Martelaressen van Compiègne

De martelaressen van Compiègne, glas-in-loodramen van de hand van zuster Margaret Agnes Rope (1882-1953) in de kerk van het Karmelietessenklooster in Quidenham, Norfolk, Engeland

De Martelaressen van Compiègne waren zestien Karmelietessen uit een klooster in Compiègne die op 17 juli 1794, op het hoogtepunt van de Terreur, in Parijs zijn geguillotineerd. Hun voorbeeldige dapperheid en volharding in het geloof leidden ertoe, dat ze op 27 mei 1906 door Paus Pius X zalig en op 18 december 2024 door Paus Franciscus heilig werden verklaard.

Vervolging en terechtstelling

De groep zusters bestond uit 16 personen: 11 Ongeschoeide Karmelietessen, 3 lekenzusters en 2 aangesloten religieuzen. Ze werden in 1793 uit hun klooster in Compiègne gezet. De moeder-overste, Thérèse de Saint-Augustin, vond enkele katholieke families bereid om de nonnen op te vangen. Daar gingen ze voort met hun levenswijze van werken, zingen en bidden. Ze werden samen met een groep Engelse Benedictinessen in juni 1794 gearresteerd nadat het klooster was doorzocht en enkele compromitterende geschriften en zaken zouden zijn aangetroffen, zoals brieven die de Revolutie bekritiseerden en afbeeldingen van het Heilig Hart (de opstandelingen in het departement Vendée hadden het Heilig Hart als embleem).

Antoine Quentin Fouquier de Tinville – zelf onthoofd in 1795 – trad op als openbare aanklager. De zusters werden ervan beschuldigd contrarevolutionaire vergaderingen belegd te hebben en de kloosterregel te zijn blijven volgen. Dat laatste werd beschouwd als religieus fanatisme. De nonnen zouden ook geweigerd hebben een eed af te leggen zoals vereist volgens de nieuwe wetgeving. Ze werden zonder verdere plichtplegingen ter dood veroordeeld op grond van "fanatisme" en "opruiing" en vervolgens geguillotineerd. Hun stoffelijke resten werden in een massagraf geworpen dat zich thans op het Cimetière de Picpus bevindt.

De openbare terechtstelling van de zestien nonnen (de jongste het eerst, de moeder-overste het laatst) maakte grote indruk op de aanwezige menigtes, want al vanaf het moment dat ze op karren geladen waren, gingen de vrouwen, allen in habijt, zingend hun dood tegemoet.[1][2] Het lag in de bedoeling om na de Karmelietessen de Engelse Benedictinessen hetzelfde lot te doen ondergaan. Daar kwam het echter niet meer van, misschien doordat tien dagen na de moord op de Karmelietessen de aanstichter van het Schrikbewind, Robespierre, zelf terechtgesteld werd.

Invloeden

Gertrud von Le Fort verwerkte de gebeurtenissen in haar novelle Die Letzte am Schafott (1931), die een inspiratiebron vormde voor de opera Dialogues des carmélites (1957) van Francis Poulenc, de film Le Dialogue des carmélites (1960) van Philippe Agostini en Raymond Léopold Bruckberger, en de televisiefilm Dialogues des carmélites (1984) van Pierre Cardinal.

Literatuur

  • Bush, William, To Quell the Terror: The True Story of the Carmelite Martyrs of Compiègne. Institute of Carmelite Studies, Washington D.C., 1999.
  • Marie de l'Incarnation en William Bush (préf. Guy Gaucher), La Relation du martyre des seize carmélites de Compiègne. Le Cerf, coll. « Épiphanie », janvier 1993, 354 p., ISBN 978-2-204-04475-2
  • Morgain, Stéphane-Marie, L'amour sera toujours vainqueur : Les carmélites martyres de Compiègne, pensées et témoignages. Editions du Carmel, coll. « Existentiel », mars 2000, 132 p., ISBN 978-2-900424-60-5.

Verwijzingen