Johann Friedrich Naue
Johann Friedrich W. Naue (Halle, 17 november 1787 – aldaar, 19 mei 1858) was een Duits componist, muziektheoreticus, dirigent, organist en uitgever van kerkzangen.
Levensloop
Naue was enige zoon van een welgestelde naald- of spelfabrikant. Hij kreeg zijn opleiding aan het gymnasium van de "Frankeschen Stiftungen". In deze tijd kreeg hij pianoles en was lid in het schoolkoor. Hij studeerde in Berlijn naast Felix Mendelssohn Bartholdy bij Carl Friedrich Zelter en kwam daardoor naast muziek van Johann Sebastian Bach en Georg Friedrich Händel vooral met Zelters revolutionaire institutie, de Sing-Akademie in Berlijn in contact.
In 1808 kwam hij terug naar Halle en studeerde bij Johann Friedrich Reichardt en de muziektheoreticus Daniel Gottlob Türk. Zijn studies voltooide hij in Wenen als leerling van Ludwig van Beethoven, die hem in 1823 zelfs een driestemmig canon op een tekst van Friedrich von Schiller (Kurz ist der Schmerz, WoO 163)[1] opdroeg. Naue ontwikkelde zich tot een piano- en orgelvirtuoos. Gustav Schilling (1803-1881) schreef in zijn muzieklexicon over Naue onder andere:
- Virtuoos op orgel en piano, gebruikte (hij) zijn krachten niet op die manier, zoals andere praktische kunstenaars het gewoonlijk doen, niet voor glans met technieke vaardigheden of überhaupt met een uiterlijke versiering, echter uitsluitend voor het oefenen en voor de studie van oude existente klassieke werken; en vandaar komt ook de buitengewone antiquarische vakbekwaamheid, welke wij aan Naue bewonderen moeten.
Nadat zijn vader overleden was, heeft hij het gehele vermogen verbruikt voor het aanleg van een onbeschrijflijk grote en tegelijk kostbare bibliotheek met oude meesterwerken, waarbij hij zijn focus erop richtte in bezit van de oudste kerkmelodieën en -gezangen te komen. Op advies van Zelter heeft hij dit formidabele bezit vanaf 1824 aan de Koninklijke bibliotheek, nu: Staatsbibliothek zu Berlin, verkocht.

Na de dood van Daniel Gottlob Türk werd Naue in 1816 zijn opvolger als organist aan de marktkerk "Onze Lieve Vrouw" in Halle (Saale). Hij werd eveneens dirigent van de zogenoemde Stadtsingchor. In 1817 werd hij tot universiteitsmuziekdirecteur in Halle benoemd. In 1818 publiceerde hij het boek: Versuch einer musikalischen Agenda oder Altargesänge zum Gebrauche in protestantischen Kirchen. Samen met A. B. Marx kreeg hij van het Pruisische Consistorium de opdracht een Agende uit te werken. Door besluit van het Pruisische kabinet van 14 februari 1822 werd dit werk in alle garnizoengemeenten (-kerken) en militaire instituties ingevoerd en aan alle consistories met het verzoek gestuurd, dit werk als basiswerk voor ordinarium en proprium alsook voor casualieën (kerkelijke ceremonieën) te gebruiken. Het werk vond algemene toestemming en werd niet uitsluitend in de Pruisische kerken, maar ook in de Badische kerken gebruikt. Naue had de oude Gregoriaanse melodieën, zover ze voor het doel goed waren, vierstemmig bewerkt en ook eigen koorwerken bijgevoegd. Marx was verantwoordelijk de teksten te revideren en aan de smaak van die tijd aan te passen. Deze Agende liet Naue in 1829 een Allgemeins evangelisches Choralbuch in Melodien, größtentheils aus den Urquellen berichtigt, mit vierstimmigen Harmonien volgen.
Eveneens in 1829 organiseerde Naue te Halle (Saale) het eerste grote muziekfeest van de Thüringisch-Saksische zangfederatie naar het voorbeeld van de bekende Elbmuziekfeesten. Hiervoor zette hij zijn geheel persoonlijk erfgoed in, om het muziekleven in Halle vooraan te drijven. Een verder muziekfeest organiseerde hij in Erfurt. In gevolg van tragische aaneenschakelingen van omstandigheden kwam hij in een financieel en menselijk catastrofe voor de rest van zijn leven. Hij verbitterde en zoekt troost in de alcoholische dranken. In 1833 werd hij als dirigent van de zangacademie afgezet. Na ruzie met het kerkbestuur en de cantor van het kerkkoor nom hij in 1835 ontslag als organist aan de marktkerk "Onze Lieve Vrouw" in Halle (Saale). Hij solliciteerde nog als Domorganist, maar werd niet aangenomen, omdat hij toen al als onbetrouwbaar aangezien werd. Hij werd blind en overleed in armoede.
In 1835 werd Naue tot ere-doctor in muziek van de universiteit Jena promoveert.
