Kapitaalcoup in Suriname

Kapitaalcoup in Suriname
Plaats Paramaribo
Datum 5 september 1996
Locatie Suriname
Portaal  Portaalicoon   Geschiedenis‎
Suriname

Kapitaalcoup is de term die in Suriname wordt gegeven aan de presidentsverkiezing in de Verenigde Volksvergadering (VVV) van 1996. De verkiezing was omringd door omkoping en plaatste Jules Wijdenbosch aan het hoofd van de regering.

Verkiezingen van 1996

Tijdens de verkiezingen van 1996 waren de NPS, VHP, KTPI en de SPA vertegenwoordigd in het Nieuw Front. Het was voor het eerst sinds het herstel van de democratie dat het Nieuw Front geen absolute meerderheid meer behaalde in De Nationale Assemblée (DNA). Ten opzichte van de verkiezingen van 1991 zakte het aantal zetels van 30 naar 24. De NDP behaalde weliswaar een stijging van 12 naar 16 zetels, maar verkreeg minder dan waarop was gerekend.[1] Het ontbreken van de absolute meerderheid betekende dat het Nieuw Front de steun van andere partijen nodig had om president Ronald Venetiaan aan een twee derde meerderheid te helpen. Die steun kreeg hij niet, waardoor een gewone meerderheid in de Verenigde Volksvergadering (VVV) nodig was om de president te kiezen.[2]

Verlies van NPS-achterban

Het Nieuw Front had minder succes geboekt met de eerdere strategie, gericht rond de stelling voor of tegen Desi Bouterse (NDP),[1] met nadruk op de Decembermoorden en schendingen van mensenrechten tijdens het militaire regime. De NDP-campagne was daarentegen vooral gericht geweest op nationalistische en antikoloniale sentimenten,[2] onder aanvoering van de leus Leti a faya (Ontsteek het vuur).[3] De NDP behaalde vooral grote winst in de volkswijken en onder jongeren en groeide uit tot de vertegenwoordiger van de Creoolse volksklasse, terwijl de NPS een partij werd voor de Creoolse middenklasse.[2]

Scheuring binnen de VHP

Tijdens de verkiezingen vijf jaar eerder had een deel van de VHP-achterban al laten weten dat ze weinig ophadden met Venetiaan, die de NPS-voorman zag als voorstander van het Creools nationalisme, en beschuldigde van etnocentrisch denken en racisme.[4] Lachmon ging hier niet in mee. Hij stond al met al niet open voor onafhankelijke meningen en zijn leiderschapsstijl kenmerkte zich als onbuigzaam en dictatoriaal. Deze stijl week steeds meer af van hoe zich de Hindoestaanse gemeenschap ontwikkelde.[2]

Hij raakte steeds meer verwijderd van de rijke zakenelite binnen de partij, door Venetiaan ook wel tatantula genoemd, en hun grote aanhang in het land. Zij vonden dat Lachmon geen sterke VHP-persoonlijkheden naar voren schoof omwille van de vriendschap met Venetiaan goed te houden. Hierdoor zou hij in 1987 Ramsewak Shankar en niet Pretaap Radhakishun naar voren hebben geschoven als president, en in 1991 Jules Ajodhia en niet Atta Mungra als vicepresident. Venetiaan was een sta-in-de-weg voor deze elite en met zijn tien schone vingers een obstakel voor hun zakelijke belangen. Zij voerden een stille campagne voor het presidentschap voor Lachmon. Na de verkiezingen wees Lachmon het presidentschap echter af en schonk deze aan Venetiaan als hij opnieuw DNA-voorzitter zou worden.[2]

De zakenelite moest niets hebben van deze zelfverkozen tweederangspositie. Als gevolg scheidden vijf van de negen partijleden in DNA zich van de VHP af en richtten een nieuwe partij op met de naam BVD. Omdat er met Jules Wijdenbosch beter zaken gedaan kon worden dan met Lachmon, sloten zij een bondgenootschap met de NDP.[2]

VVV omringd door omkoping

De VVV van 5 september 1996 werd gevormd door 919 leden uit voornamelijk de districtsraden en ressortraden. Voor hun functie ontvingen ze omgerekend 120 euro per maand, een bedrag zo laag dat ze voor weinig geld omkoopbaar waren. De BVD'ers, onder leiding van de rijke zakenman Atta Mungra, maakten hier dankbaar gebruik van door geld en geschenken uit te delen.[5] Ook de stemmen van de KTPI werden aan het Nieuw Front onttrokken. Met een nipte meerderheid van 31 stemmen werd Wijdenbosch gekozen tot president en Radhakishun tot vicepresident, en kreeg de bevolking een regering waarvoor ze niet had gekozen.[2] De kapitaalcoup, zoals dit later is gaan heten, was een feit.[4][5][6][7] Er volgde een periode waarin de Surinaamse drugsmaffia een onmiskenbare greep kreeg op de politiek, het opsporingsapparaat en de economie. De regering werd gekenmerkt als een regering van Baas en Bazen.[1][2]

Zie ook