van de IDF gegarandeerd was. Dat was de diepere reden achter de tegenzin om alarm te slaan want dat zou onherroepelijk leiden tot een breuk met de Amerikanen tenzij die overtuigd waren van een Egyptische aanval — welke overtuiging niet gevormd zou worden zolang de Israëliërs zichzelf voor de gek bleven houden.
Minister van defensie Moshe Dayan en opperbevelhebber generaal David Elazar vergaderden in de nacht van 6 oktober vier uur lang, ruzie makend over hoeveel manschappen opgeroepen moesten worden. Om 08:05 voegde premier Golda Meïr zich bij de vergadering. Dayan had gedacht dat oorlog onzeker was en stelde een gedeeltelijke mobilisatie voor. Elazar verwachtte oorlog, wilde een luchtaanval op Syrië en wilde heel de Israëlische luchtmacht en vier divisies mobiliseren: 110 000 soldaten. Meïr verbood preventieve luchtaanvallen,[12] die ook door Kissinger in een telefoongesprek verboden werden, maar keurde de mobilisatie goed zoals Elazar voorstelde. Om 13:00 beval Elazar eigenmachtig een mobilisatie tot tweehonderdduizend man. Geen van die troepen zou op tijd het kanaal bereiken. Pas nu werden de soldaten in de Moazim gewaarschuwd voor de Egyptische aanval. Na 6 oktober beklaagde Golda Meïr zich over het verbod preventief aan te vallen. Binnen enkele dagen lichtte ze joodse congresleden in die hierover de Amerikaanse regering lastige vragen begonnen te stellen wat Nixon tot razernij dreef. Kissinger ontkende toen glashard dat zo'n verbod er ooit geweest was.
De operatie
6 oktober

De oversteek van het kanaal
Egyptische duikers hadden al ontdekt dat de pijpen om ruwe olie in het Suezkanaal te lozen om het in brand te steken verstopt waren met beton of modder. Desalniettemin verschenen na de oorlog allerlei spannende verhalen, ook door hoge Egyptische officieren, dat dit in de nacht van 5 op 6 oktober had plaatsvonden wat hoe dan overbodig zou zijn geweest omdat de reservoirs al door de Israëliërs waren leeggepompt. Voorafgaande aan de operatie zwommen verkenners het kanaal over, trokken touwen over die in de rookgordijnen en walmen als geleide moesten dienen voor de eerste golf aan bootjes en beklommen de zandwal met ladders om observatieposten in te richten.
Operatie Badr begon op 6 oktober 1973 om 14:00. Omdat de Israëliërs de aanval vier uur later verwachtten, waren hun tanks nog niet in stelling en waren maar zestien bunkercomplexen bemand en twee nog niet.
De operatie begon met een luchtaanval van tweehonderd vliegtuigen: Mikojan-Goerevitsj MiG-21s, Mikojan-Goerevitsj MiG-17s, Soechoj Soe-7s tegen vier luchtmachtbases, tien batterijen HAWK luchtdoelraketten, radarstations, een stoorzender, drie commandocentra en artilleriestellingen.
Om 14:05 volgde een artilleriebeschieting met tweeduizend kanonnen, houwitsers, mortieren, 82 mm B-10 en 107 mm B-11 terugstootloze vuurmonden tegen de Bar-Levlinie, tankconcentraties en artilleriestellingen. De zware 152 mm M1937 (ML-20) houwitser en het 130 mm getrokken veldkanon M1954 (M-46) vuurden op de Israëlische artillerie. Die voorbereidende beschieting duurde 53 minuten en vond plaats in vier barrages. De eerste vijftien minuten werd uitwerkingsvuur gegeven tegen doelen op de oostelijke oever, tot anderhalve kilometer diepte, dus voornamelijk op de bunkercomplexen. In de eerste minuut werden 10 500 granaten afgeschoten, de meest intense beschieting die het Egyptische leger ooit zou uitvoeren. Onder dekking daarvan staken groepjes, secties, van tien man met RPG-7, RPG-43 en 9M14 Maljoetka in bootjes het kanaal over om vuurposities te bezetten voordat Israëlische tanks daar arriveerden, hinderlagen voor die tanks te stellen en antitankmijnen te leggen.

Na 14:20 werd tweeëntwintig minuten lang vuur afgegeven op doelen die anderhalve tot drie kilometer diep lagen tot aan de artillerieweg. Vierduizend man infanterie met RPG-7 en 9K32 Strela-2 staken het Suezkanaal over met 2500 rubberen en houten bootjes onder dekking van een rookgordijn en beklommen dan de zandwal met touwladders. Daaronder waren commando’s van de El-Sa'ka die commandoposten en artilleriebatterijen poogden te overmeesteren en hinderlagen legden. Genietroepen ruimden mijnenvelden en prikkeldraadversperringen. Op dat moment keerde ook de Egyptische luchtmacht terug van zijn luchtaanval.
De Egyptenaren waren zeer trots op hun succes in Operatie Badr. De Egyptische luchtmacht leed echter in de Jom Kipoeroorlog zware verliezen. Luchtgevechten werden meestal verloren. Honderden vliegtuigen werden neergehaald, pijnlijk genoeg ook door de eigen luchtafweer. Na de oorlog leidde dat er toe dat althans de inleidende aanval als een grote overwinning gevierd werd. Vliegbasis Bir Gifgafa en Vliegbasis Bir Thamada waren volgens Egyptische schrijvers 48 uur buiten dienst en Vliegbasis Ras Nasrani en Vliegbasis Bir Hasanah hadden schade. Tien batterijen met HAWK luchtdoelraketten, twee 175 mm artilleriebatterijen en de stoorzender te Umm Khashib zouden zijn vernietigd. De tweede stoorzender in de Sinaï te El Arish lag te ver om er last van te hebben. Toepolev Tu-16 bommenwerpers lanceerden twaalf KSR-2 antiradarraketten. Zeven werden onderschept en vijf troffen doel. Achttien Egyptische vliegtuigen werden neergehaald. Israëlische bronnen echter ontkennen dat hun vliegvelden een meer dan oppervlakkige schade leden. In ieder geval was maar een beperkt aantal vliegtuigen op de voorste vliegvelden gestationeerd.

Om 14:35 wapperde de Vlag van Egypte op de oostelijke oever van het Suezkanaal. Te 14:45 landde een tweede golf infanterie op de oostelijke kanaaloever. Om het kwartier landde een volgende golf. Na de vierde golf ging het trager. De voorrang kregen nu antitankteams en zware wapens, die met amfibievoertuigen overstaken. Om 15:30 namen de Egyptenaren als eerste complex “Fort Lahtzanit” in. De genie zette de pompen over het Suezkanaal en spoot met de pompen bressen in de zandwal. De eerste bres was open na een uur. De Egyptenaren sloegen hierop hun bruggen over het kanaal. Om 16:30 waren tien infanteriebrigades in acht golven overgestoken: 23 500 man in vijf bruggenhoofden van zes kilometer breed en twee kilometer diep. Naar de oostelijke oever werd 85 mm en 100 mm antitankgeschut overgebracht. Om 17:30 stak de twaalfde en laatste golf infanterie over, zodat 32 000 man in de vijf bruggenhoofden lagen.




Om 17:50 zetten laagvliegende helikopters in de schemering vier El-Sa'ka bataljons af diep in de Sinaï. Deze moesten de aanvoer van reserves uit Israël blokkeren. Enkele helikopters werden neergeschoten.
Om 18:00 bewogen de Egyptische gepantserde en anti-tank eenheden op de westelijke kanaaloever naar de oversteekplaatsen. Te 18:15 waren vijfendertig veren klaar. Om 18:30 waren de bruggenhoofden vijf kilometer diep. Van 22:30 tot 01:30 werden acht zware en vier lichte bruggen gelegd.
In het zuiden van het kanaal, de sector van de 19e divisie, veranderde het zand in kleverige leem en was het moeilijk weg te spuiten. Vier veerboten en drie bruggen voor die sector liepen zeven uur vertraging op.