Composities
Werken voor orkest
- 1824: Triomfmars, voor gemengd koor en orkest (ter gelegenheid van de 10e verjaardag van de intocht van de geallieerde troepen in Parijs)
- 1824: Feestmuziek voor het verjaardagsfeest van de Koning op 2 augustus 1824
- 1834: Festmusik zur Einweihung des neuen hallischen Universitätsgebäudes am 31. Oktober 1834
Werken voor harmonieorkest
- 1823: Triomfmars voor het ontvangst van de Pruisische kroonprinses Elise door de magistraat op 26 november 1823, voor gemengd koor en harmonieorkest
- 1828: Es schallt von tausend Enden ein Freudenruf durch Stadt und Land, feestmars en volkslied van Pruisen voor groot militair orkest en koor (ter gelegenheid van de verjaardag van de Koning)
Missen en andere kerkmuziek
- 1816: Liturgie zur Trauerfeier zum Andenken der im Kampf für König und Vaterland Gebliebenen
- 1817: Arien und Chöre zur Reformationsfeier
- 1820: Osterkantate - "Sei festlich uns willkommen des Freudentages Strahl!", cantate
- 1829, rev.1832: Allgemeines evangelisches Choralbuch in Melodien
- 1832: Te Deum, voor solisten, gemengd koor en orkest
- 1835: In deiner Stärke freuet sich der König, Psalm
- 1837: Gott segne, Gott erhalte den Kronprinzen, cantate voor de verjaardag van de Pruisische kroonprins
- 1837: Feestzang "Sit deo gloria" - tekst: Niemeyer
- 1843: O Lamm Gottes (Agnus Dei) in e mineur, voor gemengd koor - tekst: Nikolaus Decius
- Hymnus Ambrosianus, voor gemengd koor
Vocale muziek
Wereldlijke cantates
- 1815: Cantate, voor de zangacademie
Werken voor koor
- 1814: Festmusik zum 3. August 1814, voor solisten, gemengd koor en orkest
- 1814: Gesänge zur Geburtstagsfeyer des Königs am 3. August 1814, voor gemengd koor
- 1833: Morgen erwachet, dunkel entflieht der Morgen, voor gemengd koor
- 1833: Wenn die vöglein fröhlich singen, was ihr kleines Herz umfängt, voor gemengd koor
- 1840: Frisch auf, voor gemengd koor (voor het muziekfeest in Bitterfeld)
- 1840: Was nützt das Gold, voor gemengd koor
- 1843: Lebehoch, Lebelang, Lebewohl, voor mannenkoor
Liederen, solozang
Werken voor orgel
- 1826: Feestmuziek voor de inwijding van de orgel in de Ulrichskerk te Halle (Saale) met het koraal Anbetung, Ruhm und Ehre
Verzamelingen
- 1818: Versuch einer musikalischen Agenda oder Altargesänge zum Gebrauch in protestantischen Kirchen
- 1821: Kirchenmusik verschiedener Zeiten und Völker, 3 vols.
- 1838: Liturgische Chöre aus alten Agenden und Missales der ersten Zeit der Reformation
- 1851: Liturgische Gesänge aus der Psalmodie von Lucas Lossius (Wittenberg 1553) und aus Luthers Ordnung des Gottesdienstes (Wittenberg 1526)
- Responsorien oder Chöre zu drei Liturgien mit eingelegten Sprüchen
- Sammlung von Motetten von Meistern wie Johann Christian Bach, Johann Michael Bach und Carl Friedrich Zelter
Publicaties
- 1838: Von den wichtigsten Pflichten eines Organisten van Daniel Gottlob Türk (nieuwe bewerking van Johann Friedrich Naue)
- 1841: Kurze Anweisung zum Generalbaßspielen, van Daniel Gottlob Türk (in de 5e editie nieuw uitgegeven van Johann Friedrich Naue)
- 1849: Über den sogenannten quantitirend-rhythmischen Choral
Bibliografie
- Jozef Robijns, Miep Zijlstra: Algemene muziek encyclopedie, Haarlem: De Haan, 1979-1984, ISBN 978-90-228-4930-9
- Konstanze Musketa: Musikgeschichte der Stadt Halle: Führer durch die Ausstellung des Händelhauses, 1. Auflage. Händel-Haus, Halle an der Saale 1998, ISBN 3-910019-13-7, S. 53f..
- Joachim Toeche-Mittler: Armeemärsche, 1. Teil - Eine historische Plauderei zwischen Regimentsmusiken und Trompeterkorps rund um die deutsche Marschmusik, 2. Auflage, Neckargmünd, Kurt Vowinckel Verlag, 213 S.
- Joachim Toeche-Mittler: Armeemärsche, 2. Teil - Sammlung und Dokumentation, 2. Auflage, Neckargmünd, Kurt Vowinckel Verlag, 1977, 161 S.
- Joachim Toeche-Mittler: Armeemärsche, 3. Teil - die Geschichte unserer Marschmusik, 2. Auflage, Neckargmünd, Kurt Vowinckel Verlag, 1977.
- Walter Serauky: Musikgeschichte der Stadt Halle, Zweiter Band, Zweiter Halbband Von Wilhelm Friedemann Bach bis Robert Franz, Max Niemeyer, Halle an der Saale 1942, S. 410–486.
- Ulrich S. Leupold: Evangelischer Altargesang in der Romantik - zum 150. Geburtstag von J.F.W. Naue, in: Monatsschrift für Gottesdienst und Kirchliche Kunst 43, 1938. 33-37.
- Richard Bräutigam: Althallische Musiker, in: Gedenkblätter zum Händeltag 1936. Halle, 1936.
- James Love: Scottish church music : its composers and sources, Edinburgh: William Blackwood, 1891.
- Robert Eitner: Johann Friedrich Naue in: Allgemeine Deutsche Biographie (ADB). Band 23, Duncker & Humblot, Leipzig 1886, S. 298 f.