Johanna Kinkel

Johanna Kinkel
Johanna Kinkel
Ook bekend als Johanna Mockel, J. Mathieux, Directrix
Geboren Bonn, 8 juli 1810
Overleden Londen, 15 november 1858
Beroep(en) muziekdocente, schrijfster
Instrument piano
Archieflocatie University and State Library BonnBewerken op Wikidata
(en) Discogs-profiel
(en) MusicBrainz-profiel
Portaal  Portaalicoon   Muziek

Johanna Kinkel (geboren Johanna Mockel, Bonn, 8 juli 1810 - Londen, 15 november 1858) was een Duitse componiste, pianiste, dirigente en auteur. Ze was betrokken bij het muziekleven van zowel Berlijn als Bonn en richtte met haar tweede echtgenoot de intellectuele Maikäferbund op. Op politiek vlak steunde ze actief de democratiseringsbeweging die eind jaren 40 op gang kwam. Uiteindelijk vluchtte ze met haar gezin naar Londen, waar ze in 1858 door een ongeval om het leven kwam.

Levensloop

Johanna werd geboren in Bonn in een conservatief katholiek gezin. Ze toonde een grote interesse in muziek, maar haar ouders wilden liever dat ze naai- en kookles ging volgen. Om haar moeder te plezieren begon Johanna aan een leerplek als kokkin. Toen ze de mogelijkheid kreeg om in Engeland muziekles te krijgen, sloegen haar ouders dit aanbod af.

Haar vader was werkzaam als docent en beschikte over een eigen bibliotheek. Hier kon Johanna kennismaken met muziek, geschiedenis, literatuur, theologie en filosofie. Ze keer pianolos van Franz Anton Ries, die tevens haar interesse in zingen en dirigeren stimuleerde. Ries richtte in 1827 de Gesangverein op waarin zijn leerlingen konden musiceren en Johanna kreeg op haar 19e de leiding over dit zangkoor. Dit bood haar de kans om ook haar eigen composities op het repertoire te zetten.

Eerste huwelijk

In 1832 trouwde Johanna met Johann Paul Matthieux, een boek- en muziekhandelaar uit Keulen. Ze hoopte op deze manier meer vrijheid te verkrijgen en zich artistiek te kunnen ontplooien, maar haar echtgenoot bleek geheel andere verwachtingen te hebben: hij wilde dat ze haar muziek opgaf en zich zou neerleggen bij een conservatieve, katholieke leefstijl. Na een half jaar huwelijk keerde ze terug naar haar ouders in Bonn en begon ze een echtscheidingsprocedure. Het zou overigens nog tot 1840 duren voordat de echtscheiding juridisch rond was.

Berlijn

In juli 1836 reisde Johanna naar Frankfurt om te spelen voor de componist Felix Mendelssohn, een van haar grote idolen. Ze kreeg van hem complimenten over haar pianospel en hij schreef vervolgens aanbevelingsbrieven naar zijn contacten in Berlijn. In het najaar verhuisde Johanna dan ook naar Berlijn, waar ze vriendschap sloot met Mendelssohns zussen Fanny Hensel en Rebecka. Tijdens de privéconcerten die Fanny als 'Sonntagsmusik' organiseerde, kwam Johanna in aanraking met de Berlijnse elite. Dit leverde haar dermate veel pianoleerlingen op dat ze van de opbrengsten kon rondkomen. Voor Johanna was het protestantse, vrijere Berlijn een verademing na het conservatieve Bonn.

Johanna woonde enkele maanden in bij de schrijfster Bettina von Arnim. Ze hielp Bettina met haar muziekcomposities en vertalingen. Tevens gaf ze muziekles aan haar dochters. In 1837 verhuisde Johanna echter naar een rustiger woonplek om zich beter op haar muziekstudie te kunnen concentreren. Zo kreeg ze compositieles van Carl Böhmer en pianoles van Wilhelm Taubert.

Publicaties

Johanna publiceerde in Berlijn collectie van zeven liederen, opgedragen aan Bettina von Arnim. Ze publiceerde deze collectie overigens onder de mannelijke naam J. Mathieux, waarschijnlijk vanwege de vooroordelen die er bestonden over vrouwelijke componisten. Ze zou dit pseudoniem nog tot 1848 blijven gebruiken. De collectie liederen werd een succes en recensent Ludwig Rellstab vergeleek haar werk met dat van de componisten Louis Spohr en Carl Maria von Weber. Ook Robert Schumann toonde interesse in haar werk en wilde een compositie van haar publiceren in zijn Neue Zeitschrift für Musik. Als reactie stuurde ze hem het ruige Trinklied uit haar operette Die Landpartie, om het vooroordeel te ontkrachten dat vrouwen alleen maar lieve en delicate muziek componeerden.

Nieuwe publicaties volgden, waaronder drie liederencollecties, twee collecties voor sopraan en alt, en de Vogelkantate voor vijf stemmen en piano.

