Leidse systeem

Het Leidse Systeem of de Leidse conventies (ook wel Duits: Leidener Klammersystem) is een systeem voor de eenvormige kritische uitgave van epigrafische, papyrologische of (meestal in handschriften overgeleverde) literaire bronnen, ontwikkeld aan de Universiteit Leiden in de jaren dertig. Het geldt als het algemeen aanvaarde systeem voor de schrijfwijze van getranscribeerde teksten, die oorspronkelijk de vorm hadden van inscripties, manuscripten, papyri of vergelijkbare schriftdragers, die in gedrukte vorm moeten worden weergegeven. Het doel van dit systeem is dat de gedrukte tekst de oorspronkelijke schriftdrager en zijn eigen kenmerken zo volledig, eenduidig en correct mogelijk reproduceert en toch met een minimum aan voorkennis begrijpelijk blijft.[1]

Hiervoor wordt gebruikgemaakt van haakjes en andere tekens (sigla), waarmee aanvullingen, correcties en andere redactionele ingrepen van de bewerker ondubbelzinnig worden gemarkeerd, en wordt gewezen op bijzonderheden van de oorspronkelijke tekstversie. In het geval van een typische inscriptie worden zo bijvoorbeeld nadere details over het aanbrengen en de bewaring op de steen, evenals mogelijke afkortingen en schrijffouten, inzichtelijk gemaakt. Kennis van deze informatie is soms van doorslaggevend belang voor het onderzoek en het begrip van een tekst, evenals voor de waardering en de wetenschappelijke situering van de bron.

Ontstaan en verspreiding

De uitwerking van het Leidse systeem werd in september 1931 afgesproken tijdens de papyrologische sessie van het Internationaal Orientalistencongres in Leiden, naar aanleiding van een voorstel van de Nederlandse classicus en papyroloog Bernard Abraham van Groningen.[2] Het uitgesproken doel was om de „vrijwel ondraaglijke discrepantie in het gebruik van haakjes en andere kritische tekens”[3] binnen de oudheidkunde tegen de gaan. In de jaren daaraan voorafgaand, had de Union Académique Internationale al een overzicht samengesteld van de verschillende toen gangbare bewerkingsregels in de klassieke filologie, aangevuld met „adviezen en aanbevelingen” (conseils et recommandations) voor een eenvormige toepassing. De proefdrukken van dit werk lagen in 1931 al voor bij de papyrologische sessie van het Orientalistencongres;[4] hoewel de definitieve druk pas in 1932[5] volgde (in 1938 verscheen een herziene editie[6]). Geïnspireerd door dit ontwerp uit het verwante vakgebied van de klassieke filologie, richtten de in Leiden bijeengekomen papyrologen een commissie op, die in de daaropvolgende maanden een eenvormig concept moest uitwerken dat voor zoveel mogelijk disciplines binnen de oudheidkunde bruikbaar zou zijn.[3] Deze commissie bestond uit de Nederlander Bernard van Groningen, de Fransman Pierre Jouguet en de Belg Marcel Hombert. Het systeem dat zij uitgewerkt hadden, werd in januari 1932 gepubliceerd in het vaktijdschrift Chronique d’Égypte[7] en vervolgens door papyrologische tijdschriften in verschillende landen overgenomen,[8] waaronder in Duitsland door Ulrich Wilcken in het Archiv für Papyrusforschung.[9]

Uiteindelijk vond het Leidse systeem ingang in het overgrote deel van de vakwereld, evenals in de aan papyrologie verwante disciplines, zoals de epigrafie en de klassieke filologie. Al in 1932 werd het gebruikt voor de kritische editie van Griekse inscripties binnen het project Inscriptiones Graecae, dat onder leiding stond van de voornoemde Ulrich Wilcken.[10] Het geldt tegenwoordig als het algemeen aanvaarde systeem voor de wetenschappelijke uitgave van inscripties en papyri uit de oudheid. Belangrijke uitgevers die het Leidse systeem toepassen bij de uitgave van literaire bronnen zijn onder meer de Loeb Classical Library, de Sammlung Tusculum, de Collection des Universités de France en de Bibliotheca Teubneriana.

