Lambert Hendricksz

Lambert Hendricksz
19e-eeuws portret van Lambert Hendricksz.
19e-eeuws portret van Lambert Hendricksz.
Geboren 1550
Brielle
Overleden 17 maart 1625
Rotterdam
Rang Viceadmiraal
Eenheid Marine

Lambert Hendricksz, meestal Mooy Lambert genoemd (Brielle, 1550 - Rotterdam, 17 maart 1625), was een kapitein en later viceadmiraal in dienst van de Admiraliteit van Rotterdam. Hij was vooral actief in het konvooieren van koopvaardijschepen in Het Kanaal en op de Middellandse Zee en in het bestrijden van zeeroverij. In 1607 nam hij deel aan de Zeeslag bij Gibraltar en in de jaren 1616 tot 1620 leidde hij voor de Staten-Generaal militaire expedities tegen de Barbarijse zeerovers.

Duinkerker kapers

Gerbrandtsen en Hendricksz blokkeren Duinkerken in 1605.

Lambert Hendricksz, ook wel Lambrecht Hendriksz. Verhouven genoemd, begon zijn loopbaan bij de koopvaardij en klom al snel op tot schipper. Hij kocht in 1588 een huis in Rotterdam en nam enkele jaren later dienst bij de Admiraliteit van Rotterdam, destijds Admiraliteit van de Maze genoemd en een van de vijf voorlopers van de huidige marine. Die hield zich in die tijd bezig met het beschermen van de koopvaardij door het begeleiden van konvooien en het patrouilleren (kruisen) op bekende scheepvaartroutes. Met name tegen Spaanse oorlogsschepen en de Duinkerker kapers: particuliere reders in Duinkerken onder gezag van de Spaanse landvoogd, die hen kaperbrieven had verstrekt. Ze brachten vooral veel schade toe aan de visserij, een van de pijlers van de economie van de Republiek. Ook Engelsen die na afloop van de zeeoorlog tegen Spanje een nieuwe loopbaan als piraat waren begonnen maakten de Noordzee en het Kanaal onveilig. Hendricks nam als kapitein, zoals schippers bij de admiraliteiten heetten, deel aan de blokkades van Duinkerken. In de winter van 1605 onderschepte hij met de viceadmiraal van Holland Jan Gerbrandtsen drie Duinkerkers die ‘s nachts door de blokkade probeerden te komen. Samen met Gerbrandtsen veroverde hij het schip van de Duinkerker admiraal Adriaan Dirksen, die daarbij sneuvelde.[1] Het schip (‘een van haer treffelycxste schepen‘) werd door Gerbrandtsen naar Enkhuizen gebracht. Aangezien de Duinkerker kapers sinds 1587 in opdracht van de Staten-Generaal als zeerovers behandeld moesten worden werd een groot deel van de bemanning aan wal opgehangen, 'andere roovers tot een schrick'.[2] Dit zorgde voor veel verontwaardiging in Vlaanderen, zodat men met gelijke munt ging terugbetalen.

Zeeslag bij Gibraltar

De Zeeslag bij Gibraltar.

In 1606 maakte Hendricksz deel uit van de vloot van de luitenant-admiraal van de Admiraliteit van Zeeland Willem de Zoete, die voor de Spaanse kust het uitvaren van Spaanse en Portugese koopvaarders moest beletten. Hendricksz’ schip kreeg echter een lek, waardoor hij in een Engelse haven moest achterblijven. Het lukte hem wel een Spaanse bark te veroveren. In 1607 maakte hij als schout-bij-nacht met vijf Rotterdamse schepen deel uit van de vloot van Jacob van Heemskerck naar Spanje, en streed met hem in de Zeeslag bij Gibraltar tegen de Spaanse vloot. Heemskerck met de Aeolus en Hendricksz met de Tijger veroverden het Spaanse vlaggenschip San Agustin. De slag eindigde in een klinkende overwinning voor de Nederlanders, ondanks dat Van Heemskerck sneuvelde. Een groot deel van de Spaanse galjoenen werd vernietigd. Hendricksz werd door de Staten-Generaal op 7 september voor zijn getoonde moed bij Gibraltar en andere zeegevechten beloond met een gouden bootmansfluitje. Hij wordt ook meerdere malen genoemd in het bekende lofdicht uit die tijd Triumphe van den Slach van Heemskerck.[3] Een brief van Hendricksz aan de Admiraliteit van Rotterdam met een kort verslag van de zeeslag is bewaard gebleven.[4]

Barbarijse zeerovers

Heemskerck en Hendricksz vallen de San Agustin aan in de Zeeslag bij Gibraltar.

