Okerwitte ridderzwam
| Okerwitte ridderzwam | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
![]() | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Tricholoma stiparophyllum (Schaeff.) P. Kumm. (1879 [1]) | ||||||||||||||
![]() | ||||||||||||||
| sporen | ||||||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De okerwitte ridderzwam (Tricholoma stiparophyllum) is een schimmel behorend tot de familie Tricholomataceae.
Kenmerken
Uiterlijke kenmerken
- Hoed
De hoed is 40–100 mm in diameter, aanvankelijk kegelvormig tot halfbolvormig met ingerolde rand, later vlak tot zwak gewelfd en soms met een lage umbo of iets ingezonken centrum. Jong bijna wit, maar al snel geeloker tot geelbruin verkleurend, vooral in het centrum. Oude exemplaren vertonen vaak oker- tot bruinachtige vlekken. Oppervlak glad tot zijdezacht. De rand is bij volwassen exemplaren duidelijk geribd.[2]
- Lamellen
De lamellen staan matig dicht tot dicht, zijn breed aangehecht tot iets uitgebocht met soms een klein aflopend tandje. Ze zijn normaal dik, regelmatig en enigszins gezwollen van vorm. De kleur is wit tot crème, soms met een rozige tint; bij ouderdom of beschadiging ontstaan bruine vlekken. De snede is grof geërodeerd en concoloreus.[2]
- Steel
De steel is 70–100 × 5–15(–30) mm, cilindrisch, soms met verbrede of juist iets toelopende basis. Wit tot geeloker getint, met een berijpte top en verder fijn vezelig tot viltig met gelijkgekleurde fibrillen.[2]
- Geur en smaak
De geur is sterk en doet denken aan goedkope zeep of bloemig-parfumachtig met een chemische ondertoon. De smaak is zeer onaangenaam scherp, soms bitter en meelachtig.[2]
Microscopische kenmerken
De sporen meten 5,0–7,0 × 3,5–4,5 µm, Q = 1,2–1,8 (gem. 1,4–1,5), en zijn breed ellipsoïde tot langwerpig, met een opvallend grote hilarische aanhechting. Basidiën zijn 26–32 × 5,0–7,0 µm en viersporig. Cystidia ontbreken en de lamelsnede is vruchtbaar. De hoedhuid is een cutis van 2,5–7,0 µm brede cilindrische hyfen met cilindrische tot subklavische eindcellen; pigment is intracellulair en bleek. De steelhuid bestaat uit smalle, cilindrische hyfen (2,5–6,0 µm). Caulocystidia zijn aanwezig, verspreid, eenvoudig van vorm (15–35 × 3,0–5,0 µm). Gespen komen veelvuldig voor in hoed- en steelhuid.[2]
Ecologie
Groeit in groepen als ectomycorrhizapartner, meestal bij berk (Betula), mogelijk ook bij eik (Quercus), in gemengde loofbossen op matig vochtige zandbodems, soms ook op kalkrijke gronden. Vruchtvorming van september tot december. Buiten Nederland ook gevonden bij ratelpopulier (Populus tremula), beuk (Fagus) en fijnspar (Picea).[2]
Verspreiding

Wijd verspreid in Europa, van Subarctisch tot Mediterraan.
In Nederland komt de okerwitte ridderzwam zeldzaam voor. Hij staat op de rode lijst in de categorie 'Kwetsbaar'.[3]
Zie ook
- Witte ridderzwam (Tricholoma album)
- Vuilwitte ridderzwam (Tricholoma lascivum)
_P._Karst_221484.jpg)