Een eenvormig bewerkingssyteem voor teksten uit de Egeïsche bronstijd, die zijn opgesteld in Linear A of Linear B, werd in 1961 in het Amerikaanse congrescentrum Wingspread uitgewerkt. Deze Wingspread-conventie komt in grote lijnen overeen met de Leidse conventies, maar bevat enkele kleine aanvullingen die zijn toegesneden op de specifieke vereisten van deze schriften.[11]

Overzicht van de belangrijkste sigla

Sigel Beschreibung
[ ] Vierkante haakjes geven aan dat het door de haakjes omsloten gedeelte in de oorspronkelijke inscriptie beschadigd is en niet meer (of slechts zeer moeilijk) leesbaar was, en door de bewerker is aangevuld. De gereconstrueerde tekens worden beschouwd als weergaven van het onleesbare origineel die waarschijnlijk zijn tot met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid.
[...] Puntjes tussen vierkante haakjes geven het bepaalbare aantal niet-reconstrueerbare letters aan (in dit geval drie).
[— —] Kastlijntjes tussen vierkante haakjes geven een niet-bepaalbare hoeveelheid niet-reconstrueerbare letters aan.
( ) Ronde haakjes geven aan dat het door de haakjes omsloten deel van een woord in de oorspronkelijke tekst is weggelaten en dus is afgekort. De inhoud die binnen de haakjes staat, vult de gebruikte afkorting aan.
Voorbeeld: P(ontifex) M(aximus) betekent dat in plaats van het voluit geschreven Pontifex Maximus, er in de oorspronkelijke tekst enkel PM voorkomt.
Voorbeeld van toepassing in een vertaling: Smikylion (zoon) van Eukalides. (In antieke inscripties volgt na de naam van een persoon vaak de naam van zijn of haar vader in de genitief, zonder nadere toelichting over de familieband; deze moet daarom in de vertaling worden toegevoegd.)
< > Punthaakjes geven aan dat de bewerker een fout in de oorspronkelijke tekst gecorrigeerd heeft. (Bijvoorbeeld per ongeluk weggelaten letters, spelfouten of een onjuiste cijferaanduiding).
Soms wordt het foutieve deel van de tekst gewoon door de correctie vervangen (bijvoorbeeld C<ae>sar, terwijl in de oorspronkelijke tekst per ongeluk Ceasar stond) – in dat geval moet in het commentaar, bijvoorbeeld in de voetnoten, verwezen worden naar de oorspronkelijke schrijfwijze. Soms wordt binnen de punthaakjes echter zowel de verkeerde als de gecorrigeerde schrijfwijze weergegeven (bijvoorbeeld C<ae=EA>sar).[12]
{ } Accolades omringen tekst, die de bewerker als overbodig weglaat (bijvoorbeeld per ongeluk dubbel geschreven woorden of woorddelen).
ạḅc̣ Een punt onder een letter geeft aan deze in de oorspronkelijke tekst slechts gedeeltelijk bewaard is en uit de nog zichtbare delen niet eenduidig kan worden afgeleid (al kan hij eventueel op grond van de voorgaande en/of volgende letters met grote zekerheid gereconstrueerd worden).
... Puntjes geven het aantal vermoedelijke niet-reconstrueerbare letters aan (voor Grieks en papyrologisch).
+++ Plustekens geven het aantal vermoedelijke niet-reconstrueerbare letters aan (voor Romeins)
[[abc]] Het dubbel omkaderen van een tekstgedeelte met vierkante haakjes wordt in de wetenschappelijke terminologie een 'rasuur' genoemd, wat betekent dat het omsloten gedeelte reeds in de oudheid opzettelijk uit een tekst is verwijderd. De redenen hiervoor zijn meestal politiek gemotiveerd: zo liet bijvoorbeeld de Romeinse keizer Caracalla de naam van zijn broer en mederegent Geta, nadat hij hem vermoord had, verwijderen uit inscripties waarin beide nog als gelijkwaardige heersers genoemd werden. Deze maatregel staat bekend als Damnatio memoriae.
Als er ondanks de rasuur nog delen van een letter te herkennen zijn, wordt er een punt onder geplaatst: [[ạḅc̣]]
v

vv vacat

Een onbeschreven plek in de tekstdrager wordt schuingedrukt met v of vacat aangeduid. De grootte van het vrijgelaten veld kan worden aangegeven aan de hand van het aantal letters dat daar, passend bij de lettergrootte, had kunnen staan.
Als de bewerker een onbeschreven plek vermoedt, die echter door de staat van bewaring van het origineel niet of niet met zekerheid kan worden vastgesteld, kan dit worden aangeduid met [vacat] oder ṿ (dus door vierkante haakjes of een punt onder de letter).
| Sluistekens markeren het begin van een regel, indien de tekst niet volgens de oorspronkelijke regelindeling wordt uitgegeven.
|| Dubbele sluistekens markeren, ter bevordering van de leesbaarheid, het begin van elke vijfde regel.

Bij het gebruik van oudere uitgaven moet worden opgemerkt dat sommige haakjes daar een andere betekenis kunnen hebben. Zo kan <...> ook een weglating door de uitgever aanduiden en (...) een correctie door de uitgever.