Terug in Bonn

In het voorjaar van 1839 was Johanna terug in Bonn om de echtscheiding te regelen. Haar echtgenoot had namelijk gemeld in te zullen stemmen met de scheiding. Het was dan ook Johanna's bedoeling om slechts tijdelijk in Bonn te verblijven, maar de voortgang rondom de echtscheiding verliep minder voorspoedig dan gehoopt. Ze werd daarom maar actief in het lokale muziekleven en gaf ook weer muzieklessen. Tevens blies ze de kwakkelende Gesangverein nieuw leven in en voerde ze met dit koor opera's, operettes en oratoria uit. Het koor groeide uit tot 140 leden en gaf concerten in steeds grotere zalen. De laatste openbare uitvoeringen vonden plaats in 1847.

Maikäferbund

In mei 1839 ontmoette Johanna de theoloog en auteur Gottfried Kinkel (1815–1882),[1] een voormalige leerling van haar vader. Met Gottfried richtte ze in 1840 de literaire groep Der Maikäferbund op. Ze was het enige vrouwelijke lid, wat haar de bijnaam Directrix opleverde. Johanna vond veel inspiratie in de intellectuele gesprekken en uitwisselingen binnen de groep en publiceerde haar gedichten en verhalen in het verenigingstijdschrift Der Maikäfer: Zeitschrift für Nichtphilister. In 1841 schreef ze zowel het libretto als muziek van de eenakter Otto, der Schütz, ter ere van het eenjarig bestaan van de vereniging. Haar band met Kinkel werd inmiddels steeds hechter en ze schreef de muziek bij zijn libretti Friedrich der Rothbart in Suza, oder Vasallentreue en Die Assassinen. Toen ze de drie composities naar Mendelssohn had gestuurd, ontving ze van hem complimenten over zowel haar composities als het libretto. Overigens werden de drie werken niet uitgegeven: ze selecteerde er slechts enkele losse zangstukken uit en publiceerde deze in een arrangement voor zang met piano.

Echtscheiding en tweede huwelijk

Op 22 mei 1840 was eindelijk Johanna's scheiding afgerond. Toen Gottfried in 1841 ook nog zijn verloving met Sophie Boegehold verbrak, stond de weg open voor de ontluikende liefdesrelatie tussen Johanna en Gottfried. Overigens had de verbroken verloving wel consequenties: Gottfried raakte onder andere zijn docentschap kwijt.

In 1842 bekeerde Johanna zich tot het protestantse geloof, wat haar aanzette tot het componeren van haar enige religieuze werk: Hymnus in Coena Domini. Haar bekering maakte het tevens mogelijk om op 22 mei 1843 in het huwelijk te treden met Gottfried.

Het stel kreeg vier kinderen: Gottfried jr (1844–1891), Johanna (1845–1863), Adelheid (1846–1927) en Hermann (1848–1898). Ze gaf hen piano-, zang- en compositieles.

Democratische beweging

In 1847 veranderde het leven van Johanna drastisch. Haar grote voorbeelden Fanny Hensel en Felix Mendelssohn kwamen in dat jaar te overlijden, terwijl er steeds meer politieke onrust merkbaar was in de maatschappij. Dit had zijn weerslag op de Gesangverein en de Maikäferbund, die nu beide werden ontbonden.

Titelblad van Dá Hond on dat Eechhohn (1849).

Gottfried stichtte in 1848 de Demokratische Verein en werd een van de leidende figuren in de democratische beweging. Johanna maakte gebruik van haar muziek om haar democratische idealen te verspreiden: zo publiceerde ze eind 1848 het Demokratenlied, dat populair werd binnen de beweging. Intussen was Gottfried de eindredacteur van de Bonner Zeitung geworden en hij werd begin 1849 lid van het nieuwe parlement in Berlijn. Johanna nam zijn functie bij de Bonner Zeitung waar. In mei werd het parlement echter ontbonden en Gottfried nam nu de wapens op. Hij werd gearresteerd na een gevecht bij Küppenheim.

Gevangenisstraf voor Gottfried Kinkel

Na een bezoek aan Gottfried in de gevangenis schreef Johanna de compositie Am Gefängnisthurme von Rastatt. Om hem van de doodstraf te redden schakelde Johanna de hulp in van Bettina von Arnim en haar dochter Gisela. Dit had succes, want de doodstraf werd omgezet in levenslange gevangenisstraf.

Johanna moest intussen haar best doen om het gezin draaiende te houden. Veel van haar muziekleerlingen hadden de lessen stopgezet, dus daar kwamen geen inkomsten meer uit voort. Johanna ging daarom over tot het publiceren van verhalen en muziekstukken. In 1849 gaf ze Erzählungen uit, een verzameling verhalen van Gottfried en haarzelf. Ook verschenen een album met liederen voor alt/bariton, een zangmethode en het kinderverhaal Dä Hond on dat Eechhohn. Deze laatste publicatie was geschreven in het Rijnlands dialect. Adolf Strodtmann kreeg haar steun bij het uitbrengen van een biografie over Gottfried.