De bruggen werden na de eerste fase verlegd naar een andere bres in de zandwal om Israëlische luchtaanvallen te verwarren. De Egyptenaren hadden zestig bressen in de zandwal gespoten voor twaalf bruggen zodat elke brug naar vijf bressen kon leiden. Tanks staken het kanaal over. De militaire politie regelde het verkeer. Nu de Israëlische artillerie van de eigenlijke Bar-Levlinie verdreven was, werd begonnen de vaste SAM-2 en SAM-3 luchtafweereenheden naar voren te brengen.
De Israëlische reactie
Het Zuidelijk Commando was verrast door het feit dat de aanval vier uur eerder plaatsvond dan verwacht. Gonen trachtte eerst het Egyptische hoofdoffensief te lokaliseren voor een tegenaanval door Dan Shomron en zijn 401e Pantserbrigade, maar er was geen hoofdaanval: over de volle breedte van het kanaal werd gelijktijdig aangevallen. Uiteindelijk begonnen de individuele compagnieën en bataljons Israëlische tanks en infanterie van de 14e Pantserbrigade onder Amnon Reshef chaotisch en weinig gecoördineerd te reageren op de panische oproepen tot hulp uit Bar-Levlinie. Fort Mifreket met zestien man, viel al aan het eind van de avond ondanks een versterking door de 460e Pantserbrigade. Toen ze bij de forten aankwamen, bleken die meestal al omsingeld. De vuurposities die ze geacht werden in te nemen waren bezet door antitankteams. Vaak hadden commando's oostelijker hinderlagen gelegd. Soms braken kleine groepjes door naar de bunkers maar het lukte dan nergens een verbinding met de artillerieweg te handhaven.
Gonen gaf nu de 401e Pantserbrigade van Shomron vrij om de bunkers te ontzetten. Dat betekende al dat de oorspronkelijke opzet om de bruggehoofden te omsingelen verlaten werd en er zich geen samenhangende hoofdweerstandsstelling vormde maar ook vond geen geconcentreerde tegenstoot plaats. De pantserbrigade kon de situatie niet goed verkennen en viel ook weer, verdeeld in kleine groepjes, in hinderlagen. Nog voor middernacht gingen zo tientallen M48s verloren. In het zuiden, waar de Egyptenaren vertraagd waren, lukte het wel de forten Lituf, Mefatzeah en Nissan te bereiken, zij het dat ook die uiteindelijk omtrokken werden.
Oversteek van het Grote Bittermeer
Het Grote Bittermeer schiep een hiaat in de Bar Lev-linie. Op de oostelijke oever ervan lag op het smalste punt slechts één bunkercomplex, "Putzer". De Egyptische 130e Mariniersbrigade stak het Grote Bittermeer over met het 602e Mariniersbataljon en het 603e Mariniersbataljon met duizend man met 9M14 Maljoetkas, luchtafweer, twintig amfibische PT-76 tanks en honderd BTR-50s met als doel door te stoten naar de bergpassen Gedy en Mitla teneinde de aanvoer van Israëlische reserves te verstoren. Ze bereikten om 14:40 de oostelijke oever zonder verliezen en de genie ruimde een mijnenveld.

Rond 16:00 was het 603e Mariniersbataljon aan het hergroeperen voorbij het mijnenveld, toen een compagnie tanks van “Fort Putzer” uit aanviel. "Saggers" van de 7e Divisie vernietigden twee tanks en drie lichte pantservoertuigen en de Israëliërs trokken zich terug. Daarop werden de orders van het 603e Mariniersbataljon omgegooid en moesten ze “Fort Putzer” bezetten dat intussen ontruimd was. Dit lukte op 9 oktober en het bataljon hield “Fort Putzer” tot het einde van de oorlog.
Het 602e Marine Bataljon reed na zonsondergang naar het oosten. Het trof een Israëlisch bataljon van vijfendertig tanks langs de artillerieweg, vijftien kilometer van het Grote Bittermeer. De tien PT-76s met lichte 76 mm kanonnen en 15 mm pantser waren geen partij voor de Israëlische M48 Pattons met 105 mm kanonnen. De met de hand geleide 9M14 Maljoetka waren in de nacht slecht te gebruiken. De Israëlische tanks verblindden die met xenonlampen. In de open Sinaïwoestijn werd het 602e Mariniersbataljon vrijwel vernietigd. De overlevenden trokken zich terug naar de linies van het 3e Leger. Na de oorlog claimde Shazly dat het bataljon een verre opmars had uitgevoerd. De Israëliërs deden dat af als ijdel gesnoef maar later bleek dat inderdaad op 7 oktober om 10:10 twee pelotons de luchtmachtbasis Bir Thamada aanvielen maar zich daarna terugtrokken.
Sector Port Said
De sector Port Said was onafhankelijk van het 2e Leger en omvatte Port Said, Port Fouad en hun omgeving. De sector stond onder commando van generaal-majoor Omar Chaled. Met twee brigades, de 30e en 135e Onafhankelijke Infanteriebrigade, trokken ze op tegen drie versterkingen: “Fort Lahtzanit”, “Fort Orkal” en “Fort Budapest”. Ook hier begonnen ze met een beschieting, maar vanwege de laagvliegende Egyptische vliegtuigen werd enkel vlakbaangeschut, zoals terugstootloze kanonnen en 85 mm antitankgeschut ingezet en geen krombaangeschut als mortieren of houwitsers.
“Fort Lahtzanit” negentien kilometer ten zuiden van Port Fouad had een relatief grote bezetting van zesentachtig man onder commando van luitenant Muli Malhov. Het werd aangevallen door de 30e Onafhankelijke Infanteriebrigade. Die zette maar één bataljon in omdat twee bataljons achtergehouden werden om een mogelijke Israëlische oversteekpoging af te slaan. Een compagnie landde ten noorden van het fort en twee ten zuiden waarvan er een de vuurpositie ten oosten van het fort bezette. Men hees daar de Egyptische vlag wat het moreel van de verdedigers zwaar aantastte. Een compagnie commando's voegde zich bij de oostelijke compagnie; het fort was zo vooraf al omsingeld. Een te hulp schietende Israëlische compagnie van acht M48s stuitte op de commandohinderlaag. Een tank werd op driehonderd meter afstand door RPG-vuur vernietigd. Een andere tank stormde door de commando's en probeerde helemaal door te rijden naar Fort Orkal. Hij werd echter onderschept door de noordelijke Egyptische compagnie en ook vernietigd. De overblijvende zes tanks trokken zich oostwaarts terug naar Beluza.
Rond drie uur braken de Egyptenaren door het mijnenveld met Bangalore torpedo's (een slang van explosieven die naar voren geschoven werd) en de prikkeldraadversperringen met terugstootloze kanonnen. Die verwoesten ook de observatiepost van het fort. De noordelijke en zuidelijke compagnie vielen het fort aan. De Egyptenaren zuiverden bunkers met vlammenwerpers. Tegen vier uur hadden de Egyptenaren heel het fort in hun macht. Van de bemanning waren er zestig gesneuveld tegenover drieëntwintig Egyptenaren. Het was het eerste bunkercomplex dat viel. Opmerkelijk was het snelle succes van de aanval, binnen een half uur uitgevoerd door vrij kleine infanterie-eenheden zonder pantservoertuigen, artilleriesteun of luchtsteun. Er was geen bres gespoten in de zandwal, noch waren er pontonbruggen of veerponten. De jonge fitte aanvallers, allen vrijwilligers, kenden het fort na maandenlange training beter dan de verdedigers op herhalingsoefening die geïntimideerd in hun bunkers schuilend passief het onvermijdelijke einde afwachtten.
