Oer-IJ

Oer-IJ
Oer-IJ, circa 100 n.Chr.
Oer-IJ, circa 100 n.Chr.
Bron Rijn
Monding Noordzee nabij Castricum
Portaal  Portaalicoon   Geografie
Ham en Crommenije in het Oer-IJ gebied
Oer-IJ brug in Uitgeest

Het Oer-IJ was tot aan het begin van de christelijke jaartelling een zijtak van de Rijn, die bij Castricum in de Noordzee uitmondde. De rivier heeft grote invloed gehad op de vorming van het getijdelandschap in de driehoek ZaanstadVelsenAlkmaar.

Onder het begrip Oer-IJ wordt het getijdengebied met centrale geul verstaan dat voorafging aan het middeleeuwse IJ-meer. Restanten ervan werden later bekend als Wijkermeer en als het IJ bij Spaarndam en Amsterdam.

Herkomst van de naam

De naam Oer-IJ is in 1952 geïntroduceerd door de uit Turkije afkomstige Ali Riza Güray in zijn bodemkundige publicatie over de ingepolderde restanten van het IJ-meer: de IJ-polders die het Noordzeekanaal omringen.[1]

Geschiedenis

Prehistorie

In de IJzertijd (voor de komst van de Romeinen) lag de kustlijn bij het huidige Bakkum. Natuurlijke strandwallen beschermden een groot deel van het kustgebied, maar bij Castricum eindigde de brede riviermonding van het Oer-IJ in zee. Wind, water en getijdenwerking hadden er vrij spel, waardoor een landschap van kwelders en wadplaten ontstond. Alleen op hoger gelegen delen was bewoning mogelijk. Frisii bouwden eenvoudige familieboerderijen en leefden van akkerbouw, veeteelt, visvangst en jacht. Meer landinwaarts gingen de kwelders over in rietmoeras, moerasbos en uiteindelijk in hoogveen, dat in het oostelijk deel tot meters boven het zeeniveau reikte. Het waren kale, natte, ruige gebieden met veenmos, enkele lage dennen en berken, grotendeels ongeschikt voor bewoning.

Romeinse tijd

Toen de monding dichtslibde aan het begin van de jaartelling, veranderde het landschap ingrijpend. Mensen vestigden zich op de zandige, droge oeverwallen, waarlangs overtollig water uit het omringende veengebied via kreken en riviertjes naar de bedding van het Oer-IJ stroomde. Het inmiddels ontstane duinlandschap had de weg naar zee afgesloten, zodat de rivier nu in oostelijke richting afwaterde naar het Flevomeer, dat verbonden was met de huidige Waddenzee.

Het voormalige getijdengebied bleef nat en begroeid met vochtige graslanden en moerasbos. De Romeinen trokken in de eerste eeuw na Christus via de Rijn het Oer-IJ gebied binnen. Bij Velsen bouwden ze tot tweemaal toe een havenfort, maar rond het jaar 50 trokken zij zich definitief terug tot de limes langs de Oude Rijn, tussen Utrecht en Katwijk. Het uitdijende hoogveen bedekte toen nog een groot deel van het gebied.

Vroege middeleeuwen

Door de stijgende zeespiegel en afzetting van zand vanuit zee breidde de kustlijn zich in de vroege middeleeuwen naar het westen uit. Over een periode van circa 600 jaar ontstonden parallel aan het strand relatief hoge duinen, de zogeheten jonge duinen. Afhankelijk van wisselende weersomstandigheden gedurende deze eeuwen vestigden zich hier meer of minder mensen. Perioden met veel stuivend duinzand maakten bewoning soms onmogelijk. Hoogveen dat vanuit het binnenland steeds verder oprukte, bedekte vrijwel alle klei in de rivierbedding van het Oer-IJ. Woonstalhuizen en akkers werden aangelegd op de iets hoger gelegen kreekruggen en strandwallen, terwijl het vee graasde op de natte gronden. Ook werd er gejaagd en gevist. Het leven was eenvoudig en overzichtelijk, maar wel met een zekere welstand. Er was voedsel genoeg. Archeologische opgravingen op de strandwal Limmen - Heiloo - Alkmaar getuigen hiervan.

