Newtonsaurus

Newtonsaurus is een geslacht van theropode dinosauriërs, behorende tot de Neotheropoda, dat tijdens de late Trias leefde in het gebied van het huidige Wales. De enige benoemde soort is Newtonsaurus cambrensis.
Vondst en naamgeving
In 1898 hakte bij Stormy Down nabij Bridgend een metselaar stukken natuursteen uit voor de bouw van een muur. Hij vond daarbij een steen met daarin een natuurlijke mal van de onderkaak van een grote roofsauriër. Die werd aangekocht door de verzamelaar John David, een inwoner van Porthcawl. Deze toonde het fossiel op zijn beurt aan de paleontoloog Edwin Tulley Newton. Het fossiel kwam in de collectie van de Britse Geological Survey terecht, waarvan Newton een werknemer was. Voor het British Museum of Natural History werd de mal gebruikt voor een afgietsel dat het inventarisnummer BMNH R2912 draagt.

In 1899 benoemde Newton het taxon als de soort Zanclodon cambrensis. Zanclodon was een geslachtsnaam die indertijd gebruikt werd voor allerlei triadische roofsauriërs waarvan we tegenwoordig weten dat het om niet nauw verwante dinosauriërs en Crurotarsi gaat. De soortaanduiding verwijst naar de herkomst uit Cambria, de naam in het Latijn van Wales. Newton viel de gelijkenis met Megalosaurus op, vooral in de kromming van de tanden, maar zag ook verschillen, zoals de geringere absolute grootte. Hij vergeleek het met Teratosaurus suevicus, Palaeosaurus cylindrodon, Cladyodon lloydi, Avalonia sanfordi en Picrodon herveyi, geen van alle eenduidige dinosauriërs. Teratosaurus is zelfs een lid van de Rauisuchia. Newton liet de beschrijving vergezeld gaan van een lithografie van hoge kwaliteit van het afgietsel van het fossiel, gemaakt door A.T. Hollick.
Avalonianus (zoals het taxon nu heet) en Palaeosaurus waren chimaerae van sauropodomorf materiaal met tanden van roofsauriërs. Dat leidde tot het misverstand dat basale sauropodomorfen nauw verwant waren aan grote vleeseters. In 1908 wees Friedrich von Huene, een van de verkondigers van deze dwaling, Zanclodon cambrensis toe aan de sauropodomorfe planteneter Plateosaurus. In 1991 maakte George Olshevsky er een Gresslyosaurus cambrensis van, puur om nomenclaturale redenen, niet vanuit een overtuiging dat het om een sauropodomorf gaat.

