Matthijs Quast

Kaart van de verkenning van het gebied ten oosten van Japan door Matthijs Quast in 1639.

Matthijs Quast ( ? – 6 oktober 1641) was een Nederlandse ontdekkingsreiziger die in 1639 op initiatief van Willem Verstegen werd uitgezonden door de VOC om twee eilanden te ontdekken die ten oosten van Japan zouden liggen.

Quast ging in december 1625 als hoogbootsman naar Indië. Hij voer daarna als stuurman en vanaf 1630 als schipper op diverse jachten, waaronder de Bredam,[1] tussen Batavia, Siam, Tonquin, Hirado en Formosa. In juli 1635 werd hij schipper van het fluitschip Galiasse,[2] en in mei 1636 commandeur van twee schepen, de Rarop[3] en de Noortwijck,[4] naar Siam en Hirado.[5] Hij repatrieerde daarna, maar ging in december 1637 al weer terug. In Batavia aangekomen werd hij naast schipper ook lid van de Raad van Justitie.[6]

Ontdekkingsreis

Op 24 mei 1639 werd Quast door gouverneur-generaal Antonio van Diemen aangesteld als commandeur van een expeditie van twee schepen om de goud- en zilvereilanden te zoeken. Van deze mythologische eilanden werd gezegd dat ze zeer rijk waren, en ze heetten dan ook Rica de Oro (Rijk in Goud) en Rica de Plata (Rijk in Zilver). Naast het opsporen van de eilanden diende Quast ook het gebied ten noorden van China te onderzoeken, in het bijzonder Korea en Tartarije (Siberië). Quast zelf voer op het fluitschip Engel,[7] onder commando van Lucas Albertsen, terwijl de tweede man van de expeditie, Abel Tasman, het commando op de Gracht[8] had.

Tekening van de maanvis in het reisverslag van Matthijs Quast.

Quast verliet Batavia op 2 juni 1639, en bereikte de open zee vanaf Luzon op 10 juli. Gedurende een aantal maanden voer hij kriskras door het deel van de Grote Oceaan waar de eilanden zouden moeten liggen. Zijn sterke wil om de eilanden te vinden blijkt niet alleen uit de extra hoge bonus voor de persoon die als eerste het land zag, maar ook door de zware straffen voor mannen die op wacht in slaap vielen: vijftig zweepslagen voor de eerste overtreding, honderd zweepslagen voor de tweede keer, en voor een derde fout de doodstraf. Maar het was allemaal tevergeefs, gouden of zilveren eilanden werden er niet ontdekt.

Op 25 oktober gaf Quast zijn zoektocht op. Zijn schepen, die al bij het begin van de expeditie in niet al te beste staat verkeerden (de VOC gebruikte de goede schepen voor handelsreizen met zekere winst, niet voor expedities zoals die van Quast), werden nog slechter. Ook leidde het gebrek aan vers voedsel tot scheurbuik bij de bemanning. Quast besloot daarom niet naar Tartarije door te varen zoals oorspronkelijk de bedoeling was, maar direct naar Formosa te gaan. Toen hij Fort Zeelandia bereikte, op 24 november, waren 41 van zijn 90 bemanningsleden overleden.

De expeditie had geen succes. Weliswaar waren de Bonin-eilanden ontdekt en de kust van Japan beter in kaart gebracht, maar er waren geen handelsmogelijkheden ontdekt of andere voor de VOC interessante resultaten geboekt.

De VOC zou nog een tweede expeditie naar het gebied sturen, onder leiding van Maarten Gerritsz. Vries. Hierbij werden Yeso (Hokkaido), Sachalin en de zuidelijke Koerilen ontdekt. De tweede man van Quasts expeditie, Abel Tasman, maakte later twee beroemde reizen naar de zeeën rond Australië.

Blokkade van Goa

Op 1 januari 1640 teruggekeerd in Batavia werd hij benoemd tot equipagemeester, verantwoordelijk voor de uitrusting van schepen. Op 18 juni 1641 kreeg hij het bevel over de zesde blokkadevloot van Goa. Onder Van Diemen blokkeerde de VOC ieder jaar van september tot mei de haven van die stad om te voorkomen dat Portugese schepen in en uit konden varen. De verbinding over zee tussen Goa en Portugal werd hiermee verbroken. Quasts vloot bestond uit de schepen 's-Hertogenbosch, Hollandia, Harderwijck, Nieuw Enckhuijsen, Wassenaer, Egmondt, Noort Sterre, 't Vliegend Hert, Venlo en Roemerswael, met een totale bemanning van 1147 man, waaronder 200 soldaten. De schepen hadden bij elkaar ruim 300 kanonnen aan boord.

Eind augustus bij de uitkijkpost van de VOC in Vengurla aangekomen werd de opperkoopman Pieter Paets daar afgezet om Claes Cornelisz. Blocq te vervangen. Deze meldde dat er drie grote schepen in Goa lagen en dat de Portugezen met de belofte van een enorme afkoopsom de sultan van Bijapur, Mohammed Adil Shah, hadden overgehaald een verbond tegen de Nederlanders te sluiten. Dit was een tegenslag, want Bijapur was tot dan toe een bondgenoot van de VOC geweest.

Op 22 september kwam een grote Portugese kraak uit Lissabon in zicht, de Nossa Senhora da Quietação. Met vier schepen viel Quast de kraak aan en veroverde het na een gevecht van zes uur. Het had slechts provisie en 'weijnich comptanten' bij zich. Hij hernoemde het schip in Amsterdam. Aan Nederlandse kant vielen 16 doden en 27 gewonden, waaronder Quast zelf, met een wond aan zijn linkerbeen. Twee dagen later kreeg men in Goa het bericht dat Portugal zich weer afgescheiden had van Spanje en dat het nu vrede was tussen Portugal en de Republiek. De onderkoning van Goa deed Quast een voorstel voor een wapenstilstand, dat ook naar Batavia werd gezonden, en hij ontbond eenzijdig de overeenkomst met Bijapur. De woedende sultan koos daarop weer de kant van de VOC.

Intussen was Quasts wond verergerd en had hij bloedvergiftiging gekregen, 'waertoe een brandende sieckte slaende, brengende hem gants buijten verstant'.[9] In de nacht van 5 op 6 oktober overleed hij. Hij werd begraven op het terrein van de VOC-loge van Vengurla, en werd op de vloot opgevolgd door de schout-bij-nacht Cornelis Leendertsz. Blauw.[10]