De noordelijke sector was niet de locatie van een belangrijk bruggehoofd en de Israëliërs konden het zich eigenlijk niet veroorloven hun beperkte pantserreserves daaraan te verspillen. Toch poogden ze Lahtzanit meteen met tanks te heroveren. Kort na vier uur naderde een groep M48s de oostelijke positie maar de commando's vernietigden er twee van waarna de rest zich weer terugtrok. Iets later poogde een groep tanks en M3 half-tracks het fort van het zuiden uit te naderen maar liep in een hinderlaag wat weer een tank kostte. Om half tien 's-avonds naderden tanks opnieuw van de kant van Beluza. Twee T-54's begonnen toen vuur af te geven van de westelijke oever af. De M48's zouden die met hun superieure vuurcontrole makkelijk hebben kunnen uitschakelen maar ze konden ze niet waarnemen omdat ze nachtzichtapparatuur misten. Die hadden de T-54's wel en toen de holleladingsgranaten steeds dichterbij insloegen, zat er niets anders op dan terug te trekken. Nu het fort gevallen was bestookte Israëlische artillerie de bunkers en er werd ook een luchtbombardement uitgevoerd waarbij volgens Egyptische bronnen een toestel door een SAM-7 neergehaald werd, wat uitzonderlijk zou zijn want de 4356 tijdens de hele oorlog afgevuurde SAM-7's waren maar goed voor vier bevestigde kills.

“Fort Orkal” (Orakel) met drie hoofdbunkers en zevenveertig man bevond zich tien kilometer ten zuiden van Port Fouad. Het fort was het enige waarin vast drie M48s aanwezig waren omdat het zo geïsoleerd lag op de dijk richting Port Fouad. Negenhonderd meter noordelijker begonnen de Egyptische stellingen. Het niemandsland was gevuld met versperringen en mijnenvelden. Ten oosten van de dijk ligt het zoutmoeras. De 135e Infanteriebrigade landde ten zuiden van het fort maar ondanks een grote numerieke overmacht mislukte de eerste aanval. De krijgsmacht vanuit het noorden liep ook vast in het mijnenveld. Men was gedwongen een reservecompagnie van de 30e Infanteriebrigade te lenen en die om vier in de middag in de centrale sector van het fort te laten landen. Langzaam werkte die zich het complex in. In de ochtend werd de toestand in het fort onhoudbaar. Op 7 oktober trachtten de overlevende verdedigers uit te breken, maar door de isolatie was dat een onmogelijke opgave en ze werden allen gedood of krijgsgevangen genomen.
“Fort Budapest” lag op een smalle strook land, een 170 meter brede schoorwal elf kilometer ten zuidoosten van Port Fouad met de zee aan de noordzijde en het moeras aan de zuidzijde. Het was, samen met Matzmed en Masrek, een van de drie zwaar verdedigde artillerieforten met talrijke kazematten die twee batterijen 155 mm houwitsers en twee batterijen zware mortieren huisden. Het had een bezetting van 63 man onder commando van kapitein Motti Asjekenazi. Om 14:00 waren er luchtaanvallen en een artilleriebeschieting. Het fort werd meteen versterkt met een peloton van drie tanks, het enige complex waar dit lukte voordat de Egyptenaren aankwamen. Een bataljon van de 135e Infanteriebrigade onder leiding van overste Ali al-Mezahi met zestien pantserinfanterievoertuigen en zes T-34 vlegeltanks viel uit het westen aan. Voor een mijnenveld van zeshonderd meter diep stoppend werden acht APCs en de T-34s vernietigd door de M48s en het bataljon trok zich terug. Intussen echter waren met tien rubberbootjes en twee vissersscheepjes Egyptische commando's twee kilometer ten oosten geland en vernietigden in een hinderlaag een infanterie-eenheid en een tankpeloton die het fort wilde versterken. In de nacht van 8 op 9 oktober werden de commando's over zee geëvacueerd. Op 10 oktober viel de IAF Port Fouad aan maar verloor zeven toestellen. Dezelfde dag ontzette een konvooi met munitie en voedsel geleid door generaal Magen zelf het fort. In de nacht van 14 op 15 oktober was er een tweede aanval. Als afleiding viel men weer uit het westen aan. Tegelijk probeerde een compagnie commando's midden op het fort te landen met glasfiber bootjes maar werd door zware zeegang ten westen van het complex gespoeld. Intussen doorwaadde het 103e El Saa'qabataljon moeizaam het zoutmoeras. Een compagnie commando's legde aan de oostzijde een hinderlaag en de andere twee drongen het complex binnen. Dat stond al op het punt zich over te geven toen bij het aanbreken van de dag de IAF bombardementen uitvoerde en een compagnie tanks de oostelijke commandocompagnie bestormde en vernietigde. De andere twee compagnies vluchtten het moeras in. “Fort Budapest” bleef als enige van de Bar-Levlinie in Israëlische handen. Asjekenazi keek niet met tevredenheid op het gebeuren terug en werd vier maanden na de oorlog een van de leiders van de protestbeweging die Golda Meïr en Mosje Dajan de schuld gaf.
Amerikaanse reactie
De Amerikaanse regering, strijdkrachten en geheime diensten hadden met toenemende spanning de ontwikkelingen gevolgd. Er werd veel geheim overleg aan de crisis gewijd en er waren intensieve diplomatieke contacten met Israël, de Sovjet-Unie, het Verenigd Koninkrijk, Egypte, Jordanië en Libanon. Dat proces kan goed gevolgd worden omdat de verslagen later werden vrijgegeven. De Sovjet-Unie probeerde iedere indruk weg te nemen dat men de aanval heimelijk met de Arabieren gepland had. Kritiekloos nam Amerika in de middag van 6 oktober de Israëlische rapporten over dat de situatie onder controle was. Het Golanfront leek het te houden en er zouden slechts enkele duizenden Egyptische soldaten het kanaal zijn overgestoken. De verwachting was dat de legers van Egypte en Syrië binnen twee dagen verslagen zouden zijn. De VS maakten zich vooral druk over de mogelijkheid dat Libië haar oliebronnen zou nationaliseren en het Amerikaanse personeel gijzelen. De 82e Luchtlandingsdivisie werd gemobiliseerd om de bronnen te bezetten of, mocht het zo uitkomen, heel Libië.
Op 6 oktober zei Henry Kissinger in een vergadering met generaal Brent Scowcroft (de luchtmachtattaché van Nixon) en de Chinese ambassadeur bij de Verenigde Staten Huan Chen dat het beter uitgeruste Israëlisch defensieleger in 72 tot 96 uur zou winnen.[13] Hij trachtte daarom om een verzoek tot een wapenstilstand te vertragen in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Men was echter niet van zins toe te staan dat naar Caïro en Damascus opgerukt zou worden en Israël gaf, in strijd met de waarheid, ook aan dat niet van plan te zijn. De VS begrepen op 6 oktober niet waarom de Arabieren überhaupt tot de aanval waren overgegaan die immers tot mislukken gedoemd was.
Dat de Israëlische verdediging bij het Suezkanaal in de nacht van 6 op 7 oktober vrijwel in elkaar stortte, werd voor de Amerikanen grotendeels verborgen gehouden.
Zeeslagen

Op 6 Oktober om 14:00 kwamen de onderzeeërs en torpedobootjagers aan bij Bab el Mandeb, openden hun verzegelde enveloppen met instructies, verbraken de radiostilte en kregen van schout-bij-nacht Abu Zikry het codewoord om de zeestraat te blokkeren. Ze hielden alle schepen naar Eilat tegen en stopten alle Israëlische scheepvaart op de Rode Zee. De Israëlische marine en de Israëlische luchtmacht konden niets doen omdat Bab el Mandeb te ver van Israël lag. Het belang hiervan was overigens gering omdat Iran al besloten had Israël te gaan boycotten en dus geen goedkope olie meer zou leveren. Verder was er geen belangrijke import of export via deze route. Toevallig kwam net een Iraanse tanker aan die onder vuur genomen werd. Haastig telefonisch contact tussen Sadat en de Sjah helderde de zaak op.
Egypte legde ook zeemijnen in de Golf van Suez zodat Israël geen olie van de olievelden in de Sinaï naar Eilat kon vervoeren. Dat was ernstiger omdat de olie uit de Sinaï de helft van de Israëlische oliebehoefte was gaan dekken.
Kustartillerie te Port Said, deel van de marine, beschoot “Fort Budapest” en “Fort Orkal”. Kustartillerie bij Suez beschoot doelen tegenover het 3e Leger.
Raketboten bestookten Rumana en Ras Beyron aan de Middellandse Zee, Ras Masala en Ras Sidr aan de Golf van Suez en Sharm-el-Sheikh. Duikers vielen aardoliewinning te Bala'eem aan en schakelden een boorschip uit.
