Johannes Fontanus
| Johannes Fontanus | ||
|---|---|---|
![]() | ||
| Persoonlijke gegevens | ||
| Geboortedatum | 1545 | |
| Geboorteplaats | Soller | |
| Overlijdensdatum | 1615 | |
| Overlijdensplaats | Arnhem | |
| Beroep | theoloog, predikant | |
| Dbnl-profiel | ||
Johannes Fontanus (Soller, 1545 – Arnhem, 22 november 1615) was een invloedrijke calvinistische predikant en de reformator van Gelderland, bekend om zijn actieve rol in de verspreiding van het protestantisme, vooral in Arnhem, op de Veluwe, en in steden als Zutphen en Nijmegen, en een voorvechter van de nationale synode. Hij studeerde in Heidelberg, werd predikant in Arnhem, en was ook actief in het onderwijs. Later zijn scholen naar hem genoemd, zoals het Johannes Fontanus College in Barneveld.
Levensloop
Fontanus was de zoon van Engelbert Puts. In 1564 studeerde hij theologie in Genève. Drie jaar later studeerde hij in Heidelberg, onder andere bij Zacharias Ursinus. Mogelijk was het Ursinus die Johannes Puts adviseerde zijn achternaam te wijzigen in Fontanus, verwijzend naar de 'heilfontein' van het Heilige Schrift.
Carrière als predikant
Van 1568 tot 1577 was Fontanus werkzaam als predikant en leraar in Neuhausen. In 1578 werkte hij als veldprediker in het leger van Johan Casimir van de Palts.
In juni 1578 kreeg Fontanus een aanstelling als predikant te Arnhem, een functie die hij tot aan zijn dood in 1615 bleef uitoefenen. In de jaren 1578-1579 drukte hij samen met stadhouder Jan van Nassau de reformatie door in de stad Arnhem. Hij ging preken in de Minderbroederskerk.
In 1579 was Fontanus voorzitter van de eerste Gelderse synode. Tot aan 1610 was hij betrokken bij negen andere synodes in Gelderland. In 1581 was hij deelnemer aan de nationale synode van Middelburg.
In 1586 benoemde de synode van Den Haag hem tot inspecteur voor Over-Veluwe om daar de reformatie te bevorderen. Vanaf 1592 gold dit ook voor de Neder-Veluwe. Verder was hij actief als adviseur in onder andere Wageningen, Zutphen, Zwolle en de Tieler- en Bommelerwaard.
In 1591 werd mede dankzij Fontanus een gymnasium opgezet in Arnhem. Zelf diende hij hier als curator. In 1600 was hij actief bij het oprichten van de hogeschool van Harderwijk. In zijn eigen woning te Arnhem richtte hij een Franse school in.
In 1598 predikte hij in Nijmegen tijdens een pestepidemie.
In 1611 leidde Fontanus namens vijf gewesten een delegatie van predikanten naar de Staten-Generaal. Hier bepleitte hij bij Johan van Oldebarnevelt om het bijeenroepen van een nationale synode, overigens zonder succes.
Remonstranten
Vanaf 1600 richtte Fontanus zich op het bestrijden van de remonstranten, die een minder strikte vorm van calvinisme voorstonden. Hij probeerde in 1611 de aanstelling van Conrad Vorstius in Leiden te voorkomen.
Fontanus was diep geraakt door de tegenstellingen binnen de kerk. Toen zowel zijn Arnhemse collega H. Meilinck als diverse Veluwse en Betuwse predikanten de remonstrantse zijde kozen, overwoog hij zelfs terug te gaan naar Heidelberg. Uiteindelijk bleef hij in Arnhem, maar werd een verbitterd man. Hij bezocht niet langer de kerkenraad, waar Meilinck nu de leiding overnam. In 1615 deed Fontanus nog wel mee aan een vergadering van contra-remonstranten in Amsterdam.
Persoonlijk
Fontanus is twee maal getrouwd. Zijn eerste echtgenote was een zus van de Arnhemse stadssecretaris Pieter Versteghe. In 1609 hertrouwde hij met Willemke van Haren.
Betekenis
Fontanus stond bekend als een streng calvinist. Hij ageerde onder andere tegen dronkenschap, loterijen, dansen en kermis. Hij stelde de zondagsheiliging voorop. Dankzij zijn inzet werden predikanten streng getoetst en zelfs afgezet als ze niet voldeden. Zelf leefde hij eenvoudig: zijn salaris was niet hoog, terwijl hij dikwijls ondersteuning gaf aan hulpbehoevenden.
Hij heeft een belangrijke rol gespeeld in het doorvoeren van de reformatie in Gelderland.
- Potjer, menno, Johannes Fontanus. mijngelderland.nl. Gearchiveerd op 14 oktober 2025. Geraadpleegd op 23 januari 2026.
- G.P. van Itterzon, 'Fontanus, Johannes', in: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme 2 (1983), k. 201-203.
