Konstantínos Kaváfis

Konstantínos Kaváfis
Κωνσταντίνος Πέτρου Καβάφης
Konstantínos Kaváfis
Algemene informatie
Geboortedatum 29 april 1863Bewerken op Wikidata
Geboorteplaats Alexandrië
Overlijdensdatum 29 april 1933Bewerken op Wikidata
Overlijdensplaats Alexandrië
Doodsoorzaak larynxcarcinoomBewerken op Wikidata
Begraafplaats Grieks-Orthodoxe begraafplaats van Alexandrië[1]Bewerken op Wikidata
Wijze van overlijden natuurlijke doodBewerken op Wikidata
Werk
Beroep dichter[2]Bewerken op Wikidata
Werkplaats Liverpool
Bekende werken The Cavafy Publications (1891-1932)
Familie
Vader Petros Ioannēs
Moeder Xαρίκλεια Φωτιάδη
Persoonlijk
Etniciteit Grieken in Egypte
Woonplaats Alexandrië
Talen Engels, Frans, Nieuwgrieks
Moedertaal Grieks
Schrijftaal Nieuwgrieks, Frans
Diversen
Archieflocatie(s) Alexander S. Onassis Foundation[3]Bewerken op Wikidata
handtekening
De informatie in deze infobox is afkomstig van Wikidata.
U kunt die informatie bewerken.
Portaal  Portaalicoon   literatuur

Konstantínos Petros Kaváfis (Grieks: Κωνσταντίνος Πετρος Καβάφης, Konstandínos Petrou Kavafis) (Alexandrië, 29 april 1863 – aldaar, 29 april 1933) was een Griekse dichter die behoorde tot de Nieuwgriekse letterkunde. Pas na zijn dood kreeg hij wereldwijde waardering voor zijn gedichten over de liefde en over belangrijke historische gebeurtenissen.[4]

Leven

Kaváfis werd geboren te Alexandrië (Egypte) op 29 april 1863, als jongste zoon in een welgestelde Griekse koopliedenfamilie. Zijn beide ouders waren afkomstig uit het toenmalige Constantinopel. Zijn vader maakte fortuin met de in- en export van producten naar Engeland. Nadat deze in 1870 overleden was vertrok het gezin naar Liverpool, waar Konstantinos een deel van zijn jeugd doorbracht en een Engelse opvoeding ontving. Hij schreef zijn naam in het Engels als Constantine P. Cavafy, en zo is hij in dit taalgebied bekend gebleven.

Na in 1877 te zijn teruggekeerd naar Alexandrië, moest Chariklia Kaváfis in 1882 andermaal met haar kinderen de stad verlaten, wegens onlusten in het Egypte onder Britse overheersing. Zij ging bij haar vader in het Ottomaanse Constantinopel wonen. Na enige tijd keerde zij naar Alexandrië terug, waar Kaváfis tot haar dood in 1899 bij zijn moeder bleef inwonen. Hij was homoseksueel en is nooit gehuwd geweest.

Het familiefortuin smolt sinds de dood van zijn vader langzaam weg. Kafávis had eerst de Britse nationaliteit en werd in 1892 Grieks staatsburger. In datzelfde jaar ging hij werken als ambtenaar bij het ministerie van irrigatie. Deze saaie en onderbetaalde baan heeft hij dertig jaar volgehouden. Hij overleed te Alexandrië aan strottenhoofdkanker, precies op zijn zeventigste verjaardag, op 29 april 1933.

Dichter

Op zijn twintigste begon Kaváfis verzen te schrijven. Hij publiceerde zijn gedichten op losse bladen, die hij slechts aan goede vrienden bezorgde. Uiterst zelfkritisch en voortdurend twijfelend aan zijn dichterlijk talent, achtte hij veel werk niet rijp voor publicatie, behalve in een aantal lokale kranten. Soms voegde hij de losse bladen samen tot een bundeltje, maar tijdens zijn leven is geen enkele officiële dichtbundel van hem verschenen. Hij schreef zijn gedichten in Alexandrië in het Grieks. Zijn zwervende bestaan vormde de grondslag van het kosmopolitische karakter van Kaváfis' gedichten.[5]

Het gehele oeuvre van Kaváfis, dat 155 gedichten omvat, werd pas in 1935 postuum gebundeld. Het werk kenmerkt zich door een sobere, suggestieve stijl, die de prozavorm benadert. Kenmerkend zijn verder de nostalgie en de (homo-)erotiek in de persoonlijke gedichten, en de decadente schoonheid van historische onderwerpen die hij op een suggestieve manier schildert. Zijn belangrijkste werk gaf hij pas vrij voor publicatie nadat hij de veertig al gepasseerd was, en mede daarom noemde hij zichzelf een 'dichter van de oude stempel'.[5]

Kaváfis omschreef zichzelf als een dichter/historicus en putte uit de Griekse geschiedenis, lopend vanaf de val van Troje, tot aan de ondergang van het Byzantijnse Rijk. Als geen andere stad had 'zijn' Alexandrië, als literair en intellectueel centrum van het Middellandse Zeegebied, zowel roem als neergang gekend. Bij belangrijke historische momenten voert Kaváfis regelmatig een betrokkene op, die als het ware een ooggetuigeverslag geeft en de lezer de mogelijkheid geeft mee te leven met de tijd van toen. Vooral na de Tweede Wereldoorlog is de belangstelling voor zijn werk sterk toegenomen. Aan sommige van zijn gedichten wordt eeuwigheidswaarde toegekend.