Voor de kust tussen Port Said en Damietta vochten op 8 oktober tien Israëlische raketboten, die doelen op de kust van de Nijldelta wilden aanvallen, tegen vier Egyptische torpedoboten de Zeeslag bij Baltim. Binnen veertig minuten zonken drie van de vier Egyptische boten zonder Israëlische verliezen. De Israëlische boten lanceerden Gabriël antischeepsraketten en hielden de Egyptische P-15 Termit antischeepsraketten af met antiradarsneeuw en elektronische oorlogvoering. In een ander treffen bracht Egypte drie Israëlische motortorpedoboten en een raketboot tot zinken.
Volgens historicus Chaim Herzog blokkeerde de Israëlische marine ook Egyptische havens, maar de zeeroutes naar Alexandrië aan de Middellandse Zee en Port Safaga aan de Rode Zee bleven open.
7 oktober
.jpg)
In de nacht van 6 op 7 oktober drongen groepen Israëlische tanks en infanterie tweemaal door de bruggenhoofden tot het kanaal op, waar ze twee bruggen beschadigden en veren vernielden. Ze werden omsingeld en snel vernietigd. Bij zonsopgang hadden de vijf bruggenhoofden een diepte van zeven kilometer bereikt. Vijftigduizend man en vierhonderd Egyptische tanks groeven zich in tegen de verwachte Israëlische tegenaanvallen. Hun verliezen beliepen op dat moment 208 doden en twintig tanks.
David Elazar beval Gonen rond 09:30 om de versterkingen te evacueren. Fort Milano had een bezetting van zestig man en vijf aanvallen afgeslagen. Om 10:00 vertrok men te voet door de woestijn; twintig overlevenden bereikten in de ochtend van 8 oktober de eigen linies.
In de volgende dagen konden sommige verdedigers van de Bar-Levlinie door de Egyptische gelederen breken en naar hun eigen linies vluchten, of ze werden ontzet door latere Israëlische tegenaanvallen. Uiteindelijk zouden 126 man van de bezetting van de linie sneuvelen en 161 krijgsgevangen raken.
De 18e Infanteriedivisie vocht fel in en rondom El Qantara, een na 1967 verlaten stad op de oostelijke oever. In de vroege morgen zette divisiecommandant brigade-generaal Fuad 'Aziz Ghali er zijn commandopost op. Verschillende Israëlische bataljons trachtten de forten rond El Qantara te heroveren en centrale en zuidelijke forten te bereiken en daarbij gingen nog eens een vijftig tanks verloren. De Egyptenaren zuiverden de stad gebouw per gebouw met nabijgevechten. Op het einde van 7 oktober beheersten de Egyptenaren de stad, de omgeving en de twee versterkingen van de Bar-Levlinie.
Shmuel Gonen had tegen het eind van de ochtend minstens 153 tanks verloren. Hij besefte dat Duiventil op een totale mislukking was uitgelopen. Niet alleen waren de overgestoken Egyptenaren niet vernietigd; ze dreigden hem te vernietigen voordat de reserves aankwamen. Er zijn geen spoorverbindingen tussen Israël en de Sinaï. De tanks van 162e Divisie werden moeizaam op transporteurs, zodat hun transmissies niet werden beschadigd, van de Negev uit naar het zuiden gebracht. Ze zouden voorlopig niet arriveren. De materieelreserve van Gonens divisie en veel van het materieel van de 143e Divisie, bij elkaar ruim vierhonderd tanks, bevond zich in de mobilisatiecomplexen van Tasa. Met lijnbussen of op eigen initiatief werden reservisten aangevoerd. Ze zouden niet snel parate eenheden kunnen formeren. Over de pontonbruggen konden de Egyptische 4e en 21e Pantserdivisies snel naar voren worden gebracht en Tasa isoleren. Gonen beval tegen 12:00 om terugvallend een verdediging in te richten op de Dwarsweg dertig kilometer ten oosten van het kanaal en een concentratie te handhaven om Tasa af te schermen.
In de vroege ochtend besefte Mosje Dajan dat Israël op de rand van de afgrond balanceerde. De integriteit van het Zuidelijk Commando was niet meer zeker. In de Golan was een soortgelijke situatie ontstaan. De Syriërs waren doorgebroken en de mobilisatiecentra dreigden in hun handen te vallen. De weg naar Galilea lag helemaal open. Hij overwoog de Golan op te geven om althans de Jordaanovergangen te houden. In de Sinaï kon Tasa zich in een wanhopige strijd opofferen om voor de 162e Divisie tijd te winnen zich in een vertragend gevecht terug te trekken, weer de Negev in. Als Jordanië neutraal bleef, was het wellicht mogelijk samen met het Centraal Commando het front te stabiliseren. Dat was echter verre van zeker. Hij stelde voor de kernkoppen van Israëls atoommacht voor te bereiden voor gebruik.
Dajan beval ook Peled, de commandant van de Israëlische luchtmacht, alles op alles te zetten om een nederlaag te voorkomen. Doordat plan Negiha afgelast was, kon men niet effectief in de strijd om het kanaal ingrijpen. Er was een alternatief plan Skrita ("Kras") voorbereid om de vliegtuigen laag te laten naderen en hun bommenlast op een afstand de Egyptische posities in te slingeren. Gezien de chaotische toestand aan het front zag men daar maar van af. Op 6 oktober voerde IAF bij het kanaal slechts 120 bombardementsvluchten uit tegen een verlies van vier vliegtuigen. Men besloot alsnog Operatie Tagar uit te voeren, het systematisch overweldigen en vernietigen van Egyptische vliegvelden en raketopstellingen. Nadat hier in de ochtend een succesvol begin mee was gemaakt, werden de plannen plots omgegooid voor Operatie Doegman 5, het vernietigen van de Syrische raketgordel. Dat mislukte met zware verliezen. Tagar kon niet meer worden uitgevoerd. De IAF, waaraan de helft van het defensiebudget was besteed, zou voor de rest van de oorlog geen belangrijke rol meer spelen, hoewel later het tegendeel beweerd zou worden. In de late middag probeerde men nog de pontonbruggen te verwoesten. Tegen de avond dacht men zeven bruggen te hebben vernield en dat de andere ‘s avonds vernield zouden worden, maar het waren nepbruggen. De echte bruggen werden snel hersteld. Van de twaalf zware bruggen waren de twee in het zuiden wel gelegd, maar niet in gebruik omdat daar nog geen bressen in de zandwal gespoten waren vanwege de leem. Op 7 oktober werden vijf bruggen verwijderd en bij de twee reservebruggen gevoegd. Elke divisie beschikte over een zware en een lichte brug. In de middag werd de IAF grotendeels gereed gehouden voor het afslaan van een gevreesde uitbraak van de Egyptische 4e en 21e Pantserdivisie.
De Egyptenaren verbreedden hun bruggenhoofden om de vijftien kilometer hiaten ertussen te verkleinen. Het hoofdkwartier reorganiseerde de troepen op de oostelijke oever, die voorraden voor slechts 24 uur hadden. Op zondag was herbevoorrading nodig. Pogingen om drie bruggen in het zuiden te leggen werden gestaakt en het bruggenhoofd van de 19e Infanteriedivisie werd bevoorraad langs de bruggen van de 7e Infanteriedivisie er ten noorden van. Er werd in de avond nog gevochten tegen de omsingelde forten die nog weerstand boden.
Wat de Egyptenaren niet deden, was Graniet 2 uitvoeren, het uitbreken naar het oosten. Ze vreesden een Israëlische hinderlaag en beseften niet welk een kans ze daarmee lieten liggen. Hun prioriteit was het zoveel mogelijk versterken van de verdediging om het gevreesde Israëlische tegenoffensief op te vangen. Ook op de Golan stootten de Syriërs niet door, uit vrees voor een nucleaire reactie. Dajans extreme pessimisme werd om 14:30 nog eens openlijk uitgedragen tijdens een conferentie in Tel Aviv van de politieke en militaire top. Zijn toehoorders raakten zwaar gedeprimeerd door zijn waarschuwing dat de Derde Tempel dreigde te vallen. Dit wekte een grote ergernis op bij opperbevelhebber Elazar die besloot alsnog met de reserves Egypte en Syrië te verslaan.
