Matheos van Edessa

Titelblad van een negentiende-eeuwse uitgave van de kroniek van Matheos van Edessa

Matheos van Edessa (tweede helft elfde eeuw – Edessa, omstreeks 1137[1]) (Armeens: Մատթեոս Ուռհայեցի, Matteos Urhayetsi) was een Armeense historicus en monnik van de Armeens-Apostolische Kerk in de 12e eeuw in Edessa.

Biografie

Er is weinig bekend over het leven van Matheos en het enige wat we van hem weten is overgeleverd via zijn kroniek. Hij was een priester en woonde zijn hele leven lang in de stad Edessa. Hij beschreef zichzelf in de jaren 1130 als een oude man en als een oudere van het klooster waar hij woonde. Hij was een fervent aanhanger van de Armeens-Apostolische kerk, maar had niet de wetenschappelijke opleiding van een vardapet-geleerde. Matheos is waarschijnlijk kort na 1137 overleden.[1] Ergens gedurende zijn leven verhuisde naar het noordelijker gelegen K'esun. Het klooster dat veelal met het leven van Matheos geassocieerd wordt is het klooster van Karmir Vank, nabij K'esun. Al heeft Matheos zelf nooit direct dit klooster aangegeven.[2]

Kroniek

Volgens historicus Steven Runciman is de Armeense kroniek van Matheos van Edessa van onschatbare waarde ten aanzien van de Eerste Kruistocht. Runciman veroordeelde Matheos wel en omschreef hem als een "naïeve man met een haat voor Grieken en geen grote liefde voor de orthodoxe geloofsgenoten van zijn landgenoten".[3] Historicus Christopher MacEvitt omschreef de kroniek als een van de belangrijkste historische narratieven uit het twaalfde-eeuwse Syrië.[4]

De kroniek behandelt de periode van de Syrische geschiedenis tussen de jaren 952 en 1136. Waarschijnlijk is Matheos omstreeks 1101/1102 begonnen met het schrijven van de kroniek.[5] De kroniek bestaat uit drie verschillende onderdelen. Het eerste onderdeel behandelt het verdwijnen van de Armeense koninklijke autoriteit in de Kaukasus (952-1052). Het tweede deel van de kroniek gaat in op de vernietiging van de Armeense gemeenschappen door de handen van de Turken (1053-1102) en het laatste deel behandelt de periode vanaf 1103 tot aan de dood van Matheos.[2][6]