Maximiliaan van Hénin-Liétard

Maximiliaan van Hénin-Liétard, graaf van Boussu
15421578
Maximiliaan van Hénin-Liétard
Stadhouder van Holland en Utrecht
Periode 1567 - 1573
Voorganger Willem van Oranje
Opvolger Filips van Noircarmes (Filips II)

Willem van Oranje (Staten-Generaal)

Admiraal van de Nederlanden
Periode 1567-1573
Voorganger Filips van Montmorency, graaf van Horne
Opvolger -
Gevangenschap in Hoorn
Periode 1573 - 1576
In Staatse Dienst
Periode 1576 - 1578
Opperbevelhebben Staatse leger
Periode 1578
Familie
Vader Jean (Jehan) van Hénin-Liétard
Moeder Anna van Bourgondië

Maximiliaan van Hénin-Liétard (Frans: Maximilien de Hénin-Liétard of Hénnin-Liétard) (Boussu, 1542Antwerpen, 21 december 1578), graaf van Boussu (ook wel gespeld als Bossu), heer van Beuvry en Rimogne, was een Zuid-Nederlands militair en politicus. Van 1567 tot 1573 was hij stadhouder van Holland en Utrecht.

Biografie

Blazoen van Jean (Jehan) van Hénin-Liétard, graaf van Boussu, in de Sint-Baafskathedraal te Gent, geschilderd door Lucas d'Heere.

Afkomst

Boussu stamde af van een aanzienlijk adellijk geslacht in Henegouwen. Zijn vader Jean (Jehan) van Hénin-Liétard (1499-1562) behoorde tot de vertrouwde kring van hoge edellieden rond Keizer Karel V, met wie hij deelnam aan diens vele militaire expedities tegen de protestantse Duitse vorsten, de Franse koning en de Ottomanen. In 1531 nam de Habsburgse vorst hem op als lid in de Orde van het Gulden Vlies en benoemde hem tot (eerste) graaf van Boussu, een heerlijkheid in de buurt van Mons. Graaf Jean stierf in 1562.

Koninklijk stadhouder van Holland en Utrecht

Na de vlucht van Stadhouder Willem van Oranje naar Dillenburg in april 1567 had landvoogdes Margaretha van Parma koning Filips II voorgesteld om de jonge graaf Maximiliaan de Boussu tot diens opvolger in Holland te benoemen. Zij omschreef hem als ‘een verstandige en deugdzame jonge heer en zeer toegewijd aan de dienst van Uwe Majesteit en aan de katholieke religie’. Koning Filips ging met haar voorstel akkoord en kort daarna ook met Boussu’s benoeming tot stadhouder van Utrecht. De katholieke graaf voerde de door de landvoogdes opgedragen taken gewetensvol uit zoals de bestraffing van de beeldenstormers en de beginnende strijd tegen de watergeuzen. Met behulp van de hoge edelen, onder wie toen ook nog Oranje, had Margaretha intussen de orde na de Beeldenstorm grotendeels hersteld. Het sturen van Alva beschouwde zij daarom als overbodig. Filips II vond de maatregelen echter onvoldoende en stuurde Fernando Álvarez de Toledo, de hertog van Alva, als veldheer naar de Nederlanden om de orde definitief te herstellen. Margaretha zag nu voor zichzelf geen taak meer weggelegd en nam ontslag, waarna Filips II Alva als haar opvolger benoemde.

Wreed beleid

De nieuwe landvoogd trof na de instelling van de Raad van Beroerten onmiddellijk maatregelen met een duidelijk terroristisch oogmerk: door middel van talrijke doodvonnissen angst aanjagen, zodat elke vorm van kritiek of verzet in de kiem werd gesmoord. De graaf van Boussu kwam nu voor een moeilijke keuze te staan: meewerken aan de uitvoering van Alva’s wrede repressieve beleid of ontslag nemen en zo zijn doodvonnis riskeren? Net als de meeste andere hoge adellijke collega’s koos hij voor het eerste om er dan met een gematigde aanpak maar het beste van te maken. Zo werd hij in dienst van Alva de grote tegenstrever van prins Willem van Oranje.

