Nederlands Eskader in de Middellandse Zee

Het Nederlands Eskader in de Middellandse Zee[1] was tussen 1815 en 1830 een permanent eskader van de Koninklijke Zeemacht van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Dit eskader was ingesteld door Koning Willem I en diende om de belangen van de Nederlandse handelsvaart in dat gebied, de zogeheten Levanthandel, te beschermen.

Vanaf de zestiende eeuw af werd de zeehandel in de Middellandse Zee en ook daarbuiten bedreigd door zeeroverij, met name vanuit de landen aan de noord-Afrikaanse kust. Deze zogeheten Barbarijse zeerovers opereerden met name vanuit Algiers. In de tijd van de Napoleontische oorlogen was de Levanthandel sterk teruggelopen en daardoor ook de zeeroverij, maar nadat Napoleon in 1815 definitief verslagen was bloeide de handel weer snel op, en daarmee ook weer de zeeroverij.

Om deze effectief tot een einde te brengen kwam de Engelse marine in augustus 1816 tot een bombardement op Algiers. Door de Nederlandse marine die in 1814 was opgericht als Koninklijke Zeemacht werd ook een flotille van vijf fregatten en een korvet gestuurd onder vice-admiraal Theodorus Frederik van Capellen, dat aan dat bombardement deelnam. Als vlaggenschip diende in de eerste periode het linieschip Zr.Ms. Prins van Oranje (ex Auguste van de Bucentaure-klasse van 80 stukken), dit nam echter niet deel aan het bombardement op Algiers.

Intussen was ook al een meer permanente aanvulling van dit eerste eskader onderweg onder vice-admiraal Aegidius van Braam, bestaande uit het linieschip Zr.Ms. Willem de Eerste (ex Couronne, 74 stukken) dat voor vier jaar vlaggenschip van het permanente eskader zou zijn, aangevuld met enkele fregatten, korvetten en brikken: deze schepen werden naar behoefte aangevuld dan wel naar het vaderland teruggestuurd. Over de gehele periode zijn ongeveer 35 marineschepen voor kortere of langere tijd bij het eskader ingedeeld geweest. Het eskader koos Port Mahon (Maó) op het eiland Menorca als vaste uitvalsbasis, en overwinterde elk jaar daar vanaf november tot april, wanneer er geen of weinig handelsbewegingen waren. De grote natuurlijke haven van Port Mahon bleek voor dat doel ideaal.

In 1820 werd Van Braam afgelost door schout-bij-nacht Hendrik Alexander Ruysch, en ook het vlaggenschip werd opgevolgd door het linieschip Zr.Ms. Wassenaar (ex l'Audacieux, 74 stukken). Op dezelfde wijze werd in 1824 schout-bij-nacht Constantijn Johan Wolterbeek met het vlaggenschip Zr.Ms. Holland (ex Polyphème, 74 stukken) de opvolger voor de volgende vier jaar.

In 1827 begon de zeeroverij merkbaar af te nemen en zich tevens meer naar het oostelijk deel van de Middellandse zee te verplaatsen. Om deze reden werd het linieschip teruggetrokken en niet meer vervangen. Het eskader werd in een westelijke en een oostelijke divisie gesplitst, de laatste opereerde dan vanuit Smyrna (Izmir). Met de Franse verovering van Algerije in 1830 was de rol van Algiers als basis voor de zeeroverij definitief beëindigd. Het Nederlands eskader werd daarmee overbodig en teruggetrokken naar Nederland.