Mierenkring

Mierenkring

Een mierenkring[noot 1] (Engels: ant mill, letterlijk 'mierenmolen') is een fenomeen waarbij een groep trekmieren zijn feromonenspoor verliest en gescheiden raakt van zijn volk. Zoekend vinden ze dan hun eigen spoor terug, zodat ze in een cirkel gaan lopen. Het merendeel van de mieren in zo'n kring sterft uiteindelijk door uitputting.

Het verschijnsel is in de natuur zeldzaam, maar is gereproduceerd in laboratoria en komt voor in simulaties van mierenvolken.[1] Soortgelijke verschijnselen zijn waargenomen bij processierupsen en vissen.[2]

Ontdekking

De eerste beschrijving van een mierenkring is in 1920 gemaakt door William Beebe. Beebe was op pad in de jungle van Guyana voor de New York Zoological Society,[3] de latere Wildlife Conservation Society. Aan het einde van het tweede boek over zijn onderzoek beschrijft Beebe een groep rondstruinende mieren uit het geslacht Eciton. Toen hij ze de volgende ochtend opnieuw zag, volgde hij hun spoor en ontdekte dat het een gesloten kring was van soms wel zes rijen breed. Beebe stond versteld van deze ontdekking en volgde het spoor nogmaals om zekerheid te krijgen. De kring was 370 meter in omtrek en door de gemiddelde snelheid van de mieren te meten, schatte Beebe dat de mieren ongeveer tweeënhalf uur nodig hadden om rond te gaan.[4]

De Amerikaanse diergedragswetenschapper Theodore Christian Schneirla (1902–1968) verklaarde het fenomeen in 1944. Vanuit eerder onderzoek over mierengedrag concludeerde Schneirla dat de kring een gevolg was van de chemicaliën die mieren achterlaten, later feromonen genoemd, die ervoor zorgden dat de mieren elkaar volgen. Een rondgaande beweging ontstaat als mieren het spoor van de colonne kwijt zijn en dan op het spoor van de volgers uitkomen,[2] als een spoorzoeker die zijn eigen voetafdrukken volgt.

Evolutie

Verwantschap

Het fenomeen van mierenkringen is alleen bekend bij trekmieren. In de twintigste eeuw werd aangenomen dat de soorten waarbij dit voorkomt geen gemeenschappelijke voorouder hadden waarin dit gedrag ontstaan kon zijn. Het ging om drie afstammingslijnen: Aenictinae en Dorylinae in de Oude Wereld en Ecitoninae in de Nieuwe Wereld, en men nam aan dat het in elk van die lijnen apart ontstaan moest zijn. Vanaf 2003 werd duidelijk dat de verwantschap tussen die lijnen veel verder terugging, tot 105 miljoen jaar geleden. Er kon dus wel degelijk een gedeelde voorouder zijn van voor de volledige scheuring van het continent Gondwana.[1] Anno 2023 worden alle drie de groepen ingedeeld bij de Dorylinae.

Persistentie

In de natuurlijke habitat zijn mierenkringen zeldzaam doordat af en toe een mier haar voorganger kwijtraakt door verandering in het terrein, zodat de kring verbroken wordt. Als zulke natuurlijke obstakels ontbreken, bijvoorbeeld in een laboratorium of op een trottoir, ontstaan er bijna onvermijdelijk mierenkringen.[5]

Omdat mierenkringen in de natuur weinig voorkomen, is er niet veel evolutionaire druk om dit fenomeen te elimineren. Toch is het opmerkelijk dat een evident schadelijk gedragspatroon meer dan honderd miljoen jaar kon blijven bestaan. Verklaringen liggen in twee gedragsfactoren die een sterke evolutionaire druk richting onvoorwaardelijk collectief gedrag met zich meebrengen en de voortplantingsstrategie:[1]

  • Door de nomadische levenswijze bevinden de mieren zich gewoonlijk in onbekend terrein. Zonder geurspoor heeft een mier of een geïsoleerd groepje geen indicatie waar het volk te vinden is.
  • Een individu kan nauwelijks alleen aan voedsel komen, doordat trekmieren vooral jagen op prooien die vele malen groter zijn dan zijzelf.
  • De voortplantingsstrategie: trekmieren evolueren langzaam doordat de koninginnen niet kunnen vliegen. Ze hebben dus geen bruidsvlucht, zodat ze geen kans krijgen te paren met ver verwijderde darren.

Door de gedragsfactoren is er weinig druk om het collectieve gedrag uit te bannen dat in dit uitzonderlijke geval schadelijk is en de voortplantingsstrategie beperkt de evolutionaire kansen op verandering.

Zie ook