James J. Archer

James Jay Archer
Brigadegeneraal Archer
Brigadegeneraal Archer
Bijnaam "Sally", "Little Gamecock"
Geboren 19 december 1817
Havre de Grace, Maryland
Overleden 26 oktober 1864
Richmond, Virginia
Rustplaats Hollywood Cemetery
Richmond, Virginia
Land/zijde Verenigde Staten
Geconfedereerde Staten van Amerika
Onderdeel United States Army
Confederate States Army
Dienstjaren 1847-1848, 1855-1861 (USA)
1861-1864 (CSA)
Rang gebrevetteerd majoor (USA)

brigadegeneraal (CSA)

Eenheid Regiment of Voltigeurs and Foot Riflemen
9th Infantry Regiment
Bevel 5th Texas Infantry Regiment
Archers brigade
Slagen/oorlogen Mexicaans-Amerikaanse Oorlog

Amerikaanse Burgeroorlog

James Jay Archer (Havre de Grace, 19 december 1817Richmond, 26 oktober 1864) was een Amerikaans advocaat en militair. Hij diende in de Mexicaans-Amerikaanse Oorlog. Bij het begin van de Amerikaanse Burgeroorlog in 1861 nam hij ontslag uit het United States Army en nam dienst in het Confederate States Army. Hij klom op de rang van brigadegeneraal. Archer werd op de eerste dag van de Slag bij Gettysburg gevangen genomen en was dan ook de eerste generaal uit het Army of Northern Virginia die krijgsgevangen werd gemaakt.

Vroege jaren

Archer-Carter Mansion in het Susquehanna State Park in Harford County, Maryland. Het werd gebouwd in de vroege jaren 1700.

James J. Archer werd geboren op 19 december 1817 in Stafford niet ver van Havre de Grace, Maryland. Hij was de zoon van John Archer en Ann Stump. Zijn ouders kwamen uit een rijke familie met militaire achtergrond. In 1835 studeerde hij af aan de Princeton-universiteit voor hij een extra opleiding volgde aan Bacone College in Georgetown, Kentucky.[1] In Princeton kreeg Archer de bijnaam "Sally" wegens zijn klein en fragiel uiterlijk. Hij studeerde daarna rechten aan de Universiteit van Maryland en werd toegelaten tot de balie. Tot aan de Mexicaans-Amerikaanse Oorlog had hij een succesvol advocatenkantoor. Na het uitbreken van de oorlog met Mexico nam Archer dienst in het United States Army. Hij werd benoemd tot kapitein in het Regiment of Voltigeurs. Voor bewezen moed na de Slag om Chapultepec werd Archer bevorderd tot gebrevetteerd majoor.[1]

Na de oorlog verhuisde Archer in 1848 naar Texas. Hij raakte gewond tijdens een duel met Andrew Porter. De secondant van Archer was Thomas Jackson.[2] Na een tijdje keerde hij terug naar Maryland en besloot om in 1855 dienst te nemen in het United States Army. Hij werd aangesteld als kapitein van het 9th Infantry Regiment. Tussen november 1859 en 21 juni 1861 diende hij in Fort Colville in het Washingtonterritorium. Archer zou nooit huwen.

Amerikaanse Burgeroorlog

Toen de Amerikaanse Burgeroorlog uitbrak in het voorjaar van 1861 was Archer in Fort Walla Walla in het Washingtonterritorium gestationeerd. Hij nam ontslag op 14 mei en keerde terug naar de Zuidelijke Staten. Archer nam dienst in het Confederate States Army als kapitein. Kort daarop werd hij aangesteld als kolonel van het 5th Texas Infantry Regiment. Dit regiment maakte deel uit van een brigade die georganiseerd werd door de voormalige senator uit Texas Louis T. Wigfall. In februari 1862 nam Wigfall ontslag en werd vervangen door brigadegeneraal John Bell Hood. De Texas Brigade werd naar het Army of Northern Virginia gestuurd. Archer voerde zijn regiment aan bij Eltham’s Landing. Tijdens de Slag bij Seven Pines werd de Texas brigade in reserve gehouden en zou Archer niet ingezet worden.