Tot slot bracht ze in 1849 het didactische muziekalbum Anleitung zum Singen: Übungen und Liedchen für Kinder von drei bis sieben Jahren uit. Het album bevatte 26 composities en richtte zich op moeders met kinderen in de leeftijd van drie tot zeven jaar die hun kinderen wilden leren zingen. Met deze liedjes wilde Johanna tevens de kinderen een handvat geven in de politiek roerige tijden; een van de liedjes was zelfs een revolutielied. Verder bevat het album leerzame informatie over de seizoenen, de natuur en goede manieren.

Londen

Op 6 november 1850 wist Gottfried te ontsnappen uit de Spandaugevangenis. Hij vluchtte naar Londen en op 23 januari 1851 voegden Johanna en de kinderen zich bij hem.

In Londen begon Johanna met het geven van pianolessen. Tevens gaf ze zanglessen aan kinderen, waarbij ze gebruik maakte van het lesboek Songs for Little Children: English Words Adapted to Madam Kinkel’s German ‘Kindergesangschule (1852).

Ondanks dat ze nu in Londen woonde, bleef Johanna publiceren in Duitsland, zoals Acht Briefe an eine Freundin über Clavier-Unterricht (Cotta, 1852) en Musikalische Zustände und deutsche Musiker in London in de Augsburger Allgemeine Zeitung.

Gottfried was op 2 september 1851 vertrokken naar de Verenigde Staten om fondsen te werven voor zijn democratische idealen. Johanna stond er voorlopig dus alleen voor en moest geld verdienen, kinderen opvoeden en helpen bij diverse politieke activiteiten. Ze had nauwelijks tijd om haar eigen creatieve ideeën uit te werken. Na Gottfrieds thuiskomst in maart 1852 ging het iets beter: hij ging lesgeven aan zijn kinderen en werd in april 1853 aangesteld bij de universiteit. Dat laatste verlichtte ook meteen de financiële moeilijkheden van het gezin.

Depressies

Toch was Gottfried vaak langdurig op reis naar Edinburgh en Manchester om lezingen te geven en hij bleek haar ook nog eens ontrouw te zijn. Verder bleef hun Londense woonhuis een drukke verzamelplaats voor politiek gelijkgestemden en dat kostte Johanna veel tijd en energie. Ondanks alle problemen deed ze haar best om naar buitenstaanders toe de indruk te geven dat haar huwelijk nog steeds gelukkig was. Ze werd door alle problemen echter depressief en haar gezondheid ging achteruit. Ze vond wel enige afleiding in de British Museum Library. Ook schreef ze muzikale verhandelingen en gaf ze lezingen over componisten als Chopin, Mozart, Mendelssohn en Beethoven.

Graf van Johanna Kinkel

Op 15 november 1858 overleed Johanna na een val uit het raam van haar woning. De geruchten dat ze een eind aan haar leven had gemaakt, werden zo veel mogelijk tegengesproken. De autopsie stelde officieel vast dat het om een ongeval ging. Johanna werd begraven in Woking.

In 1860 verscheen in Stuttgart Johanna's semi-autobiografische roman Hans Ibeles in London. Ze had de roman kort voor haar overlijden afgerond.

Werken

Johanna Kinkel schreef een groot aantal artikelen en verhalen, waaronder:

  • Felix Mendelssohn, in: Augsburger Allgemeine Zeitung (13 november 1847)
  • Dä Hond on dat Eechhohn: Ä Verzellsche für Blahge (Bonn, 1849)
  • Musikalische Zustände und deutsche Musiker in London, in: Londoner Morgenblatt für gebildete Leser (1853)
  • Friedrich Chopin als Komponist, in: Deutsche Revue (1856)

Hieronder volgt een selectie van Johanna's muziekcomposities:

  • Die Landpartie (1837), komische operette
  • Sechs Lieder opus 7 (Berlijn, 1838)
  • Verrückte Komödien aus Berlin: Der Wettstreit der schottischen Minstrels (1838)
  • Die Vogel-Kantate (Bonn, 1829/Berlijn, 1838)
  • Trinklied (1838)
  • Drei Duetten (Berlijn, 1839), op tekst van Heinrich Heine
  • Friedrich der Rothbart in Suza, oder Vasallentreue (1841)
  • Otto, der Schütz (1842)
  • Die Assasinen (1843)
  • Hymne auf den Tod des Marco Botzaris (Keulen, 1843), lied met pianobegeleiding
  • Hymnus in Coena Domini (Elberfeld, 1843), koraal
  • Männerlied (1846), lied op een tekst van Gottfried Kinkel
  • Demokratenlied (Bonn, 1848), lied op tekst van Johanna Kinkel
  • Anleitungen zum Singen (1849), 26 composities voor kinderen in de leeftijd van drie tot zeven jaar oud. In 1852 in het Engels uitgegeven als Songs for little children.
  • Am Gefängnissthurme von Rastatt (1849), lied op tekst van Johanna Kinkel
  • Sechs Lieder für eine tiefe Stimme (Mainz, 1851), liederen op teksten van Gottfried en Johanna Kinkel
  • The Baker and the Mice (1854)
Zie de categorie Johanna Kinkel van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.