Inzet van de Egyptische commando's
El-Sa'ka-commando's werden met helikopters in de Sinaï afgezet om Israëlische versterkingen te blokkeren in de centrale bergpassen, de noordelijke kustweg en bij de Golf van Suez.
Een bataljon aangevoerd met achttien helikopters nam de bergpas Ras Sedr ten zuiden van Port Tawfiq bij de Golf van Suez in en hield die tot het einde van de oorlog. Vier helikopters waren neergeschoten, maar de overlevenden, waaronder negen man bemanning, konden hergroeperen met de rest van het bataljon. Dit belette Israël om langs die bergpas het front te bereiken.
Twee compagnieën trachtten stelling in te nemen in het midden van de Sinaï tussen Taba en Bir Gifgafa. Israëlische luchtafweer raakte zes helikopters, die een noodlanding moesten maken met doden en brandwonden tot gevolg. Overlevenden konden de eigen stellingen bereiken. Twee helikopters keerden terug. Vier helikopters bereikten hun landingszone, maar konden niet meer opstijgen. De commando's konden daar Israëlische reserves acht uur ophouden, maar werden alle 150 gedood. Israël haalde op 6 oktober vijftien helikopters neer.
Op 6 oktober nestelde een compagnie in de noordelijke Sinaï zich langs de kustweg van Romani naar Baluza. Eind 7 oktober viel de 217e Pantserbrigade van kolonel Natke Nir, deel van de divisie van Adan, in hun hinderlaag, waarbij achttien tanks en andere voertuigen van het bataljon van overste Natan verloren gingen dat net bezig was zich van de transporteurs af te laden. De kustweg zat vijf uur vast. Israëlische parachutisten en het bataljon van Yaguri ondersteunden de pantsereenheid bij een doorbraakpoging en daarbij gingen nog eens twaalf tanks en zes half-tracks verloren. Dertig soldaten van de brigade sneuvelden tegen vijfenzeventig van de El-Sa'ka-commando's. Dit was de meest succesvolle commando-actie in de Sinaï.
De commando’s voerden ook sabotage uit. Dit dwong het Zuidelijk Commando om gevechtseenheden af te splitsen om installaties te beschermen. Reserves op weg naar het front bewogen voorzichtiger en dus trager om hinderlagen te vermijden. Twintig helikopters werden neergehaald en van 1700 commando’s werden 1100 gedood, gewond, of krijgsgevangen genomen. De elitecompagnie verkenningstroepen van het Zuidelijk Commando werd ingezet om de El-Sa'ka-commando's op te sporen en uit te schakelen.
De Israëlische divisiecommandant Avraham Adan merkte op:
Natke's ervaring in gevecht tegen halsstarrige Egyptische commando’s die de weg rond Romani trachtten af te snijden toonde weer dat dit niet het Egyptisch leger is dat we in 1967 in vier dagen vermorzeld hadden. We hebben nu te maken met een goed getrainde vijand, die vecht met kunde en inzet.
Krijgsberaad te Gebel Umm Hashiba

Gonen verplaatste in de vroege nacht zijn hoofdkwartier naar Gebel Umm Hashiba, vijftig kilometer ten oosten van het kanaal bij het vliegveld Refidim, voor een beter contact met de fronteenheden. Die opzet zou echter op pijnlijke wijze mislukken. De Egyptenaren jamden met krachtige stoorzenders al het radioverkeer. De komende dagen zou vaak urenlang iedere communicatie wegvallen. Gonen compenseerde dat niet door persoonlijk poolshoogte te nemen maar bleef op zijn commandopost hangen. Wat hij niet wist, vulde hij aan met overdreven optimisme. Adan's 162e Divisie en Ariel Sharon's 143e Divisie waren eind van de middag op weg naar het front. Gonen stelde drie sectoren vast: Adan kreeg het noorden, Sharon het midden en Mandler het zuiden.
Opperbevelhebber David Elazar bezocht om 18:45 het Zuidelijk Commando te Gebel Umm Hashiba met zijn aide-de-camp kolonel Avner Shalev en de vroegere stafchef Yitzhak Rabin. Aanwezig waren Gonen, Adan en Mandler. Er was overeenstemming niet meteen de omsingelde forten aan het kanaal te ontzetten. Het Zuidelijk Commando verwachtte op maandag 8 oktober een sterkte van 640 tanks te bereiken. Van de groei van 530 tanks waren er 200 bestemd voor Adan, 180 voor Sharon en 150 voor Mandler. Men schatte de Egyptische sterkte op vierhonderd tanks, terwijl er zondagavond in feite al achthonderd overgestoken waren.
Gonen wilde het liefst Operatie Woestijnkat volgens het oude tijdschema uitvoeren. Hij plande een frontale tegenaanval in de nacht met Adan's 162e divisie die bij El Qantara het kanaal zou oversteken en Sharon's 143e divisie die zou oversteken bij Suez. Adan had echter te weinig infanterie en wilde wachten op meer reserves. Elazar besloot tot een beperkte aanval in de ochtend van 8 oktober. Adan zou zuidwaarts aanvallen tegen het 2e Leger, maar vier kilometer afstand houden van het kanaal om buiten het bereik te blijven van de antitankwapens op de platforms op de westelijke oever. Sharon zou zuidwaarts richting Ismaïlia bewegen met een zwaartepunt bij Taba om Adan zo nodig te steunen. Als Adan succes had, dan zou Sharon het bruggenhoofd van het 3e Leger op dezelfde wijze aanvallen en dan oversteken. Mandler zou een defensieve positie blijven innemen omdat hij nog maar een paar dozijn tanks had. Elazar benadrukte dat niemand het kanaal mocht oversteken of de forten pogen te bereiken zonder zijn goedkeuring. De vergadering was voorbij om 22:00 en Elazar vertrok.
Pas toen kwam Sharon aan en hij sprak met Gonen en de anderen. Sharon had in de zomer de actieve dienst verlaten en was in september een van de oprichters van de Likoed geweest. Hij gedroeg zich na zijn mobilisatie alsof hij niet aan een militaire campagne maar een verkiezingscampagne deelnam. Hij arriveerde met een hele aanhang en een coterie van bevriende journalisten in Tasa. De 143e Divisie kreeg al snel de bijnaam van "Likoeddivisie". Zonder codes gebruikte hij openlijk het radionetwerk om een hechtere band te scheppen met zijn verhoopte kiezers. Sharon stelde een onmiddellijke aanval voor om de omsingelde forten te ontzetten of een aanval met twee divisies tegen een van de bruggenhoofden. De anderen verwierpen dat. Gonen wees erop dat die strategie de afgelopen vijftien uren was mislukt. Hij beval Sharon zich gereed te maken voor actie. Om 06:00 zouden concrete orders volgen. De dag erna schikte Sharon zich schijnbaar naar de beperkte aanval zoals eerder besloten.
8 oktober

De vijf bruggenhoofden met elk een divisie vloeiden op maandag 8 oktober samen tot twee bruggenhoofden met elk een leger. Het 2e Leger bezette met drie divisies een lijn van El Qantara in het noorden tot Deversoir in het zuiden. Het 3e Leger bezette met twee divisies een lijn van het zuidelijk uiteinde van de Bittermeren tot een punt ten zuidoosten van Port Tawfiq aan het uiteinde van het Suezkanaal. In de twee bruggenhoofden lagen in de ochtend negentigduizend man en 980 tanks ingegraven. Elke divisie had in een voorste lijn twee infanteriebrigades liggen, met een gemechaniseerde infanteriebrigade erachter. Aan elke divisie was een pantserbrigade toegevoegd om tegenstoten uit te voeren. Ze waren ruim uitgerust met antitankwapens: 9M14 Maljoetka ATGMs, RPGs, 82 mm B-10 en 107 mm B-11 terugslagloze vuurmonden en 100 mm antititankkanonnen.
