John W. Frazer

John Wesley Frazer
John W. Frazer
Geboren 6 januari 1827
Hardin County, Tennessee
Overleden 16 maart 1906
New York (stad), New York
Rustplaats Clifton Springs
New York
Land/zijde Verenigde Staten
Geconfedereerde Staten van Amerika
Onderdeel United States Army
Confederate States Army
Dienstjaren 1849-1861 (USA)
1861-1865 (CSA)
Rang kapitein (USA)

brigadegeneraal (CSA)

Eenheid 2nd Infantry Regiment (USA)
9th U.S. Infantry (USA)
Bevel 28th Alabama Infantry Regiment (CSA)
Slagen/oorlogen Amerikaanse Burgeroorlog

John Wesley Frazer (Hardin County, 6 januari 1827New York (stad), 16 maart 1906) was een Amerikaans beroepsmilitair, plantage-eigenaar en zakenman. Tot aan de Amerikaanse Burgeroorlog diende Frazer in het United States Army. Daarna koos hij voor het Confederate States Army en klom op tot de rang van brigadegeneraal. Deze rang werd echter nooit bevestigd door de Zuidelijke senaat. Hij werd gevangen genomen tijdens de slag bij Cumberland Gap. Frazer werd pas in juli 1865 opnieuw vrijgelaten.

Vroege jaren

John W. Frazer werd geboren op 6 januari 1827 in Hardin County, Tennessee. Soms wordt zijn naam als Fraser of Frazier gespeld. Over zijn jeugd is weinig bekend. Hij had een broer, Charles W. Frazer, die later eveneens in het Confederate States Army zou dienen. In 1845 werd Frazer toegelaten tot het United States Military Academy in West Point. Hij studeerde vier jaar later af als 34ste in een klas van 43 kadetten. Op 1 juli 1849 werd Frazer ingedeeld bij de 2nd Infantry Regiment als gebrevetteerd tweede luitenant. Een jaar later, op 30 juni, werd hij bevorderd tot twee luitenant. Op 3 maart 1855 werd hij ingedeeld bij het 9th U.S. Infantry en bevorderd tot eerste luitenant. Twee jaar later werd gepromoveerd tot kapitein.[1] Frazer diende doorheen zijn loopbaan bij het United States Army in verschillende forten en grensposten.[2]

Amerikaanse Burgeroorlog

Na de secessie van zijn thuisstaat nam Frazer ontslag uit het leger. Dit werd aanvaard op 15 maart 1861.[1] De dag erna werd hij benoemd tot kapitein in het Confederate States Army.[1] Op 5 april kreeg hij de opdracht om manschappen te rekruteren in Baton Rouge en New Orleans.[3] Na zijn rekruteringsopdracht werd hij bevelhebber van de militaire barakken in Baton Rouge.[4] Op 17 juni werd hij bevorderd tot luitenant-kolonel. Hij werd ingedeeld in het 8th Alabama Infantry Regiment. In maart 1862 nam hij ontslag uit het leger om op 2 november opnieuw dienst te nemen. Hij werd benoemd tot kolonel van het 28th Alabama Infantry Regiment.[1]

Cumberland Gap

Na de Kentuckyveldtocht diende Frazer opnieuw zijn ontslag in.[2][1] Hij nam echter een derde keer dienst in het Confederate States Army nadat hij op 19 mei 1863 werd benoemd tot brigadegeneraal.[5] Hij kreeg in juli het commando over de 5th Brigade in het Army of Tennessee.[1] Zijn brigade telde ongeveer 2.300 soldaten.[6]

Hij kreeg het bevel van generaal-majoor Simon Bolivar Buckner om de Cumberland Gap ten alle prijze te verdedigen tegen een mogelijk opmars van Noordelijke eenheden in oostelijk Tennessee. Buckner sloot zich met zijn hoofdmacht terug aan bij het Army of Tennessee onder leiding van generaal Braxton Bragg. Frazers brigade had vrijwel geen gevechtservaring. Ze hadden echter een sterke defensieve stelling bezet en met extra loopgraven versterkt.[2] Ondertussen rukte de Noordelijke legermacht onder leiding van generaal-majoor Ambrose E. Burnside op naar Cumberland Gap om aansluiting te zoeken met het Army of the Cumberland van generaal-majoor William Rosecrans.[7] Burnside stuurde een brigade, onder leiding van kolonel John F. DeCourcy om de Cumberland Gap te bezetten terwijl hij met de hoofdmacht op 2 september Knoxville bezette.

De Cumberland Gap ten opzichte van de in relation to the Wilderness Road tussen Virginia en Kentucky

DeCourcy’s brigade bedreigde de Zuidelijke stellingen vanuit noordelijke richting. Zijn brigade was niet sterk genoeg om Frazer uit de pas te verdrijven. Burnside stuurde op 7 september een tweede brigade onder leiding van brigadegeneraal James M. Shackelford. Shackelford benaderde de vijandelijke stellingen vanuit het zuiden. Nu Frazers troepen volledig omsingeld waren, vroegen de Noordelijken op 8 september de overgave van de vijand. Frazer weigerde zich over te geven. Er waren nog steeds niet genoeg Noordelijke troepen aanwezig om de Zuidelijke stellingen stormenderhand in te nemen. Burnside verliet nu persoonlijk Knoxville en nam een brigade met zich mee onder leiding van kolonel Samuel A. Gilbert. Op 9 september arriveerde Burnside en zijn brigade. Dezelfde dag eisten DeCourcy en Shackelford de overgave. Om 10.00 uur stuurde Burnside een boodschapper naar Frazer met de mededeling dat hij genoeg soldaten had om de stellingen te bestormen. Dit overtuigde Frazer om rond 15.00 uur de witte vlag te hijsen. Er werd tijdens de drie dagen durende Slag bij Cumberland Gap geen schot gelost.

100 tot 300 Zuidelijke soldaten slaagden erin om door de Noordelijke linies te ontsnappen. Frazer gaf zich over met meer dan 2.000 soldaten, alle wapens en voorraden en 14 kanonnen. De Noordelijken behielden voor de rest van de oorlog de controle over de Cumberland Gap.

Gevangenschap

Frazer werd voor de duurtijd van de oorlog opgesloten in Fort Warren in de haven van Boston, Massachusetts. Door zijn overgave weigerde de Zuidelijke senaat op 16 februari 1864 zijn benoeming tot brigadegeneraal goed te keuren.[8][9] Frazer werd vrijgelaten op 24 juli 1865.[1]

Latere jaren

Na de oorlog vestigde Frazer zich in Arkansas waar hij een plantage beheerde. Enkele jaren later verhuisde hij naar New York waar hij een zakenman werd.

John W. Frazer overleed op 16 maart 1906 na een ongeval. Hij werd begraven in Clifton Springs, New York.[2]

Zie ook