Joost van Bronckhorst-Borculo

Joost van Bronckhorst ook genoemd Joost van Bronckhorst en Borculo en Joost van Bronckhorst-Batenburg, (2 december 1503 - overleden Eerbeek, 15 oktober 1553, begraven in Borculo) was heer en later graaf van Bronckhorst.

Levensloop

Joost was de zoon van Frederik van Bronckhorst heer van Bronckhorst, Borculo en Steenderen 1489-1508 en Mechteld, dochter van graaf Oswald I van den Bergh en Elisabeth van Meurs. Na het vroege overlijden van zijn vader vervulde onder anderen zijn moeder tot 1518 het voogdijschap. Hij stond in 1516 (dus toen hij 13 jaar oud was) ingeschreven als student in Keulen. Joost was tot 1533 heer van Bronckhorst en werd toen verheven tot graaf. In 1525 had hij Steenderen moeten inleveren bij hertog Karel. In 1539 werd hij beleend met de heerlijkheid Borculo.

Joost trouwde in 1530 met Maria van Hoya (1508-1579), dochter van Erik III van Hoya (1477-1547) en Maria von Innhausen-Knyphausen (1482-). Ze kregen 1 dochter, Anna, die vernoemd werd naar de zus van Joost. Anna huwde met Johan van Raesfelt (1527- 8 maart 1570). Zij overleed rond 1550, waarschijnlijk bij de geboorte van hun zoon Johan (ca. 1550 - 1 mei 1622).

Het gezin van Bronckhorst bezat o.a. het Huis te Eerbeek, een landhuis in de Gelderse plaats Eerbeek. Na het overlijden van Joost in 1553 kwam het landgoed, door het huwelijk van zijn nicht Ermgard van Wisch, in handen van het geslacht Van Limburg Stirum. In 1553 maakte ook Rudolf IX, graaf van Diepholz aanspraak op het graafschap Bronckhorst op grond van het huwelijk van zijn overgrootvader Otto van Diepholz met Hedwig van Bronckhorst van Borculo, de dochter van Otto van Bronckhorst-Borculo.