Landgraafschap Brabant

Het landgraafschap Brabant[1][2] was een hypothetisch landgraafschap in de 11e eeuw, gelegen tussen de Dender en de Zenne.

De hypothese verbindt een aantal gegevens met elkaar. Ten eerste is bekend dat de abdij Affligem in 1084 werd begiftigd met een allodium dat in onverdeeldheid toebehoorde aan Hendrik III van Leuven, Godfried I van Leuven en een graaf van de Palts, wellicht Herman II van Lotharingen. Herman stierf in 1085, waarna zijn vermoedelijke echtgenote omschreven werd als "weduwe van de graaf van Brabant". De theorie luidt dat zijn erfland Brabant aan de graven van Leuven viel, aangezien zij zich vervolgens "van Brabant" gingen noemen in oorkonden. Het valt op dat ze deze gebiedsnaam vooral gebruikten ten westen van de Zenne, waardoor het misschien daar gelegen was. Bovendien betitelden ze zich soms als patriae comes, mogelijk ontleend aan Brabant dat in dat geval een "landgraafschap" was. Omstreeks 1106 verwierven ze de titel "hertog van Neder-Lotharingen". Overeenkomstig hun nieuwe waardigheid zou hun landgraafschap Brabant in 1183 verheven zijn tot "hertogdom Brabant". Zo ontstond de nieuwe titel "hertog van Brabant".

De theorie helpt om een onderscheid te maken tussen drie vrouwen die vermeld worden als "Adelheid uit het Huis Brabant". Het bestaan van het landgraafschap wordt echter niet algemeen aanvaard.[3] Het is immers bekend dat de Brabantgouw uiteenviel in enkele graafschappen, waaronder ook het graafschap Brussel dat dan echter een zeer smalle strook tussen de Zenne en de Dijle geweest zou zijn. Bovendien kunnen de bekende indelingen uit latere eeuwen niet bevestigen dat het gebied ten westen van de Zenne voordien afzonderlijk bestaan had; integendeel lagen het "burggraafschap Brussel" en de "ammanie van Brussel" aan weerszijden van de rivier. Bijkomend kan er gewezen worden op de begiftiging van 1084, waaruit blijkt dat de Leuvense bezittingen al tijdens het leven van Herman reikten tot Affligem. De theorie doet dus weinig af aan de klassieke visie, van onder meer Charles Piot en Léon Vanderkindere, dat Affligem nog binnen het graafschap Brussel lag en dat dit graafschap al onder Leuvense controle stond sinds het huwelijk van Lambert I van Leuven en Gerberga van Neder-Lotharingen. Wanneer hun nakomelingen zich ten westen van de Zenne "graaf van Brabant" noemen, valt dit te begrijpen omdat ze daar niet optraden als "graaf van Leuven" (een restant van de Haspengouw) maar als "graaf van Brussel" (een restant van de Brabantgouw).

Naast de geografische bezwaren wordt ook gewezen op het beperkte bronnenmateriaal waarop de theorie berust. De titel "landgraaf" en het territorium "Brabant", ondanks het aanzien dat eraan toegeschreven wordt, worden amper aangewend in de historische bronnen. Gedurende de 12e eeuw noemden de graven zich meestal gewoon "graaf" gevolgd door "van Leuven" of "van Lotharingen".[4] De zeldzame vermeldingen van "landgraaf" en "Brabant" stammen bovendien hoofdzakelijk uit kopieën uit latere periodes. De associatie met "Brabant" werd pas 200 jaar later stelselmatig, doordat Jan I zijn hoofdresidentie verplaatste van Leuven naar Brussel. Net zoals de vermeldingen ten westen van de Zenne, moet "Brabant" daarbij opgevat worden als een totum pro parte voor het graafschap Brussel.

Om "graafschap Brabant" te interpreteren gedurende de 11e eeuw, wordt veel belang gehecht aan vermeldingen zoals castrum Eiham cum provincia Brabantensi ("de burcht te Ename met het gebied Brabant") in een keizerlijk diploma uit 1015. Zij bevestigen dat de titel "graaf van Brabant" – nadat de Brabantgouw grotendeels ingelijfd was bij het graafschap Leuven en het graafschap Bergen – in zwang bleef voor het markgraafschap Ename, als laatste restant van de Brabantgouw. Rond 1015 werd Godfried van Verdun in enkele bronnen "van Ename" genoemd. Wanneer Herman II van Lotharingen later optrad als "graaf van Brabant", betrof het mogelijk nog datzelfde gebied, dat hij in dat geval geërfd had van Godfried die tenslotte zijn overgrootvader langs moederszijde was.

Bronnen

  1. F.J. Van Droogenbroeck (2004). De betekenis van paltsgraaf Herman II voor het graafschap Brabant – in Eigen Schoon en De Brabander 87.
  2. F.J. Van Droogenbroeck (2004). Het landgraafschap Brabant en zijn paltsgrafelijke voorgeschiedenis – in Anecdota Belgarum Historica 1.
  3. Lisa Demets (2017). Discours, macht en legitieme autoriteit in de oorkonden van de hertogen van Brabant (1106-1248) – in Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis 95, deel 2, p. 199-201 en voetnoot. DOI:10.3406/rbph.2017.9031
  4. Lisa Demets, ibidem.