Bij zonsopgang waren de 2e en de 16e Divisies het hiaat tussen hun bruggenhoofden aan het sluiten. Bij beklimming van een heuvelrug schoten daarbij twee tankpelotons op elkaar van een halve kilometer afstand. Binnen een paar minuten waren beide pelotons zo twee van hun drie tanks kwijt aan eigen vuur.
Shazly bezocht het front in de vroege morgen, eerst het hoofdkwartier van het 2e Leger, daarna het voorwaartse hoofdkwartier van de 2e Divisie waar hij met brigadegeneraal Hasan Abu Sa'ada sprak en toen met de frontsoldaten. De meesten hadden twee nachten niet geslapen, maar zijn bezoek pepte ze op. Shazly vertrok vervolgens zuidwaarts naar het bruggenhoofd van de 7e Divisie van het 3e Leger, waar het verkeer vastzat. Hij sprak met brigadegeneraal Ahmed Helmy Badawy die aangaf dat de brugslag door de genie van de zuidelijker 19e Divisie mislukt was, zodat alle bevoorrading over zijn bruggen moest plaatsvinden met een verkeersopstopping tot gevolg. Ondanks een pauze tijdens de gevechten op zondag was de bevoorradingstoestand niet verbeterd. Soldaten en tankbemanningen verloren in de files contact met hun eenheden en raakten de weg kwijt. Velen zaten door hun voorraden heen en sommigen keerden zelfs terug naar de westelijke oever om water en eten te halen.
Na overleg met de genie van het 2e en 3e Leger besefte Shazly dat de Israëlische luchtmacht, zij het ten koste van een aantal vliegtuigen, toch zoveel brugsegmenten vernield had als het equivalent van drie bruggen. Er waren nog drie bruggen in reserve en er lagen er vijf over het kanaal. De vooruitzichten voor de bevoorrading in de komende dagen en weken leken niet gunstig. Shazly stelde voor om drie dammen te bouwen van aarde, onkwetsbaar voor luchtaanvallen of artillerie. Het hoofd genie van het 3e Leger meende dat dit binnen een week voltooid kon zijn mits voldoende bulldozers beschikbaar werden gesteld.
De Israëlische tegenaanval
_-_ALUF_AVRAHAM_ADAN.jpg)
Kort na 00:00 op 8 oktober werd Gonen bericht dat de Egyptenaren over het hele front hun opmars gestaakt hadden. Hij interpreteerde dat als een teken dat ze hun culminatiepunt bereikt hadden, dus door zware verliezen niet meer in staat waren verder op te rukken. Een krachtige tegenaanval zou ze nu wellicht op de vlucht kunnen doen slaan. Tegen het bevel van Elazar in wilde Gonen meteen een oversteekpoging wagen ondanks het nog ontbreken van brugslagmaterieel. Adan zou naar het westen moeten doorstoten om de Egyptische brug tussen Firdan en Ismaïlia te nemen. Die oude gietijzeren verkeersbrug was in 1967 opgeblazen maar de overspanning was op 7 oktober provisorisch met zestig ton stalen balken en platen hersteld. Dit plan verwarde de Israëlische commandanten de rest van de dag, ook omdat het alleen bestond als een stuk overtrekpapier, een oleaat op zijn stafkaart, op Gonens bureau waar ze geen kopie van hadden. In feite waren de Egyptische verliezen gering en was het nooit hun bedoeling geweest nu al verder op te rukken. Adan had grote organisatorische problemen. In vredestijd was hij de commandant van het Israëlische pantserwapen. Hij nam de helft van zijn staf mee om zijn divisie aan te sturen; de andere helft was nodig om de verdere haastige mobilisatie te begeleiden.
Adan's 162e divisie met 183 tanks bewoog zich van noord naar zuid langs de weg van Baluza naar Tasa. De 217e Pantserbrigade van kolonel Natke Nir had 71 Centuriontanks, de overgehevelde 460e Pantserbrigade van Gabi Amir vijftig tanks, en de 500e Pantserbrigade van Aryeh Keren 62 Centuriontanks die nog op komst waren. De divisie had maar vier gemechaniseerde 155 mm houwitsers. Adan wilde Egyptische antitankwapens vermijden door de brigade van Amir naar het zuiden te doen rijden tussen de Lexiconweg naast het kanaal en de artillerieweg twaalf kilometer ten oosten van het kanaal. Dit zou de brigade doen aansluiten met de nog steeds standhoudende forten “Hizayon” (twintig man) tegenover Firdan en “Purkan” tegenover Ismaïlia. Nir zou ook zo oprukken richting “Purkan”. Purkan met een bezetting van 33 man zou zich uiteindelijk in de ochtend van 9 oktober overgeven na toestemming van Sharon. Keren zou ten oosten van de artillerieweg rijden en zijn brigade opstellen tegenover de versterking “Matzmed”, een artilleriefort met 33 man aan het noordelijk einde van de Bittermeren. De voorhoede van Karen bestond uit een eenheid onder overste Nahum Zaken met 22 tanks en een eenheid onder overste Dan Sapir met vijftien tanks. Adan werd onaangenaam verrast door het omgooien van de strategie door Gonen.
De 11e Gemechaniseerde Infanteriebrigade met 44 “Ishermans”, M4 Shermans maar met een Frans 105 mm kanon, dekte laat in de morgen de achterhoede. Luchtsteun werd verwacht maar zou zich niet voordoen: de IAF richtte zich op de Syrische strijdkrachten.
Om 07:53, slechts minuten voor de geplande Israëlische tegenaanval, raakten Israëlische troepen bij El Qantara in een vuurgevecht met de infanteriebrigade op de rechterflank van de 18e Infanteriedivisie. De divisiecommandant brigadegeneraal Fuad 'Aziz Ghali stuurde twee compagnieën T-62 tanks uit zijn reserve, de 15e Pantserbrigade, om de infanteriebrigade te helpen. Om deze flankdreiging te pareren beval Gonen dat Nir bij El Qantara moest blijven, onder bevel van Kalman Magen. De hele tegenaanval, met een oorspronkelijk voorziene sterkte van een divisie was zo gereduceerd tot slechts een vijftigtal tanks onder Amir. Diens 460e Pantserbrigade was toen al flink van samenstelling veranderd. Twee van zijn tankbataljons waren op 6 oktober aan de centrale en zuidelijke sector toegevoegd. Hij behield slechts een bataljon onder overste Amir Joffre. Zware gevechten rond Qantara reduceerden dat tot negen werkende tanks. In de nacht voegde Joffre weer achttien Centurions en zeven Pattons aan zijn sterkte toe, door allerlei beschadigde tanks op te lappen, uitgevallen tanks van andere eenheden na reparatie in te pikken en bemanningen tanks te laten ophalen uit de depots bij Tasa. Adan versterkte Amir toen door van een gemechaniseerd infanteriebataljon dat de kustweg moest bewaken de twee tankcompagnies af te splitsen en hun samen tweeëntwintig tanks een koach (gevechtsgroep) onder Chaim Adini te laten vormen. In veel boeken wordt die voor het gemak maar een "bataljon" genoemd.
Om 08:06 reed Amir naar de forten in het zuiden. Keren was nog op weg en moest bij aankomst veel zuidelijker het bruggenhoofd van de 16e Infanteriedivisie aanvallen richting fort Matzmed. Amir navigeerde fout. Hij bleef ver ten oosten van Nir. In plaats van drie kilometer van het kanaal reed hij zo vijftien kilometer van het kanaal langs de artillerieweg. In snel tempo rolde hij Egyptische stellingen op maar dat was niet hun hoofdweerstandstelling maar de zwakke veiligheidsposities, slechts bezet door wat RPG-teams. Zo zou hij, voor Firdan aangekomen, de hoofdweerstandstelling frontaal aanvallen in oost-west richting in plaats van noord-zuid in de flank zoals Adan had gepland. De gunstige berichten sterkten Gonen in zijn gedachte dat de Egyptenaren op het punt van instorten stonden. Gonen wilde nu dat Adan fort Hizayon bereikte.