Burgeroorlog

De Opstand liep uit op een vuile burgeroorlog, waarin Boussu na het verlies van Den Briel op 1 april 1572, te weinig werd gesteund door de landvoogd. Hij leverde een vergeefse strijd tegen de watergeuzen en de prins, die in juli 1572 door de Hollandse rebellensteden als hun stadhouder was erkend. Alva’s prioriteit lag in de zuidelijke gewesten om er af te rekenen met het binnengevallen leger van Oranje en de troepen van de Hugenoten. Zij hoopten hiermee Oranje’s broer Lodewijk van Nassau te kunnen ontzetten, die Mons onverwacht had ingenomen. Tevergeefs. Na een belegering van enkele maanden moest Lodewijk van Nassau op 19 september onder belofte van vrije aftocht de stad overgeven. Nu begon Alva’s strafexpeditie naar het noorden tegen de opstandige, naar Oranje overgegane steden. Mechelen, Zutphen en Naarden werden wreed gestraft. Haarlem was het volgende doelwit. Tijdens het beleg, dat zeven maanden duurde, wist de graaf een geuzenvloot op het Haarlemmermeer te verslaan, wat leidde tot een volledige afsluiting en overgave van de stad op 12 juli 1573. Het was een pyrrusoverwinning voor Alva vanwege het enorme verlies van soldatenlevens en materiaal.

De slag op de Zuiderzee

Schepen met elkaar in gevecht tijdens de Slag op de Zuiderzee, met portret van Boussu bovenaan (anonieme kunstenaar, Westfries Museum).

Na de overgave van Haarlem leidde de zoon van Alva, Don Frederik (Fadrique Álvarez de Toledo), het Beleg van Alkmaar. Door felle tegenstand, regenval en inundatie moest hij op 8 oktober 1573 afdruipen. Intussen had stadhouder-admiraal Boussu in opdracht van Alva een door het aan Filips II loyale Amsterdam bekostigde en samengestelde oorlogsvloot uitgerust om daarmee de blokkade van de Zuiderzee door de Waterlandse en Westfriese steden te doorbreken. Op 11 oktober vond de Slag op de Zuiderzee plaats in de buurt van Hoorn, een confrontatie van Boussu’s vloot met de oorlogsvloot van admiraal Cornelis Dircksz. van Monnickendam. Boussu moest het met zijn vlaggenschip ‘De Inquisitie’ en ver dragend geschut afleggen tegen de rebelse tegenstander met zijn entertactiek. Bij Schellinkhout liep het admiraalsschip aan de grond en moest de graaf zich overgeven na een felle strijd, die tot in de volgende ochtend duurde. Boussu werd met zijn bemanning in gevangenschap naar Hoorn gebracht en onder andere zijn pronkbeker werd in beslag genomen. De rest van de vloot was vluchtend naar Amsterdam teruggekeerd.

Gevangenschap in Hoorn (1573-1576)

Met de slag op de Zuiderzee was feitelijk een dramatisch einde gekomen aan Boussu’s stadhouderschap van Holland en Utrecht in Spaanse dienst. Het was het begin van een periode van gevangenschap in het geconfisqueerde St. Mariaklooster. In zijn plaats benoemde Filips II tijdelijke vervangers. Tijdens zijn gevangenschap moet Boussu tot het inzicht zijn gekomen, dat de ‘Spaanse weg’ een doodlopende was. Alva was intussen vervangen door Requesens (Luis de Zúñiga y Requesens). Op het verzoek van de graaf naar Brussel te mogen reizen om een goede vrede tot stand te brengen reageerde Oranje afwijzend. De prins wilde hem gebruiken als uitwisselingskandidaat voor zijn gegijzelde oudste zoon Filips Willem in Spanje. En Filips II wees een dergelijke ruil af uit vrees, dat Oranje’s zoon in de voetsporen van zijn vader zou treden. Aan Boussu’s gevangenschap kwam een einde door de Pacificatie van Gent van 8 november 1576. Artikel 9 bepaalde de vrijlating van alle wederzijdse politieke gevangenen en met name van de graaf van Boussu. Onder begeleiding van onder andere admiraal Cornelis Dircksz, zijn tegenstander in de slag op de Zuiderzee, werd hij naar Middelburg gebracht, waar hij door de prins van Oranje gastvrij werd ontvangen en een aantal dagen verbleef. Bij zijn afscheid beloofde hij de prins ‘alle goets tot voordele van den vaderlande uyt te richten’. Daarna reisde hij door naar Brussel, waar hij bij aankomst door de Staten-Generaal welkom werd geheten. Voortaan zou hij in hun dienst treden, in zogeheten Staatse dienst.