Ondanks ingang van het Twaalfjarig Bestand in april 1609 bleven de kapers van Duinkerken nog een poos actief, en Hendricksz kreeg dat jaar het commando over zes schepen om in het Kanaal op de bekende scheepsroutes te kruisen en vooral uit te zien naar de retourvloot van de VOC, met name 'die gemeenelijck zeer vermoyt, geharrasseert ende gedebiliteert aencommende, mitsdien wel groot peryckel souden geraken te loopen van genomen te werden'.[5]

Het bestand leidde tot een opleving van de Nederlandse straatvaart: de handel op de Middellandse Zee via de Straat van Gibraltar. Met hun lage vrachtprijzen trokken Nederlandse schepen de handel voor een groot deel naar zich toe, ten koste van de Venetianen, Fransen en Engelsen.[6] Hendricksz hield zich bezig met het konvooieren van de schepen. Er werd op hen gejaagd door islamitische piraten, de zogeheten Barbarijse zeerovers, die vooral opereerden vanuit Algiers aan de Noord-Afrikaanse kust. Algiers viel nominaal onder gezag van het Ottomaanse rijk en men sprak er Turks, maar in de praktijk was het zelfstandig. Het hield zich op grote schaal bezig met zeeroverij op de Middellandse Zee, waarbij de bemanningen van de veroverde koopvaarders en vissers op de slavenmarkt van Algiers werden verkocht. Geschat wordt dat de Algerijnen tussen 1520 en 1660 ongeveer drieduizend Europeanen per jaar tot slaaf maakten. Daarna daalde dat tot tweeduizend per jaar, tot aan 1830.[7] In oktober 1611 werd Hendricksz viceadmiraal van de vloot van 17 schepen onder admiraal Willem de Zoete die door de gezamenlijke admiraliteiten naar alle 'schuilhoeken' van de zeerovers werd uitgestuurd. De vloot voer tot de Canarische Eilanden maar trof nauwelijks zeerovers aan omdat die al lang tevoren gewaarschuwd waren. Alleen Hendricksz wist op 23 februari een Algerijns piratenschip te verschalken bij Cadiz.[8] In 1612 had hij weer het commando in het Kanaal. Herhaaldelijk klaagde hij dat de schepen van zijn blokkadevloot afwijkende opdrachten hadden meegekregen van hun respectievelijke admiraliteiten.

Engelse piraten

In 1614 bestreed Hendricksz Engelse piraten, die op verscholen plekken langs de grillige kusten van Wales en Ierland versterkte kampen hadden. Koning Jacobus I van Engeland schatte dat de piraten wel honderd schepen hadden maar was niet bij machte hen te bestrijden. Hij had daarom in 1611 de Republiek toestemming gegeven om dat te komen doen in Engelse wateren. Er bestond echter onduidelijkheid over wat er met de buit van ingerekende piraten moest gebeuren. Jacobus wilde dat die aan de Engelse autoriteiten werd overhandigd, terwijl de Staten-Generaal de voorkeur gaven aan restitutie aan de gedupeerden. In 1614 kreeg Hendricksz samen met Jacob Janssen van Edam bij Cork Harbour een piratenschip te pakken. Dat vloog daarbij in brand, en een aantal piraten werd doodgeslagen door matrozen toen ze naar het strand probeerden te zwemmen. Wat aan buit gevonden werd werd meegenomen. Ook enkele beambten van Jacobus waren bij de actie omgekomen. De Staten-Generaal riepen Hendricksz daarom op zich snel 'van de custe maecken, om vande schepen vanden Coninck nyet achterhaelt te worden'. Er volgde een rechtszaak die drie jaar duurde. De Staten-Generaal achtten zich niet verantwoordelijk voor wat Hendricksz gedaan had, zodat hij uiteindelijk uit eigen zak schadevergoeding moest betalen aan de Engelse klagers.[9] Ook de kapiteins Cleuter en Pellecoren veroverden een schip dat naar Bergen gevlucht was en brachten veertig gevangen genomen Engelsen over naar Amsterdam. Deze daden werden vereeuwigd in destijds wijdverspreide pamfletten.[10]

Met consul De Keyser naar Algiers

Door de Barbarijse zeerovers gevangen christenen worden verkocht op de slavenmarkt van Algiers.