Wachten op de barbaren

Het meest vermaarde gedicht van Kaváfis heeft als titel Wachten op de barbaren. Het is geschreven in 1898 en voor het eerst gepubliceerd in 1904.

Het gedicht speelt zich af op een immens plein in een niet met name genoemde stad uit de Oudheid. Een menigte is samengedrongen in angstige afwachting van de komst van onbekende barbaren. De machthebbers weten zich geen raad en nemen zich voor om in ieder geval een overeenkomst op perkament op te stellen, met de nodige eerbewijzen en titels voor de vreemdelingen. Duidelijk is wel dat praten geen zin meer heeft, want de barbaren "hebben een hekel aan welsprekendheid en discussies in het openbaar".[6]

Uiteindelijk verspreidt de menigte zich, de straten lopen leeg en de burgers wachten af, want "de avond is gevallen en de barbaren zijn niet gekomen." Men vraagt zich, wat er van hen moet worden zonder de barbaren, want misschien hadden zij wel een oplossing voor de problemen.

Waar wachten wij op, bijeengekomen op de agora?
Op de barbaren die vandaag komen.
Waarom wordt in de Senaat niets gedaan?
Zitten de Senatoren daar zonder wetten te maken?
Omdat de barbaren vandaag zullen komen
Waarom zouden de Senatoren dan nog wetgeven?
Dat zullen de barbaren doen wanneer ze zijn gekomen.[7]

In 1980 verscheen de gelijknamige roman Waiting for the barbarians van de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee, die sterk verwijst naar regels uit Kafávis gedicht.[8]

Velen beschouwen dit gedicht als een metafoor, onder wie Ilja Leonard Pfeiffer, die stelt dat moslims de moderne 'barbaren' zijn, want zij vervullen de behoefte aan een gemeenschappelijk vijand in donkere tijden.[9] Ook in 2020 kopt NRC Handelsblad dat "de barbaren van de andere kant komen." In dit geval is het een verwijzing naar de vluchtelingen die Europa proberen te bereiken.[10]

Culturele kaalslag, gemis aan politieke daadkracht en het verlangen naar desnoods een hevige crisis om de impasse te doorbreken, zijn favoriete thema’s van Kavafis. Hij had grote bewondering voor politici die het juiste probeerden te doen, hoewel zij wisten dat hun missie weinig kans maakte. Zij staan te boek in de geschiedenis als de 'verliezers'. De grootste deugden voor politici zijn, volgens Kaváfis, realiteitszin en het vermogen een nederlaag in alle rust te accepteren.[6]

De liefde en de dood

Naast filosofisch getinte gedichten spelen de liefde en de dood een belangrijke rol in het werk van Kaváfis. Zijn homoseksualiteit bezingt hij in vele gedichten, met name zijn voorkeur voor efebes. Tegelijkertijd uit hij zijn heimwee naar teloorgegane schoonheid, zoals in Herinner je lichaam, uit 1918.[11]

Eén van de beroemdste gedichten van Kaváfis is Ithaka, verwijzend naar het eiland in Homerus' Odyssee, waarnaar Odysseus na tal van omzwervingen uiteindelijk terugkeerde. Iedere reiziger dient zo lang mogelijk over de reis te doen, want het gaat niet om de bestemming, maar om de weg ernaartoe, net als het leven zelf.[12] Ithaka werd voorgelezen tijdens de begrafenis van Jacqueline Kennedy Onassis.[13]

Ithaka vormt de basis van Otto Kettings Engelstalige opera Ithaka uit 1986.

De vraag of de lezer Kaváfis door zijn gedichten werkelijk als persoon leert kennen, beantwoordt hij zelf in zijn gedicht Verborgenheden:

Laat niemand uit wat ik deed en zei proberen af te leiden wie ik was.
Er was een belemmering, die vervormde de daden en de wijze van mijn leven.
Er was een belemmering, die weerhield mij vele keren als ik wou gaan spreken.
Mijn meest onopgemerkte daden, en mijn meest verhulde geschriften – daaruit alleen zal men mij begrijpen.[14]

Vertalingen in het Nederlands

Κρυμμενα (Verborgenheden) van Kaváfis op een muur in Leiden

Een eerste vertaling in het Nederlands verscheen in 1934 van de hand van G.H. Blanken: Vijf en twintig verzen van Konstandinos P. Kavafis. Twintig jaar later verscheen een herziene en uitgebreide druk. Op instigatie van de uitgever Johan Polak zette Blanken zijn vertaling voort. In 1977 kwam het complete werk uit bij Athenaeum-Polak & Van Gennep (laatste druk 2004). Een alternatieve vertaling van de gedichten door Hans Warren en Mario Molegraaf kwam rond 1980 tot stand. Na enkele bibliofiele uitgaven en tijdschriftpublicaties werd het complete werk in 1984 uitgegeven bij Bert Bakker (laatstelijk 2002). Andere, meer incidentele vertalingen in boekvorm verschenen van de hand van Marko Fondse (2000) en van Ton van der Stap (2006). In 2018 verscheen het boek Eros' ambacht: Gedichten van Kaváfis. Drieënzeventig gedichten vertaald door LudovieK Jansen-Stubij, met elf tekeningen van Koes Staassen.

Zie de categorie Konstantinos Kavafis van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.