Late middeleeuwen

Een warme periode aan het begin van de Late middeleeuwen leverde goede oogsten op. De bevolking groeide en zocht meer leefruimte. Die werd gevonden door ook de veengebieden in gebruik te nemen. Aanvankelijk waren het wilde ontginningen, later brachten landsheren structuur aan door de grond te verdelen en door vaste maten voor kavels voor te schrijven. De landsheren woonden in kastelen op de rand van droge en natte gebieden. In het Oer-IJ-gebied bevonden zich in deze tijd meer dan 35 kasteelplaatsen. Het ontginnen van een nat gebied betekende dat er sloten gegraven werden en water afgevoerd. Hierdoor droogde de bovenlaag van het veen uit en werd akkerbouw mogelijk. Op de oeverwallen werden boerderijen gebouwd en van riviertjes en vanaf de oevers daarvan werd het achterliggende ruige veen ontwaterd waardoor kilometerslange kavels ontstonden. Die zijn in de Zaanstreek nog steeds aanwezig. Door de ontwatering ging het veen inklinken en kwam het waterpeil in de landerijen geleidelijk vrijwel gelijk te staan aan dat van de veenrivieren. In een periode met veel stormen sloeg het wilde water dan ook grote stukken van de slappe veengrond langs de rivieroevers weg. Hierdoor ontstonden grote meren, zoals de Beemster, de Schermeer (Schermer) en het Lange Meer (het huidige Uitgeestermeer).

Vroegmoderne tijd

Met de ontginning van het veen en de bewoning van het kustgebied in de vroegmoderne tijd kreeg het landschap het aanzien zoals we dat nu nog kennen. Om het ontgonnen land tegen opstuwend buitenwater (de waterwolf) te beschermen, werden er ringdijken aangelegd. Al vanaf de vijftiende eeuw maalde een groeiend aantal windmolens het polderland droog. Dankzij de houtzaagmolen van Cornelis Corneliszoon van Uitgeest ontwikkelde zich in de Zaanstreek een ware molenindustrie, die de meest uiteenlopende producten vervaardigde. Met de winsten werden meren drooggelegd die in de Late Middeleeuwen zijn ontstaan. Het Alkmaarder- en Uitgeestermeer bleef echter behouden voor de afvoer en berging van overtollig polderwater. Het hele Oer-IJ gebied werd nu benut voor akkerbouw en veeteelt, behalve de duinen (het onland). Die waren in handen van grootgrondbezitters, met name als warande voor de plezierjacht.

In de moderne tijd, vanaf de eerste helft van de 19e eeuw, werd tussen Haarlem en Amsterdam de eerste spoorlijn aangelegd. In de tweede helft van diezelfde eeuw volgde het Noordzeekanaal, waarmee Amsterdam een korte verbinding kreeg met de Noordzee. In deze periode van industriële revolutie werden overal fabrieken gebouwd, met de Hoogovens in IJmuiden als hoogtepunt. Het nieuwe werk trok arbeiders naar de snelgroeiende steden en de plattelandscultuur verschraalde tot toespitsing op voedselvoorziening. Tot begin 20e eeuw verliep het transport van goederen en mensen nog grotendeels over water, maar geleidelijk kwamen er meer trein- en tramverbindingen en werden wegen verhard voor het toenemende autoverkeer. Mensen woonden aanvankelijk dicht bij hun werk in de steden, maar dankzij de toenemende welvaart verhuisden velen naar de rustige dorpen eromheen, ook in de duinrand. Steden en dorpen groeiden steeds meer naar elkaar toe. Oorspronkelijke akker- en tuinbouwgebieden op de strandwallen veranderden sinds de jaren ’60 van de vorige eeuw in hoog tempo in woonwijken. Omdat er ook behoefte is aan recreatieruimte en schoon drinkwater, bleven de duinen gespaard. Samen met de andere grote open ruimten in het Oer-IJ gebied vormen deze het laatste oude landschap tussen Alkmaar, Zaanstad en Velsen.

Ontwikkelingsfasen

Zie ook

Zie de categorie Oer-IJ van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.