Lewis Armistead

Lewis Addison Armistead
Armistead in circa 1861-1863
Armistead in circa 1861-1863
Bijnaam Lo
Geboren 18 februari 1817
New Bern, North Carolina
Overleden 5 juli 1863
Gettysburg, Pennsylvania
Rustplaats Old Saint Paul’s Cemetery
Baltimore, Maryland
Land/zijde Verenigde Staten
Geconfedereerde Staten van Amerika
Onderdeel United States Army
Confederate States Army
Dienstjaren 1839-1861 (USA)
1861-1863 (CSA)
Rang gebrevetteerd majoor (USA)

brigadegeneraal (CSA)

Eenheid 6th Infantry Regiment
Bevel 57th Virginia Infantry Regiment
Armisteads Brigade
Slagen/oorlogen Mexicaans-Amerikaanse Oorlog

Mohave-oorlog

  • Slag bij de Coloradorivier

Amerikaanse Burgeroorlog

Lewis Addison Armistead (New Bern, 18 februari 1817Gettysburg, 5 juli 1863) was een Amerikaans beroepsmilitair. Na een loopbaan van meer dan twintig jaar in het United States Army nam hij bij het begin van de Amerikaanse Burgeroorlog dienst in het Confederate States Army. Hij klom op tot de rang van brigadegeneraal. Tijdens Pickett's Charge op de derde dag van de Slag bij Gettysburg bereikte hij met zijn brigade de Noordelijke stellingen op Cemetery Ridge. Tijdens de gevechten raakte hij gewond en werd hij gevangen genomen. Hij stierf twee dagen later aan zijn verwondingen in een veldhospitaal.

Vroege jaren

Lewis A. Armistead werd geboren op 18 februari 1817 in New Bern, North Carolina. Hij was de zoon van Walker Keith Armistead en Elizabeth Stanly. Lewis werd geboren in het huis van zijn grootvader John Wright Stanly.[1] Zijn familie was van Engelse afkomst en woonde sinds de jaren 1600 in Virginia.[2] Zijn vader was een van vijf broers die in de Oorlog van 1812 hadden gediend.[3] George Armistead was bevelhebber van Fort McHenry tijdens de Slag om Baltimore die Francis Scott Key zou inspireren tot het schrijven van de "The Star-Spangled Banner". Aan moederszijde was zijn grootvader John Stanly die in het Huis van Afgevaardigden zetelde. Zijn oom, Edward Stanly, had ook een lange politieke loopbaan en zou tijdens de burgeroorlog militair gouverneur van North Carolina worden voor de Noordelijken.[4]

Armistead werd in 1833 toegelaten tot het United States Military Academy in West Point en vertrok hetzelfde jaar. In 1834 begon hij opnieuw aan zijn opleiding maar diende zijn jaar over te doen. In 1836 nam hij opnieuw ontslag nadat hij een bord op een mede-kadet had stukgeslagen. Die kadet was Jubal Early en zou later eveneens dienen in het Confederate States Army.[5] Vrienden gaven Armistead de bijnaam "Lo" (de afkorting van Lothario),[6] Het was bedoeld als een grap waarbij de verlegen Armistead vergeleken werd met een literair figuur die als een Casanova optrad.

Dankzij zijn invloedrijke vader werd Armistead op 10 juli 1839 toch aangesteld als een tweede luitenant in het 6th Infantry Regiment. Op 30 maart 1844 werd hij bevorderd tot eerste luitenant. In hetzelfde jaar huwde hij met Cecelia Lee love, een verre nicht van Robert E. Lee.[7] Het koppel kreeg twee kinderen: Walker Keith Armistead en Flora Lee Armistead.

Armistead diende in verschillende forten langs de westelijke grens zoals in Fort Towson en Fort Washita langs de grens van Oklahoma. Tijdens de Mexicaans-Amerikaanse Oorlog werd hij bevorderd tot gebrevetteerd kapitein. Hij nam deel aan de Slag bij Contreras en Churbusco en raakte gewond tijdens de bestorming van Chapultepec. Na de Slag om Molino del Rey werd hij beloond met de graad van gebrevetteerd majoor.[1]

Na de oorlog werd Armistead naar Kentucky gestuurd als rekruteringsofficier. In april 1850 overleed zijn dochtertje in Jefferson Barracks. Hij werd naar Fort Dodge gestuurd. Zijn vrouw werd ziek en moest voor haar gezondheid een warmer klimaat opzoeken. Op 12 december 1850 overleed Cecelia in Mobile, Alabama. Armistead keerde terug naar Fort Dodge. Twee jaar later, in 1852, brandde het huis van zijn familie in Virginia volledig uit waarbij alles vernietigd werd. Hij nam in oktober 1852 verlof om zijn familie te helpen met de heropbouw. Tijdens zijn verlof ontmoette hij Cornelia Taliaferro Jamison die weduwe was. Ze huwden op 17 maart 1853 in Alexandria. Samen met haar man keerden ze terug naar de forten aan de westgrens.