In april 1616 bracht Hendricksz met drie schepen Wijnand de Keyser naar Algiers. Hij werd daar de eerste Nederlandse consul, met als taak om 'eenich accort over de vrye vaert vande schepen uyt dese Vereenichde Nederlanden varende, aen te gaan' en Nederlandse slaven vrij te krijgen zonder betaling van losgeld. Hendricksz mocht tijdens de onderhandelingen geen actie ondernemen tegen Algerijnse schepen, behalve uit zelfverdediging. Werden in dat geval gevangenen gemaakt dan mochten zij ook niet als zeerovers behandeld worden, te weten ‘de voeten gespoeld’ (overboord gegooid). Hij moest proberen ze te ruilen tegen Nederlandse gevangenen. De Keyser werd in januari 1617 afgezet in Algiers. Hij wist met zijn consulaat wel een vaste plek te verwerven in de Algierse politiek maar kreeg weinig gedaan. Hendricksz was niet tevreden over hem en rapporteerde later aan de Staten-Generaal: ‘soo es dito Weynant Ceyser de man, dye onse natie geen goet doen en sal’.[11] Omgekeerd was De Keyser wel over Hendricksz te spreken. Hij schreef de Staten-Generaal op 5 november 1617: '... ende moete den capiteyn Moyen Lambert daerinne prijsen: hy en is geen vrint van in de haevenen te liggen, maer in aller manieren soeckt syn reyse te voorderen, ende waere goet allegaeder soo deden, het soude niet laeten dapper proffytelyck te wesen voor 't lant'. [12] Hendricksz was in april 1617 terug in de Republiek.

Militaire expedities naar de Middellandse Zee

Algiers eind 16e eeuw.

In het seizoen 1617-1618 werd voor het eerst een grote vloot van acht schepen met Hillebrandt Quast en Jan Pellecoren naar de Middellandse Zee uitgezonden om de zeerovers te bestrijden. Geen enkele Europese mogendheid had tot dan toe een dergelijke actie zelfs maar overwogen.[13] De vloot had echter weinig succes omdat de piraten ver uit de buurt bleven. In Algiers kon slechts een beperkt aantal slaven bevrijd worden door een gevangenenruil. De zeeroverij nam dat jaar nog verder toe. Het bleek moeilijk te zijn om de piraten te bestrijden zonder een permanente aanwezigheid van grote eskaders ter plaatse.

Hendricksz' eerste tocht (1618-1619)

Begin 1618 besloten de Staten-Generaal, aangespoord door veel kooplieden, om een oorlogsexpeditie tegen Algiers te ondernemen. Stadhouder Maurits stelde Lambert Hendrikcksz voor als bevelhebber van de vloot, die nog aangevuld moest worden met de schepen van Quast. Hendricksz ontving op 2 mei de instructie om met ‘continuele tochten de roovers te soucken, gantsch ende gaer te destrueren ofte onder hen soodanigen schrik ende vreese te veroosaecken, dat zij hen nyet meer op zee zullen derven begeven'. Naast het bestrijden van de piratenvloot op zee kreeg hij ook opdracht om de ‘practijcken van de selve in de havens in brant te steecken ofte schieten’.[14] Op ieder schip van de vloot voeren 80 zeelieden en 20 soldaten. Hendricks’ vlaggenschip, de Leeuwinne, had een bemanning van 120 en was bewapend met zestien bronzen en acht ijzeren kanonnen, twee bronzen bassen en acht ijzeren steenstukken. Kwartiermeester op de Leeuwinne was de jonge Maarten Harpertsz. Tromp.[15]

Barbarijse galeien.

Eind juni bevond Hendricksz zich met negen schepen bij Gibraltar. Spoedig naderde vanuit het westen een Algerijnse vloot die op de Canarische Eilanden vrouwen en kinderen had geroofd. Op 2 en 3 juli vond een chaotische zeeslag plaats waarin ieder schip de dichtstbij zijnde tegenstander najoeg en na een beschieting probeerde te enteren. Hierbij werd samengewerkt met een Spaanse vloot van negen schepen onder bevel van Miguel de Vidazabal.[16] Volgens Hendricksz werden elf of twaalf van de twintig Algerijnse schepen vernietigd. De zeerovers werden overboord gegooid. Alleen scheepsjongens werden gespaard. Eén schip vloog in brand, met piraten, slaven en de Nederlandse en Spaanse enterploegen er nog op. De meesten, inclusief achttien Nederlanders, overleefden dat niet. Bevrijdde Europese roeislaven boden aan hun plaatsen in te nemen. Anderen werden met de Canarische vrouwen en kinderen afgezet in de Spaanse stad Málaga.

