Olędrzy
Olędrzy (enkelvoud: Olęder, Poolse vorm van het Duitse Holländer) waren kolonisten uit de Nederlanden en Friesland, voornamelijk mennonieten, die van de 16e tot de 19de eeuw dorpen oprichtten in West-Pruisen. Het betrof nederzettingen in de Weichseldelta rond Danzig en Elbing), de Danziger Werder of Niederung), langs de Weichsel (Wisła) en zijn zijrivieren in het Kulmerland (ziemia chełmińska), in Koejavië, Mazovië en in Groot-Polen.
De nieuwkomers hadden kennis van landaanwinning, bedijking en de aanleg van polders. Ze brachten het land in cultuur en genereerden welvaart. Ze behielden hun persoonlijke vrijheid en eigen religie. Hun nederzettingen werden in het Duits Holländereien genoemd. Na de Poolse Delingen in 1772, 1795 en 1815 waren deze gebieden deel geworden van het koninkrijk Pruisen. Toen voor hun aan het einde van de 18de eeuw als Pruisische staatsburgers de militaire dienstplicht dreigde, verkochten principiële mennonieten hun grond en vestigden ze zich op uitnodiging van tsarina Katharina de Grote (Manifesto van 1763) en later tsaar Paul I (Oorkonde van Privileges van 1789) in het zuiden van Oekraïne in een op de Krim-Tataren veroverd gebied.
De kolonisten hadden sinds de 16de eeuw diverse rechten gekregen als eeuwigdurende pacht en het recht land over te dragen aan erfgenamen dan wel de boerderij te verkopen. Belangrijkse kenmerken waren de gezamenlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid van de hele Olędergemeenschap tegenover de landheer en het zelfbestuur van de gemeente. Een bijzondere nederzetting was de wijk Altschottland (Stare Szkoty) buiten de stadsmuren van Danzig (Gdańsk) waar voor de Mennonieten aangepaste belastingregels golden.
Tussen 1527 en 1864 zijn minstens 1.700 Olędernederzettingen gesticht waarvan ten minste 300 door mennonieten uit West-Friesland, Friesland en Groningen. De meeste dorpen werden door Pommerse boeren gesticht die na de verwoestingen van de Dertigjarige Oorlog naar Polen waren gevlucht. De adellijke Pommerse landheren namen de gelegenheid te baat om deze verarmde boeren tot dienstbaarheid te dwingen. Poolse landheren verwelkomden de boeren uit Pommeren omdat zij van deze kolonisten een grotere agrarische opbrengst verwachtten hun eigen horige boeren en daardoor ook meer belastingopbrengsten.
De tussen de autochtone horige Polen en de min of meer vrije kolonisten verdwenen na de Poolse delingen toen de gebieden Pruisisch werden. Een aantal Holländereien ontwikkelden zich tot dorpen. Andere werden buurtschappen of verdwenen toen de landbouw grootschaliger werd.
In 1919 kwamen de provincies met de meeste Holländereien bij de heropgerichte republiek Polen en de vrije stad Danzig gevoegd. Na de bezetting van Polen door Nazi-Duitsland in 1939 tijden de Tweede Wereldoorlog waren ze weer Duits. Maar in 1945 werden de Duitstalige bewoners collectief onteigend en uitgewezen, voor zover zij al niet eerder op de vlucht geslagen waren voor de naderende Sovjetlegers. De huidige Poolse bewoners stammen niet van de oorspronkelijke kolonisten. Kerken zijn in gebruik genomen door de Katholieke kerk. Duitse namen van de dorpen zijn in 1919 of na 1945 in Poolse namen veranderd.
Terminologie
Olędrzy worden door Polen ook aangeduid met de termen Hollendrzy, Holędrzy, Holendrzy en deze benamingen zijn ontleend aan het Duitse Holländer waarin geen naamsonderscheid werd gemaakt tussen Hollanders en Friezen. De term keert terug in de namen van diverse dorpen in Polen (Holendry, Olędry, Olendry, etc.) maar niet alle dorpen met deze namen zijn werkelijk gesticht door Hollanders of Friezen omdat het een rechtstitel betrof die - althans later - ook door Pommerse en autochtone boeren gebruikt kon worden. Toen de relatie niet meer duidelijk was, werd Holländerei vaak Hauländerei wat verwijst naar ontbost en ontgonnen land.
Oorzaken en gevolgen
De kolonisten uit de Nederlanden waren bekend en actief met drooglegging en indijking, onder andere vanaf het begin van de 12de eeuw in de deltas van de Wezer en de Elbe, in de 13de eeuw in de Oder-delta en een eeuw later in die van de Weichsel (Wisła). Aan de rand van dat laatste gebied ligt Pasłęk, een stadje dat voor 1945 de de naam Preussisch Holland droeg.
De 16de- tot 19de-eeuwse kolonisatie op de territoria van het koninkrijk Polen (West-Pruisen) en van de staat van de Duitse Orde en zijn opvolger het hertogdom Pruisen had als achtergrond:
- Religieuze vervolging tot 1592 in de Nederlanden onder de Habsburgse keizer en de Spaanse koning, die uit de noordelijke provincies vooral mennonieten, ook doopsgezinden of gewoonlijk ook wel dopersen genoemd, op de vlucht deed slaan.
- De Nederlandse Opstand in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) en de aanwezigheid van het Spaanse leger die verwoestend waren voor de landbouweconomie en veel boeren van hun bestaansmiddelen beroofde.
- In de vervolgens gestichte Republiek der Verenigde Nederlanden werden doopsgezinden vervolgens alleen maar getolereerd en dat bracht velen ertoe elders in meer vrijheid een bestaan te zoeken.
- De ontvolking van West-Pruisen (Koninklijk Pruisen) ten gevolge van de Noordse Oorlogen, welke tussen de koninkrijken Zweden en Polen na de Dertigjarige Oorlog werden uitgevochten en daarmee ook tussen de twee rivaliserende – lutherse en rooms-katholieke – machtscentra in oostelijk Midden-Europa. Zweden werd erdoor uitgeput en trok zich terug, maar wel na eerst grote delen van Polen leeggeroofd en verwoest te hebben. De Poolse steden en de adel verarmden en zijn deze slag niet te boven gekomen. De ontvolking was aanzienlijk en veel agrarisch land moest worden prijsgegeven aan de natuur. Juist op deze 'Wüstungen' wilden alleen boeren zich als immigranten vestigen als zij persoonlijke en eigendomsvrijheden kregen.