Het nieuwe gezin verhuisde van het ene fort naar het andere in Nebraska, Missouri en Kansas naargelang de orders die Armistead kreeg. Het echtpaar kreeg een zoon Lewis B. Armistead die op 6 december 1854 overleed. Het stoffelijk overschot werd naast Flora begraven in Jefferson Barracks. Op 3 maart 1855 werd Armistead bevorderd tot kapitein.[8] Zes maanden later overleed zijn tweede echtgenote op 3 augustus 1855 in Fort Riley toen na de uitbraak van een cholera-epidemie.[9]

Tussen 1855 en 1858 diende Armistead in verschillende militaire posten langs de Smokey Hill River in het Kansasterritorium, Bent’s Fort, Pole Creek, Laramie River en Republican River in het Nebraskaterritorium. In 1858 werd het 6th Infantry naar Utah gestuurd in de naweeën van de Utahoorlog. Kort daarna werd het regiment naar Californië gestuurd met de bedoeling om het in te zetten in het Washingtonterritorium. Maar een aanval van de Mojave op de Amerikaanse kolonisten besliste er anders over. Het 6th U.S. werd naar de zuidelijke woestijn langs de Colorado gestuurd als deel van een strafexpeditie tegen de Mojave.

Luitenant-kolonel William Hoffman vertrok vanuit Fort Yuma met zes pelotons infanterie, twee pelotons cavalerie en enkele kanonnen langs de Colorado. Op 23 april 1859 legde Hoffman een vredesverdrag op aan de lokale stamhoofden. In dit eenzijdig verdrag werd er vrije doorgang verlangd en zouden er wegen en militaire posten aangelegd worden. Bij niet-naleving van het verdrag werd de stam met totale vernietiging bedreigd. Enkele familieleden van de stamhoofden werden als gijzelaar weggevoerd. Daarna vertrok Hoffman met een deel van de troepen naar San Bernardino. Andere eenheden vertrokken per stoomboot of te voet naar Fort Tejon.

Kapitein Armistead bleef met twee infanteriepelotons en enkele kanonnen achter om het kampement bij Beale's Crossing te bemannen en het vredesverdrag te handhaven. Armistead gaf het kamp de naam Fort Mohave. Eind juni 1859 ontsnapten de gijzelaars uit fort Yuma. Enkele weken later braken er problemen uit toen er vee werd gestolen van een klein baanstation op ongeveer 3 km van het fort Mohave. Na enkele weken van schermutselingen kwam het tot een groter gevecht toen 50 soldaten onder Armistead 200 Mohaves aanvielen. De soldaten telden drie gewonden. De Mohave verloren op zijn minst 23 strijders. Na deze slag werd een vredesverdrag gesloten die niet meer zou gebroken worden.[10]

Amerikaanse Burgeroorlog

Dit monument in het Gettysburg National Military Park markeert de vermoedelijke plaats waar Armistead dodelijk geraakt werd. De muur achter het monument vormde de Noordelijke slaglinie.

Toen de Amerikaanse Burgeroorlog uitbrak was Armistead bevelhebber van een klein garnizoen in de New San Diego Barracks in San Diego, Californië.[11] Armistead was goed bevriend met Winfield S. Hancock die kwartiermeester was in Los Angeles. Toen hun het nieuws bereikte dat een conflict was uitgebarsten tussen de Noordelijke en Zuidelijke staten hielden beide vrienden nog een afscheidsfeest voor Armistead zou vertrekken naar Virginia. Armistead zei aan Hancock:"Vaarwel, je zal nooit weten wat deze beslissing mij gekost heeft."[12]

Armistead vertrok vanuit Californië naar Texas met de Los Angeles Mounted Rifles. Daarna trok hij verder in oostelijk richting en werd onderweg benoemd tot majoor in het Confederate States Army. Bij aankomst werd hij als snel bevorderd tot kolonel van het 57th Virginia Infantry Regiment. Zijn regiment diende in het westelijk deel van Virginia maar werd al snel naar het Army of Northern Virginia gestuurd. Op 29 maart 1862 werd Armistead bevorderd tot brigadegeneraal. Hij voerde zijn brigade aan tijdens de Slag bij Seven Pines. Tijdens de Zevendagenslag vormde zijn brigade de speerpunt tijdens de aanval op Malvern Hill en ook later bij Bull Run. Tijdens de Marylandveldtocht en de Slag bij Antietam diende Armistead als de Provoost maarschalk van het leger. Als verantwoordelijke voor de militaire politie was een ondankbare taak wegens de massale deserties die plaats vonden in het leger. Daarna nam hij opnieuw het bevel op zich van een brigade in de divisie van generaal-majoor George Pickett en nam hij met zijn brigade deel aan de Slag bij Fredericksburg. Hij was niet aanwezig tijdens de Slag bij Chancellorsville begin mei 1863 omdat hij samen met zijn brigade deel uitmaakte van de het First Corps onder leiding van luitenant-generaal James Longstreet die bij Suffolk opereerde.

Tijdens de Slag bij Gettysburg arriveerde Armisteads brigade op het slagveld in de avond van 2 juli 1863. De volgende dag nam hij deel aan Pickett’s Charge op de Noordelijke linies op Cemetery Ridge. Zijn brigade raakte tot bij de Noordelijke slaglinie maar werd door een vijandelijke tegenaanval overweldigd. Armistead voerde zijn troepen aan met zijn hoed op zijn zwaard gepind. Hij werd drie keer geraakt en zeeg gewond neer bij een kanon. De Noordelijke kapitein Henry H. Bingham bracht het nieuws over aan generaal-majoor Winfield Hancock dat Armistead dodelijk gewond was en krijgsgevangen was gemaakt.[13][14] Armistead werd naar een Noordelijke veldhospitaal gebracht waar bij twee dagen later overleed aan zijn verwondingen. [15] Lewis A. Armistead werd begraven op het Old Saint Paul’s Cemetery o, Baltimore, Maryland naast zijn oom luitenant kolonel George Armistead.[16]

Zie ook

Lijst van generaals in de Amerikaanse Burgeroorlog (Confederatie)