Joseph R. Anderson

Joseph Reid Anderson
Brigadegeneraal Joseph R. Anderson (1861-1862)
Brigadegeneraal Joseph R. Anderson (1861-1862)
Geboren 16 februari 1813
Fincastle, Virginia
Overleden 7 september 1892
Isles of Shoals, New Hampshire
Rustplaats Hollywood Cemetery
Richmond, Virginia
Land/zijde Verenigde Staten
Geconfedereerde Staten van Amerika
Onderdeel United States Army
Confederate States Army
Dienstjaren 1836-1837 (USA)
1861-1862 (CSA)
Rang tweede luitenant (USA)

brigadegeneraal (CSA)

Slagen/oorlogen Amerikaanse Burgeroorlog
Ander werk industrieel

Joseph Reid Anderson (Fincastle, 16 februari 1813Isles of Shoals, 7 september 1892) was een Amerikaans ingenieur, industrieel, politicus en militair. Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog diende hij kort in het Confederate States Army als brigadegeneraal. Na zijn ontslag in 1862 keerde hij terug naar Tredegar Iron Works die het Zuidelijke leger van de broodnodige kanonnen en munitie voorzag. Na de Noordelijke overwinning werd zijn fabriek geconfisceerd. In 1867 kreeg hij het terug en bleef er directeur tot aan zijn dood.

Vroege jaren

Joseph Reid Anderson werd geboren op 16 februari 1813 in "Walnut Hill", niet ver van Fincastle, Virginia.[1] Hij was de kleinzoon van Schots-Ierse immigranten. Zijn ouders waren kolonel William Anderson en Anne Thomas. Kolonel Anderson had in zowel de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog als in de Oorlog van 1812 gevochten. Hij had zichzelf het vak van ingenieur en landmeter geleerd en was verantwoordelijk voor de aanleg van de turnpike die nu de U.S. Route 220 is en voor een deel opgenomen werd in de U.S. Route 60 tussen Fincastle en Covington. Zijn zoon zou later in zijn voetsporen treden.

Over de jeugd van Joseph Anderson is weinig gedocumenteerd. In 1832 werd hij toegelaten tot de United States Military Academy in West Point. Hij studeerde af in 1836 als 4de van zijn klas. Anderson werd ingedeeld bij de 3rd Artillery.[1]

Kort na zijn graduatie trad hij in het huwelijk met Sara Eliza Archer. Ze was de dochter van Dr. Robert Archer die arts was in Fort Monroe. Anderson werd op 1 juli getransfereerd naar het United States Army Corps of Engineers met de rang van gebrevetteerd tweede luitenant. Zijn hoofdtaak was de constructie van Fort Pulaski in Savannah, Georgia. Zoals voor veel officieren voor en na hem waren de carrièremogelijkheden binnen het United States Army beperkt. Daarom nam Anderson eind 1837 ontslag uit het leger en ging aan de slag als ingenieur bij Claudius Crozet. Daarna werd hij aangesteld als assistent ingenieur voor de Virginia Board of Public Works. Tussen 1838 en 1841 was hij hoofdingenieur bij de Valley Turnpike Company die een tolweg aanlegde tussen Staunton en Winchester in de Shenandoahvallei.[1]

In 1841 ging Anderson voor de Tredegar Iron Company werken in Richmond, Virginia. In het midden van de jaren 1830 was hier een kleine ijzerfabriek ontstaan die tegen 1843 al sterk uitgebreid was. In 1848 kocht Anderson de fabriek op. Net voor het begin van de Amerikaanse Burgeroorlog was het een van de grootste ijzerfabrieken in de Verenigde Staten. Er werden stoomlocomotieven, boilers, kabels, ijzerwaren en kanonnen voor de marine geproduceerd.[1]

Naast zijn industriële activiteiten zetelde Anderson tussen 1852 en 1858 in het Virginia General Assembly.

Amerikaanse Burgeroorlog

Anderson was een sterk voorstander van secessie en sterke bevoegdheden voor de individuele staten. Na het uitbreken van de Amerikaanse Burgeroorlog nam hij dan ook dienst in het Confederate States Army. In augustus 1861 kreeg hij de rang van majoor bij de artillerie. Op 3 september werd hij bevorderd tot brigadegeneraal.[1] Hij werd bevelhebber van de Zuidelijke eenheden in Wilmington, North Carolina. In april 1862 werd hij overgeplaatst naar Fredericksburg, Virginia.

Na de Noordelijke invasie op het schiereiland bij Richmond werd Anderson bevelhebber van de 3de brigade in de nieuw gevormde Light Division van generaal-majoor A.P. Hill. Tijdens de Zevendagenslag voerde Anderson zijn brigade aan bij Beaver Dam Creek, Gaines' Mill en Glendale waar hij gewond raakte aan zijn hoofd door een musketkogel. Hij werd op ziekteverlof gestuurd om te herstellen van de opgelopen hersenschudding.

Op 19 juli 1862 nam Anderson ontslag uit het leger. Hij keerde terug naar de Tredegar Iron Works en zorgde voor de rest van de oorlog voor de onontbeerlijke productie van kanonnen en munitie die deels met slavenarbeid gefabriceerd werden. Toen het Army of Northern Virginia verslagen werd tijdens de Richmond-Petersburgveldtocht en de evacuatie van Richmond bevolen werd, posteerde hij 50 bewapende bewakers rond de fabriek om het te beschermen tegen soldaten die het bevel gekregen hadden om alle fabrieken en munitiedepots te vernietigen.[2] Zo bleef de fabriek als een van de weinige gebouwen bewaard na de oorlog en maakt het vandaag deel uit van het industrieel erfgoed van Richmond.

Latere jaren

Gravuer van Anderson uit een boek over de industrie in Richmond uit 1886.

Na de val van Richmond werd Tredegar Iron Works geconfisqueerd door de Noordelijke autoriteiten. Pas in 1867 kreeg Anderson opnieuw de controle over de fabriek terug waarna hij een prominente industrieel bleef. [1] Zijn zoon, Archer Anderson, werkte eveneens voor het bedrijf en zou na de dood van zijn vader de fabriek overnemen.

In 1873 werd Anderson opnieuw verkozen in het Virginia House of Delegates. Hij werd twee jaar later niet herverkozen maar kon nog een laatste keer zetelen tussen 1877 en 1879.[3]

Na de dood van Sara in 1881 huwde Anderson een twee keer. Zijn tweede echtgenote was Mary Evans Pegram, de zus van brigadegeneraal John en kolonel William Pegram die beiden waren gesneuveld in de oorlog.

Grafmonument van Anderson in Hollywood Cemetery

Joseph R. Anderson overleed tijdens een vakantie op Isles of Shoals, New Hampshire op 7 september 1892 aan de gevolgen van een hersenaandoening[1][4] Hij werd begraven op het Hollywood Cemetery in Richmond, Virginia.

Zie ook

Lijst van generaals in de Amerikaanse Burgeroorlog (Confederatie)