In Staatse dienst (1576-1578)

Oranje’s gewesten Holland en Zeeland en de tot dan toe aan Brussel loyale gewesten hadden zich bij de Gentse van 8 november 1576 verenigd in een Generale Unie op basis van tolerantie en gewetensvrijheid. Men had elkaar gevonden in de algemene verontwaardiging over het wrede optreden van de muitende Spaanse troepen in de Nederlanden met als treurige dieptepunt de ‘Spaanse Furie’ in Antwerpen. De Staten-Generaal hadden tot grote woede van Filips II de macht aan zich getrokken tegenover de kort tevoren gearriveerde nieuwe landvoogd Don Juan (Juan van Oostenrijk), die de in maart gestorven Requesens moest vervangen. Zij wensten hem alleen te erkennen, wanneer hij akkoord ging met de inhoud van de Pacificatie. Belangrijkste punten waren: de verdrijving van de Spaanse en vreemde troepen, schorsing van de ketterplakkaten, gewetensvrijheid, erkenning van Willem van Oranje als stadhouder van Holland en Zeeland, het land besturen met de Staten-Generaal en herstel en handhaving van de privileges.

Bemiddelaar

De citadel Vredenburg bestormd door de burgers van Utrecht in 1577 (Joost Cornelisz. Droochsloot, 1646, Centraal Museum Utrecht).

In opdracht van de Staten-Generaal ondernam de graaf van Boussu nu enkele belangrijke missies, voornamelijk als bemiddelaar in zijn voormalige stadhouderlijke gewesten Holland en Utrecht. Met diplomatiek optreden wist hij de Spaanse commandant van de Vredenburg Francesco d’Avila op 9 februari 1577 tot een vreedzame overgave van deze Utrechtse dwangburcht en vertrek naar het zuiden te bewegen. In Holland bemiddelde Boussu bij de overgang van de nog niet naar Oranje overgegane steden, zoals Naarden en Haarlem. In ruil voor erkenning moest de prins genoegdoening, satisfactie, verschaffen op het punt van de handhaving en bescherming van de katholieke religie. Het katholieke Amsterdam hield voorlopig de boot af, omdat van de consequente uitvoering van de satisfactieverdragen in genoemde steden niets terecht kwam.        

Oranje wil Utrecht

Op 20 februari 1577 maakte Oranje zijn wens tot satisfactie ten aanzien van Utrecht kenbaar en hij eiste ook over dit gewest het stadhouderschap op. Dat had hij vóór Boussu’s gevangenschap immers ook uitgeoefend. De Gentse Pacificatie zweeg daar echter over. Aanvankelijk hadden de Staten van Utrecht, gesteund door Don Juan en de Staten-Generaal, Boussu gepolst over herneming van het stadhouderschap, omdat dit na zijn vrijlating was herleefd. De graaf zag daar echter van af ten gunste van Oranje. Door bemiddeling wist hij de Utrechtse satisfactiekwestie vlot te trekken en de Staten-Generaal op 8 oktober 1577 tot erkenning van Oranje als stadhouder van Utrecht te bewegen. De voorkeur van de Utrechtse burgerij voor de prins had uiteindelijk de doorslag gegeven.