Literatuur

  • Bernard Abraham van Groningen: Projet d’unification des systèmes de signes critiques. In: Chronique d’Égypte. Vol. 7, 1932, Nr. 13–14, pp. 262–269.
  • Essai d’unification des méthodes employées dans les éditions de papyrus. In: Chronique d’Égypte. Vol. 7, 1932, Nr. 13–14, pp. 285–287.
  • Bernard Abraham van Groningen: De signis criticis in edendo adhibendis. In: Mnemosyne. Vol. 59, 1931, pp. 362–365.
  • Sterling Dow: Conventions in editing. A suggested reformulation of the Leiden system (= Greek, roman and byzantine studies: Scholarly aids. Vol. 2). Duke University, Durham (NC) 1969. (Uitgebreid overzicht van talrijke sigla die hierboven niet genoemd zijn).
  • Brian F. Cook: Greek Inscriptions (= Reading the Past. Band 5). University of California Press, Berkeley 1987, ISBN 0-520-06113-6.
  • Bradley H. McLean: An Introduction to Greek Epigraphy of the Hellenistic and Roman Periods from Alexander the Great down to the Reign of Constantine (323 B.C. – A.D. 337). The University of Michigan Press, Ann Arbor 2002, ISBN 0-472-11238-4, pp. 27–39.
  • Alison E. Cooley: The Cambridge Manual of Latin Epigraphy. Cambridge University Press, Cambridge 2012, ISBN 978-0-521-54954-7, pp. 350–355.

Bronnen

  1. Sterling Dow: Conventions in editing. A suggested reformulation of the Leiden system. Duke University, Durham (NC) 1969, pp. 2.
  2. Bernard Abraham van Groningen: Projet d’unification des systèmes de signes critiques. In: Chronique d’Égypte. Vol. 7, 1932, Nr. 13–14, pp. 262–269.
  3. 1 2 Ulrich Wilcken: Das Leydener Klammersystem. In: Archiv für Papyrusforschung. Vol. 10, 1932, Nr. 3–4, pp. 211–212, alhier p. 211.
  4. Marcel Hombert: Emploi des signes critiques. In: L’Antiquité classique. Vol. 1, 1932,1–2, pp. 497–498, alhier p. 498 (online).
  5. Joseph Bidez, Anders Bjørn Drachmann (Red.): Emploi des signes critiques. Disposition de l’apparat dans les éditions savantes de textes grecs et latins. Conseils et recommandations. Champion, Paris 1932.
  6. Joseph Bidez, Anders Bjørn Drachmann (Red.): Emploi des signes critiques. Disposition de l’apparat dans les éditions savantes de textes grecs et latins. Conseils et recommandations. Neuauflage von Armand Delatte und Albert Severyns. Union Académique Internationale/Les Belles Lettres, Brüssel/Paris 1938 (voor ontstaansgeschiedenis, zie pp. 1–4).
  7. Essai d’unification des méthodes employées dans les éditions de papyrus. In: Chronique d’Égypte. Vol. 7, 1932, Nr. 13–14, pp. 285–287.
  8. Bärbel Kramer, Dieter Hagedorn: Griechische Papyri der Staats- und Universitätsbibliothek Hamburg (P. Hamb. IV) (= Archiv für Papyrusforschung. Bijlage 4). B. G. Teubner, Stuttgart/Leipzig 1998, ISBN 3-519-07537-7, p. XXII, noot. 1.
  9. Ulrich Wilcken: Das Leydener Klammersystem. In: Archiv für Papyrusforschung. Vol. 10, 1932, Nr. 3–4, p. 211.
  10. Ulrich Wilcken: Das Leydener Klammersystem. In: Archiv für Papyrusforschung. Vol. 10, 1932, Nr. 3–4, pp. 211–212, alhier p. 212.
  11. Notae Diacriticae in Edendis Textibus Mycenaeis Minoicisque, a Tertio Colloquio Internationali Studiorum Mycenaeorum in 'Wingspread' convocato, editoribus commentatoribus commendata. In: Emmett L. Bennett (Red.): Mycenaean Studies. Proceedings of the Third International Colloquium for Mycenaean Studies held at "Wingspread", 4–8 September 1961. The University of Wisconsin Press, Madison 1964, pp. 260–262. Zie daarnaast ook: Sterling Dow: Conventions in editing. A suggested reformulation of the Leiden system. Duke University, Durham (NC) 1969, pp. 17–19.
  12. Zoals gebruikelijk in de Epigraphik-Datenbank Clauss-Slaby (EDCS); zie de daar gegeven zoektoelichtingen.