Krimpje

Krimpje, krimpjeswoning of krimpenwoning is een benaming voor een specifiek type woning (meestal een koopwoning), dat in Noord-Nederland werd gebouwd voor landarbeiders. Dit gebeurde vaak in het kader van de Landarbeiderswet van 1918. Men spreekt in Groningen ook wel over "arbeiderswoningen".
De term is niet historisch, maar wordt door bouwhistorici gebruikt om een specifiek type woning te beschrijven.[1]
Woningen van het krimpjestype kenmerken zich door inspringende, hoge voorgevel onder zadeldak, die plaats biedt aan een woonkamer met hoge ramen. De rest van het gebouw is breder met een doorlopend dak en lagere zijmuren, soms met nog een tweede verbreding ter hoogte van het schuurgedeelte.
Model hiervoor stonden de boerderijen van het Oldambtster type, die zich eveneens kenmerken door krimpen of sprongen, dat zijn inspringende gevels die het mogelijk maakten het voorhuis van hogere woonruimtes, kelders en zolders te voorzien. Volgens Kornelis ter Laan is het de "inspringende hoek hoek tussen twee muren" en tevens de naadse hoek waar twee daken bij een krimp samenkomen. Hier waren de krimppannen te vinden.[2] Dit woord krimp is bekend sinds de 17e eeuw. Het Ommelander Landrecht van 1618 spreekt over openslaande vensters in krimpen, dat is boven een hoek grond die iemand anders toebehoort. Een krimp is hier dus een hoekje grond of een binnenplaats, deels omsloten door een naburig gebouw. In Termunterzijl is in 1678 sprake van een behuisinge met de schuyre, mande muyren (d.i. stenen in gemeenschappelijk bezit) ende krimpen. Bij watermolens wordt de ruimte tussen de muren waarin het scheprad hangt, een krimp genoemd.
De arbeiderswoningen die gefinancierd werden via de Landarbeiderswet 1918 hadden over het algemeen een grote moestuin met aardappelland (een 'plaatsje'), waardoor de bewoners beter in hun eigen voedselvoorziening konden voorzien of zelfs groente voor de markt konden verbouwen. In Noord-Groningen werden ze vaak voor tuinders gebouwd.
Krimpjes werden veel gebouwd in de provincies Groningen, Drenthe en Friesland (waar ze vaak (boeren)spultsjes werden genoemd). Mogelijk vanwege de gelijkenis werden ze soms ook wel keuterijtjes genoemd.[3] Veel van deze woningen verrezen in de jaren 1920 en 1930. In latere decennia werden dergelijke huizen vanwege de beperkte ruimte vaak vergroot, zodat ze niet altijd meer als 'krimpje' herkenbaar zijn. Enkele krimpjes zijn aangewezen als rijksmonument.
Externe link
- Els Zwerver, Krimpenwoningen: van arbeidershuisje tot villa. De verhalen van Groningen.
- Woningbouwvereniging Opsterland in Nij Beets (1920-2002). Canon van Beets.
Literauur
- Peter Karstkarel, 'Arbeidershuisjes in het Friese landschap', in: Noorderbreedte 26 (2002), p. 3, 16-19
- Libau, Concept dorpsbebouwing in Groningen, Groningen 2011
Krimpje in gebruik als garage aan de Hoornsedijk
- ↑ Oudste vermeldingen: Ronald Stenvert et al., Monumenten in Nederland. Groningen, Zeist / Zwolle 1998, p. 219 (krimpjestype). Peter Karstkarel en Luuk van der Veen, Van krimpjeswoning tot trefkûle. Over de geschiedenis en de woningen van Woningbouwvereniging Opsterland, 1920-2002, Franeker 2002.
- ↑ Kornelis ter Laan, Nieuw Groninger woordenboek, 1929, p. 469.
- ↑ Zie bijvoorbeeld deze 19e-eeuwse keuterij in het Groningse Midwolda.