Hierna was er weinig aandacht voor het fossiel. Dat veranderde toen Samuel Paul Welles het in 1984 vergeleek met Dilophosaurus waaraan hij het nauw verwant achtte. Welles bereidde een publicatie voor over een veelheid aan fragmentarische Britse vondsten waarin hij het een eigen geslachtsnaam gaf: Newtonsaurus, welke Newton eerde. Hij overleed echter voor het gepubliceerd kon worden. Het manuscript kwam in handen van de excentriekeling Stephan Pickering. Die publiceerde in 1999 een fragment van het manuscript waarin de naam voorkwam. Dat deed hij echter in een soort nieuwsbrief waarvan een kopie na betaling aan belangstellenden opgestuurd werd zodat alle latere onderzoekers concludeerden dat er geen sprake was van een echte oplage en de naam dus een ongeldige nomen non rite publicatum gebleven was, of althans een nomen nudum.
Intussen had Ralph Molnar in 1990 de soort hernoemd tot Megalosaurus cambrensis in een soortenlijst in het standaardwerk The Dinosauria. In 1998 noemde Peter Malcolm Galton het een ?Megalosaurus cambrensis. Het vraagteken duidt aan dat hij niet zeker was van de plaatsing. Later onderzoek toonde aan dat een vermeende nauwe verwantschap met Megalosaurus, gebaseerd op de vorm van de interdentaalplaten, ongefundeerd was. Dat rechtvaardigde het benoemen van een nieuw geslacht waarbij de hoop bestond dat de vooruitgang geboekt in het algemene theropodenonderzoek de precieze evolutionaire positie duidelijk zou maken. Het leek geen goed idee een geheel nieuwe naam te verzinnen omdat dit zou leiden tot een lastige discussie over de geldigheid in 1999 van Newtonsaurus.
In 2025 benoemden en beschreven Owain Evans, Cindy Howell, Nathan Wintle en Michael James Benton de soort Newtonsaurus cambrensis. De typesoort van het geslacht Newtonsaurus is de oorspronkelijke Zanclodon cambrensis. In 2025 was er wat verwarring over de betekenis van de naam doordat sommige journalisten dachten dat die naar Isaac Newton verwees.
Het holotype, GSM 6532, is vermoedelijk gevonden in de Cothamafzetting van de Lilstockformatie die dateert uit het Rhaetien, ongeveer 202 miljoen jaar oud. Op het steenblok zijn twee tweekleppigen gevonden, Pteromya langportensis en P. crowcombeia, die de datering bevestigen. Het holotype bestaat uit de natuurlijke mal van het dentarium van de linkeronderkaak. Het dentarium is gespleten en een mal van de binnenzijde ligt op een apart blok tot en met de laatste dentaire tand. Op een tweede blok ligt de mal van de buitenzijde. Met moderne fotogrammetrie werd de vorm van de mal in meer detail vastgesteld en een digitaal afgietsel gemaakt. Volgens Galton zijn de tanden van Avalonianus, het enige wat van dit taxon bekend is, in wezen identiek aan die van M. cambrensis.
Beschrijving
.jpg)
Het dentarium heeft een bewaarde lengte van achtentwintig centimeter aan de binnenzijde en dertien centimeter aan de buitenzijde. Uit vergelijking met verwante soorten, zoals Liliensternus, kan een oorspronkelijke lengte voor de onderkaak van rond zesenvijftig centimeter worden geschat. Dat wijst op een lichaamslengte van vijf tot zeven meter.
De beschrijvers stelden enkele onderscheidende kenmerken vast. Een ervan is een autapomorfie, unieke afgeleide eigenschap. De rij van foramina aan de bovenste buitenzijde van het dentarium is horizontaal gerekt.
Daarnaast is er een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken. De voorste punt van het dentarium is verbreed, maar niet gezwollen. De relatieve hoogte van het dentarium ligt tussen die van Coelophysis bauri en Dilophosaurus wetherilli. Het dentarium draagt tussen de zestien en zeventien tanden. De derde tand is de grootste (de lengte is negentwintig millimeter). De groeve langs de tandrij is over de hele lengte open. Aan de bovenste buitenzijde van het dentarium loopt een groeve met een reeks foramina. De afstand van de beennaad tussen het dentarium en het surangulare ligt op een korte afstand van de basis van het dentarium.
Fylogenie
Newton bracht het fossiel onder bij de Megalosauroidea, welk begrip indertijd nogal vaag was en niet simpelweg gelijk gesteld kan worden aan de huidige clade. Later onderzoek concentreerde zich op de vraag of er een verwantschap was met Zanclodon laevis. In 2011 concludeerde Schoch dat alle tanden van Z. leavis kartelingen misten. Zulke vertandingen zijn echter wel aanwezig op minstens vier tanden van Z. cambrensis, een duidelijke aanwijzing dat het daarbij gaat om een apart taxon en vermoedelijk niet om een rauisuchiër. Matthew Carrano stelde in 2012 dat het ook niet ging om een lid van de Megalosauridae. Wel zou het om een dinosauriër gaan die echter buiten de Tetanurae of Averostra staat.
In 2025 werd geen cladistische analyse uitgevoerd om de positie van Newtonsaurus in de evolutionaire stamboom exact te bepalen. Men beperkte zich tot een vergelijking van kenmerken met die van andere groepen. Dat het inderdaad om een dinosauriër gaat, blijkt uit de onvergroeide vijfhoekige interdentaalplaten, die achterzijde van de tandrij versterken, welke bij andere Archosauria niet voorkomen en overigens ook niet bij de dinosaurische Ceratosauria.
Dat het om een theropode gaat, zou kunnen blijken uit de overdwars ronde derde tand, een dentarium dat vooraan naar binnen buigt, de lengtegroeve met foramina aan de buitenzijde en enkelvoudige foramina in de fossa Meckeliana. Het is lastiger te bepalen waar de affiniteiten liggen in de Theropoda. Aan het eind van het Trias zijn er twee belangrijke groepen: de Coelophysoidea en de basale Averostra. De beschrijvers wezen Newtonsaurus onder voorbehoud toe aan de coelophysoïden, maar moesten toegeven dat de grootste gelijkenis bestond met Dilophosaurus, een taxon dat net buiten de Averostra staat, zoals in een precies overeenkomend aantal tanden en de vorm van de groeven. Welles schijnt dus de plank niet ver te hebben misgeslagen. Er zijn echter ook verschillen: de verbreding van de kaakpunt is minder uitgesproken, het dentarium heeft een ondiepere buiging van de onderrand en bij Dilophosaurus is de afstand van de basis tot het surangulare veel groter.
Literatuur
- Newton, E.T. 1899. "On a megalosauroid jaw from Rhaetic beds near Bridgend (Glamorganshire)". Quarterly Journal of the Geological Society 55: 89–96
- von Huene, F., 1908. "Die Dinosaurier der europäischen Triasformation mit Berücksichtigung der aussereuropäischen Vorkommnisse". Geologische Paläontologische Abhandlungen, Supplement 1, 1–419
- Welles, S.P. 1984. "Dilophosaurus wetherilli (Dinosauria, Theropoda), osteology and comparisons". Palaeontographica, Abteilung A. 185: 85-180
- R.E. Molnar, S.M. Kurzanov, and Z.-M. Dong. 1990. "Carnosauria" in: D.B. Weishampel, P. Dodson, and H. Osmólska, The Dinosauria. Berkeley: University of California Press. p. 169-209
- Olshevsky, G. 1991. "A revision of the parainfraclass Archosauria Cope, 1869, excluding the advanced Crocodylia". Mesozoic Meanderings. 2, 196 pp.
- S. Welles and S. Pickering, 1999. An Extract From: Archosauromorpha: Cladistics and Osteologies. 70 pp.
- Galton, P.M., 1998. "Saurischian dinosaurs from the Upper Triassic of England: Camelotia (Prosauropoda, Melanorosauridae) and Avalonianus (Theropoda, ?Carnosauria)" Palaeontographica Abteilung A 250: 155–172
- (en) Evans, Owain, Howells, Cindy, Wintle, Nathan, Benton, Michael J. (2025-09). Re-assessment of a large archosaur dentary from the Late Triassic of South Wales, United Kingdom. Proceedings of the Geologists' Association : 101142. DOI:10.1016/j.pgeola.2025.101142.