Op 3 juni 1862 werd Archer bevorderd tot brigadegeneraal. Hij kreeg de oude brigade van Robert H. Hatton nadat deze was gesneuveld bij Seven Pines. De brigade was samengesteld uit drie regimenten uit Tennessee. Samen met vijf andere brigades vormde Archers brigade de "Light Division" onder leiding van generaal-majoor A.P. Hill. Net voor de Zevendagenslag werd de brigade van Archer versterkt met nog twee regimenten. Na de Zevendagenslag namen ze deel aan de Slag bij Cedar Mountain en de Tweede Slag bij Bull Run. Zijn soldaten gaven hem de bijnaam "The Little Gamecock" wegens zijn tengere lichaamsbouw en offensieve houding.

Tijdens de Marylandveldtocht, in september 1862, was Archer te ziek om verplaatsingen per paard te maken. Daarom voerde hij zijn brigade aan vanuit een ambulance.[3] Na een geforceerde mars vanuit Harpers Ferry arriveerde zijn brigade aan de Zuidelijke rechterflank bij Sharpsburg. Ze slaagden erin om de aanval van het Noordelijke IX Corps af te slaan. Drie dagen later voerden Archer en brigadegeneraal William Dorsey Pender een aanval uit op Noordelijke eenheden bij Shepherdstown. Zo kon het Army of Northern Virginia zich veilig terugtrekken uit Maryland. Ondanks zijn slechte gezondheid voerde Archer zijn brigade aan tijdens de veldslagen bij Fredericksburg in december 1862 en Chancellorsville in mei 1863.

Door de hitte en de lange marsen tijdens de Gettysburgveldtocht verslechterde de gezondheid van Archer.[3] Zijn brigade maakte nu deel uit van de divisie van generaal-majoor Henry Heth. Ze arriveerden in Gettysburg op 1 juli. Ze namen het op tegen de Noordelijke cavalerie van brigadegeneraal John Buford. Na een strijd van twee uur werden ze terug gedrongen door een tegenaanval van Noordelijke infanterie die steeds talrijker ten tonele verscheen. De uitgeputte Archer zocht dekking in het struikgewas maar hij werd opgemerkt door soldaat Patrick Maloney van het 2nd Wisconsin Infantry Regiment en gevangen genomen. Archer werd voor zijn oude collega generaal-majoor Abner Doubleday geleid.[4] Hij was de eerste generaal van het Army of Northern Virginia die werd gevangen genomen sinds Robert E. Lee het bevel voerde. Kolonel Birkett D. Fry nam het bevel van Archers brigade over en leidde deze tijdens Pickett's Charge op de derde dag van de veldslag. Ondertussen werd Archer en zijn jongere broer en aide-de-camp Robert H. Archer naar Fort Delaware overgebracht die gebruikt werd als gevangenenkamp voor officieren.[5]

Uiteindelijk werden Archer en andere officieren die gevangen genomen werden bij Gettysburg doorgestuurd naar Johnson's Island, een gevangenenkamp op het Eriemeer. Door het regenachtig en killer klimaat in Ohio ging de gezondheid van Archer nog verder achteruit.

Uiteindelijk werd Archer in de zomer van 1864 uitgewisseld met Noordelijke gevangenen en kon hij terugkeren naar het leger. Op 9 augustus kreeg hij het bevel om zich te melden bij het Army of Tennessee die ondertussen werd aangevoerd door luitenant-generaal John Bell Hood. Tien dagen later werd het bevel ingetrokken waarschijnlijk door Archers slechte gezondheidstoestand.[6] Hij kreeg in de plaats het commando terug over zijn oude brigade die in de loopgraven rond Petersburg lag. Tijdens de Slag bij Peebles's Farm stortte hij in en werd hij naar de achterhoede gebracht.[7]

James J. Archer overleed op 24 oktober 1864 in Richmond, Virginia waarschijnlijk aan de gevolgen van zijn verwondingen en algemene slechte gezondheid.[3] Hij werd begraven op het Hollywood Cemetery in Richmond.

Zie ook

Lijst van generaals in de Amerikaanse Burgeroorlog (Confederatie)