Om 09:00 bereikte Amir de vlakte tussen de artillerieweg en de brug van Firdan zonder belangrijke Egyptische tegenstand te ontmoeten. Hij stond nu op het punt het bruggenhoofd van de 2e Infanteriedivisie aan te vallen. Dat zou hij dan moeten doen tegen een numeriek superieure zwaar bewapende vijand, en zonder luchtsteun, voldoende artillerie (tien kanonnen), 81 mm mortieren, verkenningsvoertuigen of belangrijke infanterieondersteuning. Dat zoiets überhaupt mogelijk werd geacht, kwam door een systematische onderschatting van de gevechtscapaciteit van het Egyptische leger. Al in 1956 en 1967 had dat vaak hardnekkig en bekwaam weerstand geboden. Het leed een nederlaag door een foute strategie en een voortijdig bevel de Sinaï te ontruimen door een in paniek geraakt opperbevel. Ten onrechte vatte bij de IDF het vooroordeel post dat de Egyptische soldaat laf en dom was.
Om 09:55 verzocht Gonen Elazar in Tel Aviv telefonisch om toestemming het kanaal over te steken. Om 10:05 gaf hij door dat het Egyptische leger op de vlucht geslagen was. Elazar was op dat moment op het legerhoofdkwartier in vergadering met het kabinet en keurde na vijf keer gebeld te zijn (via zijn assistent; op geen moment had hij hem persoonlijk aan de lijn) de oversteek goed; Sharon mocht naar het zuiden rijden. Om 10:40 stuurde Gonen Adan naar de westelijke oever en Sharon naar Suez. Adan vroeg het bataljon onder overste Ami Morag van de 421e Pantserbrigade, deel van de 143e Ugda van Sharon om zijn zuidelijke flank te dekken. Gonen ging hiermee akkoord, maar Sharon niet.
Divisiecommandant Abu Sa'ada had de 24e Pantserbrigade als reserve, maar mocht die enkel inzetten bij een Israëlische doorbraak. Het Egyptische opperbevel had met stijgende verwondering waargenomen dat Amir vóór hun hoofdweerstandslinie naar het zuiden trok. Men kon dat alleen verklaren als een poging de pantserreserves naar voren te lokken of om vuur uit te lokken van antitankwapens zodat men hun positie kon bepalen en ze bombarderen. Het bevel ging dan ook uit in dekking te blijven. Toen de twee eenheden van Amir aankwamen, duurde het lang voordat ze duidelijke aansturing kregen en ze vielen stil. De rechterbrigade van de 2e Infanteriedivisie begon van grote afstand vuur af te geven op Joffres bataljon en dat schoot terug. De meeste granaten misten en al snel dreigde men door de munitie heen te raken. Daarbij werd nu pijnlijk duidelijk dat het maar een samengeraapt zooitje voertuigen betrof. De Centurions, met hun notoir geringe rijbereik, hadden lege tanks. Vaak waren er geen brisantgranaten tegen infanterie. Door de haastige mobilisatie had men de kanonnen niet gekalibreerd dus op een lijn gebracht met hun richtvizieren; bij de Centurions ontbraken soms de inschietende machinegeweren die als afstandsmeter dienden. Net voor elf uur trok het tankbataljon van Amir Joffre zich terug om ammunitie en brandstof aan te vullen en orde op zaken te stellen.
Om 11:00 begon het andere bataljon onder overste Chaim Adini de aanval tegen de rechterflank van de 2e Infanteriedivisie. Dat betekende dat twee dozijn tanks een missie moesten uitvoeren waarvoor oorspronkelijk 121 tanks uitgetrokken waren. Men doorbrak eerst wat stellingen van de rechterbrigade. Daarna reed men door tot achthonderd meter van het kanaal. Daar was men van alle zijden omringd door Egyptische vuurposities die nu toestemming kregen gevechtscontact te maken. Adini's voertuigen werden bestookt door anti-tankwapens, artillerie en tanks. Het bataljon verloor binnen enkele minuten achttien tanks en twintig bemanningsleden waaronder twee pelotonscommandanten. Twee andere raakten gewond en ook Adini zelf.
De mislukte aanval kreeg al snel heel veel aandacht in de pers en van andere krijgsmachten. Het falen werd geweten aan de inzet van draadgeleide antitankraketten. Die zouden de tank verouderd hebben gemaakt. De NAVO begon meteen aan een programma om de eigen infanterie met zulke wapens uit te rusten om het numeriek overwicht aan tanks van het Warschaupact te compenseren. Later ruste men tanks uit met duur keramisch pantser dat immuun was tegen holleladingskoppen. Al in 1975 bleek echter uit systematisch onderzoek van de wrakken dat de meeste tanks helemaal niet door raketten uitgeschakeld waren maar door pantsergranaten. In eerste instantie nam men aan dat die door Egyptische T-54/55s waren afgevuurd maar uiteindelijk bleek het 100 mm antitankgeschut de hoofddader. Dat vuurde een subkalibergranaat af die zeer accuraat was. Twee laders konden staande twaalf granaten per minuut afvuren tegenover vier schoten door de zittende eenzame lader in zijn krappe tankkoepel. Terwijl de T-54 helemaal geen afstandsmeter bezat, was er in de open lucht ruimte genoeg voor een optische afstandsmeter.
Om 12:30 had Nir zich teruggetrokken van El Qantara met achterlating van een bataljon onder Giora Lev om de Egyptische 15e Pantserbrigade af te weren en kwam hij met twee tankbataljons aan tegenover brug van Firdan. Toen Amir en Nir de aanval bespraken, kwam Keren aan en Adan beval hem om Nir en Amir te helpen door aan te vallen naar Purkan. Sharon had Tasa verlaten en bewoog richting Suez, met achterlating van een slechts een compagnie verkenners om belangrijke heuvelruggen Hamadia en Kishuf te houden, maar niet de noordelijke heuvels zoals Hamutal. De brigade van Keren moest die gebieden houden, maar Adans bevel bracht dat in gevaar.
Van de brigade van Amir bleef nog een bataljon over. Dat moest aanvallen samen met de vijftig tanks van de brigade van Nir. Amir was verrast, toen een reservetankbataljon van 25 tanks van kolonel Eliashiv Shemshi aankwam, op weg naar de brigade van Keren. Amir beval Shemsi met goedkeuring van Adan om Nirs aanval op de brug van Firdan te dekken. Shemsi
Rond 13:00 zagen verkenners van de 2e divisie 75 tanks ten noordoosten van het bruggenhoofd. Tien minuten nadien luisterden de Egyptenaren een Hebreeuws radiobericht af. Nir zei dat hij in 20 minuten kon aanvallen. Abu Sa'ada verwachtte de aanval tussen zijn twee voorste brigades. Om 13:30 vielen Amir en Nir aan en Abu Sa'ada liet ze ongehinderd door tot 3 km van het kanaal. Dan werden ze van alle kanten beschoten. In 13 minuten waren de meeste Israëlische tanks vernietigd. De Egyptenaren vernielden 50 tanks en veroverden er 8 intact. Bataljonscommandant luitenant-kolonel Asaf Yaguri telde 32 doden en werd krijgsgevangen genomen. Nir had nog vier tanks over, waaronder de zijne. Het bataljon van Gabi Amir stopte en vroeg luchtsteun, maar die kwam niet.
De Egyptische opmars


Operatie Badr eiste diepere bruggenhoofden op 8 oktober. De gemechaniseerde infanteriebrigades moesten tussen de twee infanteriebrigades naar voor rijden en de tankbrigade moest aansluiten.
In de namiddag van 8 oktober voerde de Egyptische artillerie beschietingen uit en de Egyptische luchtmacht luchtaanvallen over heel het front. De Israëli, die dachten dat ze een tegenaanval uitvoerden, waren verrast door de oprukkende Egyptische troepen. De Egyptische troepen kwamen tussen 9 en 12 km van het kanaal.
In de sector van het 2e Leger boekte de 16e infanteriedivisie het meest vooruitgang en ze bezette strategische stellingen te Mashchir, Televiza, Missouri en Hamutal na gevechten van 14:00 tot 16:30. Hamutal was 15 km van het kanaal en beheerste het kruispunt van Ismaïlia en de artillerieweg. Brigadegeneraal Adil Yusri verloor zijn been in de aanval. Het 3e Leger rukte tot 18 km van het kanaal op.
