Joop Eijl

Joop Eijl
Joop Eijl
Volledige naam Joseph Eijl
Geboren 1 oktober 1896, Amsterdam
Overleden 13 maart 1941, Waalsdorpervlakte
Periode Februaristaking
Groep CPN
Portaal  Portaalicoon   Tweede Wereldoorlog

Joseph (Joop) Eijl (Amsterdam, 1 oktober 1896 - Waalsdorpervlakte, 13 maart 1941) (ook wel gespeld als Eyl) was een Nederlandse communist en verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was betrokken bij de Februaristaking en werd gearresteerd. Vervolgens werd hij berecht en gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte door de Duitse bezetter. Joop Eijl is een van de achttien in het verzetsgedicht Het lied der achttien dooden van Jan Campert.

Betrokken activist

Eijl groeide op in een aanvankelijk conservatief Joods gezin. Zijn vader werkte als behanger, en van het schamele loon dat hij verdiende, moest het gezin met in totaal elf gezinsleden rondkomen.[1] Hij werkte als magazijnmeester. In de jaren twintig was hij actief binnen de vakbeweging, met name in de Algemeene Nederlandsche Bond van Handels- en Kantoorbedienden. Vanaf 1933 was hij lid van de CPN,[2] evenals zijn broer Meijer en zus Mietje.[3] Tijdens de Spaanse Burgeroorlog vertrok Joop naar Spanje om aan de zijde van de republikeinen tegen Franco te vechten, maar hij kwam niet verder dan Zuid-Frankrijk. Zijn broer Meijer reisde hem daarop met de motor tegemoet om hem op te halen.[2]

In de jaren 30 was hij betrokken bij de communistische sportbeweging. Hij had zelf gevoetbald bij de Joodse voetbalvereniging TDC,[1] een vereniging die overstapte van de Amsterdamsche Voetbalbond naar de Rode Sport Eenheid. TDC werd in 1937 ontbonden. Daarnaast was Eijl bestuurder bij de Rode Sport Eenheid, een communistische sportkoepel waarin vooral veel werkloze sporters waren georganiseerd. Hun wedstrijden stonden altijd in het teken van de dagelijkse politieke strijd en gingen gepaard met tal van internationale steunverklaringen.[4]

Februaristaking

Joop Eijl was actief betrokken bij de Februaristaking. Medestaakster Tonie Klomp herinnerde zich:

We hadden Joop op de middag van de 25ste nog gezien achter de Dam, toen een van de grote demonstraties — die vanuit de Jordaan optrokken — door de nazi's uit elkaar gejaagd was. Hij was die hele dag uiterst actief bezig geweest en wij waarschuwden hem om voorzichtig te zijn. Hij lachte echter om onze bezorgdheid: “Wat een geweldige staking, wat een dag!" zo zei hij.[1]

Op de tweede dag, 26 februari, werd hij om half drie in de middag door de Amsterdamse politie gearresteerd toen hij pamfletten uitdeelde in de Sint Willibrordusstraat te Amsterdam. Een NSB’er had hem aangewezen aan de agenten. Na zijn arrestatie werd hij overgedragen aan de Sicherheitspolizei.[5][6][7] Tot aan zijn dood zat Eijl vast in het Huis van Bewaring in Scheveningen, beter bekend als Oranjehotel. Hij werd als februaristaker ter dood veroordeeld en op 13 maart 1941 gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte samen met leden van de verzetsgroep de Geuzen.[2][8] (De straf van drie minderjarige Geuzen werd op het laatste moment veranderd in levenslang; voor hen in de plaats kwamen drie Februaristakers; naast Eijl, Hermanus Coenradi en Eduard Hellendoorn).

Joop Eijl is een van de achttien in het verzetsgedicht Het lied der achttien dooden van Jan Campert. In Schiedam en Amsterdam zijn straten naar hem vernoemd.[2]