Met inmiddels dertien schepen voer Hendricksz nog langs Algiers en vuurde een aantal salvo’s af op de stad. Een dertigtal Algerijnse schepen lag achter het havenhoofd en schoot terug. Ook vanuit de stad werd geschoten. Hendricksz' schip werd geraakt door een grote stenen kogel die dwars door zijn kajuit vloog en daarbij zijn geldkist en gouden ketting in stukken schoot. De kogel bleef vastzitten in het schip.[17]

Hendricksz achtte zijn scheepsmacht te klein om een aanval op Algiers te ondernemen. Hij voer nog naar Tunis, waar vanaf het fort direct op de vloot geschoten werd. Een stuurman en twee matrozen kwamen daarbij om. De stuurman werd opgevolgd door Maarten Tromp.[18] De volgende dag vertrok de vloot, en was begin 1619 weer terug in de Republiek. De Keyser kwam door Hendricksz' acties in de problemen. Het consulaat werd geplunderd en hij bracht enkele maanden in de gevangenis door totdat hij zich kon vrijkopen.

Quast kwam met zijn schepen pas in maart 1619 aan bij Málaga, te laat om Hendricksz nog van dienst te zijn. Wel brachten hij en De Keyser in juni 1619 een wapenstilstand van zes maanden tot stand tussen de Republiek en Algiers. In de praktijk zetten de Algerijnen hun activiteiten gewoon voort, deels door uit te wijken naar Tunis en Salé. Geschat wordt dat tussen 1617 en 1625 ruim 200 Nederlandse schepen door de Barbarijse zeerovers werden gekaapt, ondanks de in de Middellandse Zee opererende eskaders van Hendricksz en anderen.[19]

Hendricksz' tweede tocht (1619-1620)

De prent van Jan Luyken van de vloot van Lambert Hendricksz voor Algiers.

In augustus 1619 werden er plannen gemaakt om met een zomer- en een wintervloot van ieder dertien schepen de grote scheepvaartroutes op de Middellandse Zee permanent te gaan bewaken. Lambert Hendricksz voer in november weer uit als commandeur van een vloot van twaalf schepen. Hij kreeg opdracht eerst naar Algiers te zeilen om nogmaals te proberen een verdrag te sluiten, en als dat niet lukte Nederlandse slaven te bevrijden door ze te ruilen tegen een zestigtal Algerijnse slavenhalers die eerder voor de kust van Portugal gevangen waren genomen. Zelfs hun schip zou teruggegeven worden, ook al was het oorspronkelijk van Nederlanders gekaapt. Onderweg werd eind februari 1620 bij Alicante nog een piratenschip veroverd door de kapiteins Valck en Pellecoren, waarbij nog eens 84 gevangenen werden gemaakt. Onder hen waren de kapitein Selim Reis en andere voorname Algerijnen. Op 4 maart verscheen de vloot voor Algiers. Twee gezanten gingen aan wal maar werden aan het lijntje gehouden en slaagden er niet in een verdrag te sluiten. Slechts omdat men zelf gevangenen had om te ruilen kreeg men een groep Nederlanders vrij. De meesten bleven achter in slavernij. Hendricksz hees daarop de rode vlag en voer weg om te kruisen op zee, maar door langdurige windstiltes lukte het niet om nog meer roofschepen te achterhalen.[20] In het najaar van 1620 was Hendricksz weer terug in de Republiek. Zijn acties in deze jaren werden in Europa geprezen in pamfletten en in aangedikte vorm beschreven door de Fransman Pierre Dan in zijn boek Histoire de Barbarie et de ses corsaires van 1637. Dan plaatst de acties ten onrechte in 1624 en beweert dat Hendricksz 125 zeerovers in het zicht van de Algierse haven aan de ra's van zijn schepen liet ophangen, waarvan Jan Luyken een prent maakte voor de Nederlandse editie van 1684. In werkelijkheid heeft dit niet plaatsgevonden.

