Kolenwoud

Het Kolenwoud (vertaald uit het Latijn, Silva Carbonaria) was een oerbos in het huidige België.
Het woud wordt vermeld in de Commentarii de bello Gallico en enkele vroegmiddeleeuwse teksten. De benaming verwees naar de steenkool die dagzoomde langs de zuidelijke bosrand. Over de ligging van het woud hebben verschillende interpretaties bestaan. In elk geval strekte het zich uit over Midden-België, dat toen nog niet ontgonnen was tot landbouwgrond. De vruchtbare laagvlakten rond de Schelde, Demer, Gete, Jeker en Samber waren wel al enigszins bewoond en vormden de overgang met andere oerbossen zoals de Ardennen.
Twee Romeinse wegen liepen dwars door het woud: Bavay-Velzeke en Bavay-Asse. Na de aankomst van de Salische Franken in de Scheldevallei (midden 5e eeuw) begonnen deze aan ontbossingen ten behoeve van nieuwe landbouwnederzettingen. Ook vanuit het zuiden werd aan ontginningen gedaan, niet alleen door boeren maar ook door de abdijen van Saint-Ghislain, Zinnik en Nijvel. In de zone waar de noordelijke (Nederfrankisch sprekende) en zuidelijke (Picardisch sprekende) gemeenschappen elkaar ontmoetten, kwam de taalgrens tot stand.
Tegen het jaar 1000 resteerden van het woud slechts afzonderlijke bossen, die op hun beurt kleiner werden in de daaropvolgende eeuwen. Tegenwoordig gelden het Zoniënwoud, het Meerdaalbos en het Bois de Ghlin als de grootste restanten.
Bronnen
- H. Vander Linden (1923). La forêt Charbonnière – in Revue belge de Philologie et d'Histoire 2, deel 2.
- M. Dierickx (1939). Het ontstaan van de Nederlands-Franse taalgrens – in Streven jaargang 7, deel 6, p. 574.
- Provincie Vlaams-Brabant (2004). Ruimtelijk Structuurplan, p. 27.