De Egyptenaren namen nog forten van de Bar-Levlinie in. De 16e infanteriebrigade van de 16e infanteriedivisie nam “Fort Matzmed” in met twee versterkingen 500 meter uiteen. Het bataljon dat het fort moest innemen faalde in de eerste poging. Een tweede aanval na middernacht bezette de noordelijke versterking. De zuidelijke versterking viel voor zonsopgang. De Israëli telden 20 doden en 37 krijgsgevangenen.
In het zuiden nam een bataljon van de 19e infanteriedivisie “Fort Mafzeah” in. Twee aanvallen sinds 6 oktober waren mislukt. Toen merkten de Egyptenaren een spotter die Israëlische artillerie en luchtaanvallen aanstuurde vanuit een voormalige waarnemingspost van de UNTSO. Toen die uitgeschakeld was, nam het bataljon het fort in. De Israëli telden 38 doden en 15 krijgsgevangenen.
De brigade van Keren viel de heuvel Hamutal aan. Een bataljon bood dekking, terwijl de bataljons van Luitenant-kolonels Dan Spair en Amir (niet Gabi Amir) aanvielen met 27 tanks. 1 km van de Egyptische stelling werd de tank van Dan Shapir geraakt en sneuvelde hij, waarmee ook de aanval van zijn bataljon stopte. Amir vocht verder tot de schemering en verloor zeven tanks.
Gonen besefte de ernst van de positie van Adan en beval Sharon om 14:45 om terug te trekken. De brigade van Erez kwam Keren helpen, maar slechte coördinatie tussen de commandanten konden ze de heuvel Hamutal niet innemen. Op het einde van de dag had Adan's divisie 100 tanks verloren.
Op 8 oktober hadden de Egyptenaren hadden bruggenhoofden 15 km diep op de oostelijke kanaaloever gevestigd en de tegenaanval van een Israëlische divisie afgeslagen en zo alle doelstellingen van Operatie Badr bereikt.
Op het einde van 8 oktober zei Gonen:
Dit is niet het Egyptisch leger van 1967.
In een persconferentie in de avond van 8 oktober[14] zei Elazar dat de vernietiging van het Egyptisch leger nabij was en dat het Israëlisch defensieleger
hun benen zou breken
9 oktober


_in_October_1973.jpg)

De tegenaanval van 8 oktober verraste Kissinger en om 06:00 de ochtend van 9 oktober vroeg hij de Israëlische ambassadeur Simcha Dinitz:[15]
Leg mij uit, hoe kunnen 400 tanks verloren zijn tegen de Egyptenaren?
Dinitz zei dat Golda Meïr op voorstel van Moshe Dayan 13 kernwapens van 20 kiloton TNT-equivalent liet gereedmaken voor inzet tegen Egypte en Syrië.[16]
Van 18:10 tot 18:35 die dag zei Kissinger in aanwezigheid van generaal Brent Scowcroft en Peter Rodman tegen Dinitz dat president Richard Nixon Operation Nickel Grass had bevolen om alle Israëlische verliezen aan te vullen.[17]
Na middernacht op 9 oktober beval Elazar om alle offensieven te staken tot de Syriërs uitgeschakeld waren omdat nog maar 400 tanks in de Sinaï overbleven. Sharon negeerde dit bevel en viel op 10 oktober aan met een brigade. Op het einde van de dag waren ze teruggeslagen met verlies van 60 tanks.
Gonen was woedend op Sharon omdat hij herhaaldelijk bevelen negeerde. Elazar was ook kwaad, maar spaarde de ongehoorzame maar vindingrijke Sharon. Hij riep Haim Bar-Lev terug uit pensioen en degradeerde Gonen tot diens adjunct.
Het succes van Operatie Badr verraste de Egyptische commandanten en hun zelfvertrouwen groeide. Sadat werd aangezet om het offensief uit te breiden naar de bergpassen van de Sinaï, maar hij bleef bij zijn oorspronkelijk doel van een beperkte oorlog. Ahmed Ismail en Shazly waren het eens met Sadat. Op 9 oktober waren de Syriërs wanhopig en beval Sadat om politieke redenen van op te rukken tegen de wil in van zijn commandanten in de Slag om de Sinaï.[18]
Tegen 10 oktober zat het front vast. Op 10 oktober bracht een vliegtuig van El Al Amerikaanse wapens uit Virginia, waaronder AIM-9 Sidewinder lucht-luchtraketten.
Gevolgen


In Israël onderzocht vanaf eind november 1973 tot april 1974 de Commissie Agranat, voorgezeten door opperrechter Shimon Agranat de tekortkomingen van het leger en de politiek. Meerdere officieren waaronder Elazar, Gonen, en Eli Zeira werden ontslagen. Golda Meïr won met haar Arbeidspartij (Israël) de verkiezingen in december 1973, maar nam op 11 april 1974 ontslag. Op 3 juni 1974 volgde Yitzhak Rabin haar op en Moshe Dayan bleef aan. Bij de verkiezingen van 17 mei 1977 kwam de Likoed partij van Menachem Begin aan de macht.
De Jom Kipoer-oorlog overtuigde zowel Israël als Egypte tot onderhandeling. Dit leidde door bemiddeling van de Verenigde Staten tot de Camp David akkoorden van 1978, waarbij Anwar Sadat langs diplomatieke weg heel de Sinaï terugkreeg in ruil voor een vredesakkoord in 1979.
In 1978 ontvingen Sadat en Begin te Oslo de Nobelprijs voor de vrede voor hun bijdrage aan de twee vredesakkoorden in het Midden-Oosten en aan de vrede tussen Egypte en Israël die ondertekend werden in Camp David op 17 september 1978. Op 6 oktober 1981 schoten fundamentalistische militairen, leden van de Egyptische Islamitische Jihad, die de vrede verraad vonden, Sadat te Caïro dood tijdens een parade.
- ↑ https://books.google.be/books?id=R_YrBgAAQBAJ&pg=PA231&redir_esc=y#v=onepage&q&f=false
- ↑ Phantom with Israel, 1 april 2000. gearchiveerd
- ↑ H Hussain. The Fourth Round - A Critical Review of 1973 Arab-Israeli War. gearchiveerd
- ↑ AT-3 SAGGER Anti-Tank Guided Missile Hongjian (Red Arrow)-73.
- ↑ https://www.egypttoday.com/Article/1/26288/Meet-the-officer-who-made-crossing-Bar-Lev-line-possible
- ↑ https://apnews.com/general-news-49a4c16761b341c398b8782bf0576be3
- ↑ https://web.archive.org/web/20110507130100/http://www.cgsc.edu/carl/download/csipubs/gawrych/gawrych_pt1.pdf
- ↑ https://web.archive.org/web/20091013082655/http://www-cgsc.army.mil/carl/resources/csi/Spiller/Spiller.asp#6CE
- ↑ https://www.globalsecurity.org/military/library/report/1997/Jordan.htm
- ↑ https://web.archive.org/web/20121002131554/http://www.rand.org/pubs/reports/2006/R1864.pdf
- ↑ https://web.archive.org/web/20081128102859/http://www.cna.org/documents/5500022100.pdf
- ↑ https://nsarchive2.gwu.edu/NSAEBB/NSAEBB98/octwar-10.pdf
- ↑ https://nsarchive2.gwu.edu/NSAEBB/NSAEBB98/octwar-17.pdf
- ↑ https://web.archive.org/web/20080828015030/http://info.jpost.com/C003/Supplements/30YK/art.03.html
- ↑ https://nsarchive2.gwu.edu/NSAEBB/NSAEBB98/#III
- ↑ https://web.archive.org/web/20000914203946/http://www.au.af.mil/au/awc/awcgate/cpc-pubs/farr.htm
- ↑ https://nsarchive2.gwu.edu/NSAEBB/NSAEBB98/octwar-21b.pdf
- ↑ https://books.google.be/books?id=6Y_SDAAAQBAJ&pg=PA219&redir_esc=y#v=onepage&q=barbar&f=false