Het volgende en voorlopig laatste Nederlandse eskader vertrok in december 1620 en stond onder bevel van Willem de Zoete, met Jochem Swartenhondt als viceadmiraal. De zeerovers waren echter nergens te bekennen en de tocht mondde voornamelijk uit in vlagvertoon. In april 1621, met het aflopen van het Twaalfjarig Bestand, verliet de vloot met wel vijftig koopvaarders de Middellandse Zee en bracht allen veilig terug in de Republiek. Het hernieuwde Spaanse embargo voor Nederlandse schepen en goederen rond Spanje leidde tot de instorting van de Nederlandse handel op de Middellandse Zee.[21]

Nogmaals de Duinkerkers

'Gewapend onrecht wordt verdronken'. Penning geslagen ter ere van Hendricksz' overwinningen op de Middellandse Zee, 20 februari 1620.

Hendricksz was intussen in juni al weer ingezet als commandeur van de vloot tegen de Duinkerker kapers, die hun activiteiten na afloop van het bestand met Spanje hadden hervat met drie keer zoveel schepen als voorheen. Zich als schipbreukeling voordoende kapers voerden zelfs landingen uit op de Zeeuwse en Hollandse kust om her en der te roven en te plunderen. In oktober 1622 voerde Hendricksz een gevecht met drie schepen die onder dekking van mist vanuit Oostende door zijn blokkade probeerden te breken. De Sint Vincent werd daarbij veroverd, waarop de kapitein Jan Jacobsen zijn schip liet ontploffen. Het was eigenlijk verplicht de 32 overlevenden de voeten te spoelen maar er werd hen ‘goed kwartier’ beloofd. Bij marinemensen ontstond steeds meer weerzin tegen de praktijk van het voeten spoelen, dat er bovendien toe leidde dat de Duinkerkers hetzelfde deden met de bemanningen van gekaapte vissersschepen. Ondanks de belofte op lijfsbehoud werden 22 kapers later in Rotterdam en Enkhuizen op last van de autoriteiten alsnog geëxecuteerd. Dit was een soortgelijk geval als Hendricksz' verovering van Adriaan Dirksens schip in 1605. De landvoogdes Isabella liet als represaille 22 Nederlanders in Duinkerken terechtstellen.[22]

Hendricksz klaagde net als destijds over de verschillende opdrachten die kapiteins van zijn vloot van hun admiraliteiten hadden meegekregen, waarop de Staten-Generaal de admiraliteiten nadrukkelijk verboden hun schepen voor andere doeleinden in te zetten. Alle kapiteins moesten voortaan uitsluitend bevelen opvolgen van de commandeur van de blokkadevloot.[23]

Op 6 mei 1624 werd Hendricksz benoemd tot viceadmiraal van Holland, een rol die hij in de praktijk al vele jaren vervulde zonder vast inkomen, omdat hij als kapitein steeds was ingehuurd. Dat hij nu pas een vaste aanstelling kreeg is typerend voor het zuinige beleid van de admiraliteitsbesturen.[24] Voor een gevecht tegen Duinkerker kapers bij Duins, waarbij hun vlaggenschip werd veroverd, werd hij op 25 oktober door de Staten-Generaal beloond met een gouden medaille. Een half jaar later overleed hij op de destijds hoge leeftijd van 74. Hij werd begraven in de Grote Kerk van Rotterdam, in het koor, met een mooie grafsteen verzorgd door de Admiraliteit van de Maze, waar hij bijna veertig jaar in dienst was geweest.[25] Hij ligt er begraven samen met zijn echtgenote Neeltje Aerts. Het opschrift op zijn grafsteen begint met de regels:

Hier leidt in 't graf een held manhaft, Mooy Lambert Hendrickszoon,

die in zijn tijd tot Spanjaars spijt haar trots heeft het hoofd geboon.

Zijn deftigheid was ook verbreid onder de Turkse natie,

die hij dikwijls met zijn metaal verwon in korte spacie.[26]

Hendricksz' dochter Aertje, eerst getrouwd met een bekende Rotterdamse zeilmaker en schepen, hertrouwde na diens dood in 1634 met Joost van Coulster, burgemeester van Rotterdam en bewindhebber in de VOC-Kamer Rotterdam. Een teken van de sociale stijging van zeeofficieren in die tijd.[27]