Oorlog onvermijdelijk

Na onenigheid over de interpretatie van de Pacificatie, voornamelijk over de godsdienst en de positie van de ‘ketter’ Oranje, maakte Don Juan zich op 24 juli 1577 meester van de citadel van Namen. Hij  liet weten, dat vanaf dat tijdstip zijn regering in de Nederlanden zou beginnen. De meeste hoge edelen, onder wie ook de graaf van Boussu, keerden zich nu af van Don Juan. Zij haalden de jonge Habsburgse aartshertog Matthias van Oostenrijk voor de landvoogdij naar de Nederlanden. Oranje werd zijn luitenant-generaal, waarmee zijn afhankelijkheid van de prins werd bezegeld. Maar koning Filips II piekerde er niet over om Don Juan te laten vallen. Oorlog was dus onvermijdelijk.

Revanche bij Rijmenam

De Slag bij Rijmenam (1 augustus 1578) door Frans Hogenberg (Rijksmuseum Amsterdam).

In de Slag bij Gembloers op 31 januari 1578 leed het inderhaast geformeerde en dus slecht georganiseerde Staatse leger een smadelijke nederlaag tegen Don Juan. Daarna werd de graaf op advies van Oranje benoemd tot militaire gouverneur van het bedreigde Brussel en opperbevelhebber van het Staatse leger of wat daar nog van over was. Hij speelde als man van ervaring nu een onbetwiste en onmisbare hoofdrol in de strijd tegen Don Juan en diens luitenant en latere opvolger Alexander Farnese. Op 1 augustus nam hij revanche met zijn overwinning in de Slag bij Rijmenam in de buurt van Mechelen, waarna hij zijn tegenstanders dwong zich met grote verliezen naar Namen terug te trekken. Helaas kon de graaf niet profiteren van zijn overwinning. Vanwege geldproblemen kon hij zijn leger niet bij elkaar houden. De gewesten voldeden niet aan hun betalingsverplichtingen. Muiterij, plundering van de boeren of erger waren schering en inslag. In de Staten-Generaal deden Oranje en Boussu tevergeefs hun beklag.

Naaste medewerker van Oranje

Praalgraaf van Maximiliaan de Hénin-Liétard, zijn zoon Pieter, en hun echtgenotes. Grafkapel in Boussu.

Boussu werd een van Oranje ’s naaste medewerkers. Beiden hoopten met een religievrede de godsdienstige en politieke tegenstellingen te overbruggen. Maar die verbreedden zich als gevolg van het schrikbewind van de calvinisten in Gent en de andere grote Vlaamse en Brabantse steden en de tegenacties van de katholieke Waalse Malcontenten. Beide partijen wezen de religievrede af. Na de dood van Don Juan op 1 oktober wist zijn opvolger Alexander Farnese vrijwel alle katholieke hoge edelen en patriciërs tot verzoening met de koning bewegen. De graaf van Boussu, die niet door Farnese was benaderd, bleef de keuze voor voortzetting van deelname aan de Opstand of verzoening met Filips II bespaard door zijn plotselinge overlijden aan de pest op 21 december 1578. Oranje schreef op 18 december vanuit Gent aan zijn broer Jan, dat hij werd overmand door ‘la plus grande tristesse du monde' na het bericht over het naderend einde van de graaf. Een maand na Boussu’s dood vielen de Nederlanden uiteen in de Unie van Atrecht en de Unie van Utrecht.

Voorouders

Voorouders van Maximiliaan van Hénin-Liétard
Overgrootouders Peter van Hénin-Liétard (1433-1490)

Isabeau van Lalaing (1440-?)
Willem van Ligne van Barbançon (1450-1515)

Anna Adriana van Halewijn (1455-?)
Filips van Bourgondië-Beveren (1450-1498)

Anna van Borselen
Jan III van Glymes (1452-1532)

Adriana van Brimeu
Grootouders Filips van Hénin-Liétard (1461-1511)

Catharina van Ligne (1477-?)
Adolf van Bourgondië-Beveren (1489-1540)

Anna van Bergen (1410-1467)
Ouders Jan V van Hénin-Liétard (1500-1562)

Anna van Bourgondië-Beveren (1516-1551)
Maximiliaan van Hénin-Liétard (1542-1578)

Literatuur

  • Piet Boon, Maximiliaan de Hénin-Liétard, graaf van Boussu (1542-1578). Van koninklijk stadhouder tot naaste medewerker van Willem van Oranje, Hilversum, Verloren, 2023, ISBN 9789464550498.