Jacobus Willemsen
| Jacobus Wilemsen | ||
|---|---|---|
![]() | ||
| Persoonlijke gegevens | ||
| Geboortedatum | 22 juli 1698 | |
| Geboorteplaats | Middelburg (Zeeland) | |
| Overlijdensdatum | 31 maart 1780 | |
| Overlijdensplaats | Middelburg (Zeeland) | |
| Beroep | predikant, theoloog, academisch docent | |
| Religie | Nederduitse Gereformeerde Kerk | |
| Academische achtergrond | ||
| Alma mater | Universiteit Utrecht | |
| Wetenschappelijk werk | ||
| Vakgebied(en) | Theologie | |
| Instituten | Latijnse School (Middelburg) | |
| Dbnl-profiel | ||
Jacobus Willemsen (Middelburg, 22 juli 1698 - aldaar, 31 maart 1780) was een Zeeuws predikant en hoogleraar.
Afkomst
Willemsen was een kleinzoon van de gelijknamige Jacob Willemsen, een theoloog en kiesheer uit Middelburg. Deze voorvader was tevens actief als rederijker bij de kamer Het Bloemken Jesse, waar hij enige roem vergaarde. Jacobus Willemsens vader was de koopman Johannes Willemsen, zijn moeder was Magdalena Susanna de Cliever, dochter van de Vlissingse predikant Jacobus de Cliever. Willemsen groeide evenwel op in het huis van de notaris Stephanus de Swarte, met wie zijn moeder was getrouwd na de vroegtijdige dood van zijn vader. Zowel zijn grootvader en naamgenoot als diens broer Johannes Willemsen (Willemsens oudoom) stonden theologisch in de school van Johannes Coccejus. Het lijdt weinig twijfel dat ook Willemsen in deze traditie godsdienstig is opgebracht.
Scholing
Onderwijs genoot Willemsen vanaf zijn twaalfde tot zijn achttiende bij de lokale Latijnse School. Daarna nam hij ongeveer anderhalf jaar les bij de lutherse predikant Johannes Nicolaas Treitel, van wie hij Hebreeuws, Chaldeeuws en Syrisch leerde. In zijn geboortestad raakte Willemsen algauw bevriend met Isaäk Schorer, die tevens predikant werd.
Willemsen voltooide zijn studies evenals Schorer aan de Utrechtse universiteit. Vermoedelijk koos hij Utrecht als studiestad omdat hier de thelogische stroming van Coccejus dominant was. Te Utrecht werd Willemsen theologisch onderwezen door Herman Alexander Röell, Petrus Burmannus Senior en Hieronymus Simons van Alphen, en later ook door Lampe. Andere docenten waren Joseph Serrurier en Adriaan Reland, bij wie Willemsen zich verder bekwaamde in het Hebreeuws en ook Arabisch leerde. Na zijn eerste studiejaar overleed Reland echter, waarna Willemsen bij David Mill verder studeerde in de oriëntaalse talen. Van de docenten van wie hij onderwijs kreeg hadden met name Lampe en Van Alphen grote invoed op Willemsen.
In Utrecht was Willemsen net als zijn vriend Schorer en de uit Bremen afkomstige student Daniel Gerdes betrokken bij een zaterdagse studiekring.
Loopbaan
Predikant
Na zijn studies werd hij in 1722 proponent, waarna in 1724 een predikantschap te Biervliet volgde. In hetzelfde jaar nog vertrok hij als predikant naar Heemstede, waarna hij vanaf 1725 in Vlissingen (waar hij een opvolger werd van zijn grootvader De Cliever) en vervolgens in 1727 in Middelburg als predikant werkte. In de Zeeuwse hoofdstad werd hij door Albert Voget in het ambt bevestigd. Tot zijn collega's behoorden onder andere Carolus Tuinman en de bekende Bernardus Smytegelt, die toen reeds op leeftijd was en in tegenstelling tot de lampiaan Willemsen als voetiaan gold. Een jaar na Willemsen aantreden in Middelburg werd ook zijn vriend Schorer in de Zeeuwse hoofdstad als predikant aangesteld.
In 1740 ontving Willemsen een beroep uit Amsterdam. Hij sloeg dit echter af en werd hoogleraar in de godgeleerdheid in Middelburg, aan dezelfde Latijnse School waar hij zelf onderwijs had genoten. Daar was onder andere Wilhelm Otto Reitz zijn collega. Zijn vermaardheid in Middelburg als predikant en leraar leverde Willemsen de bijnaam 'Vadertje Willemsen' op. Naar verluidt was hij zo populair dat tot in de 19e eeuw zijn portret in vele Zeeuwse huizen te vinden was.
Dichter en schrijver
Volgens tijdgenoten was Willemsen een vermaard homileet en was hij goed thuis in het Hebreeuws, waarin hij ook verzen schreef. Zo hielp hij tijdens zijn studententijd Arnold Drakenborch om lijkredes te dichten in het Hebreeuws voor het overlijden van enkele promimente Utrechtse wetenschappers.
Tijdens zijn predikantschap te Middelburg kwam Willemsens voorliefde voor de (stichtelijke) poëzie opnieuw tot uiting. Zo onderhield hij nauwe contacten met Jacoba Petronella Winckelman. Winckelman was naast dichteres ook actief als preeknotuliste. Zo schreef zij vele preken van Petrus Immens op, die in 1752 door Willemsen werden uitgegeven als De godvruchtige avondmaalganger. Zelf schreef Willemsen zowel stichtelijke poëzie als gelegenheidspoëzie.
Naast Winckelman behoorden ook Pieter de la Rue, Petrus Dathenus, Anna Rethaan, Wilem Swancke, Anna Richardina Croonenbergen, Lambertus Myscras en Pieter Boddaert tot Willemsen kennissenkring van dichters. Behalve met Winckelman was Willemsen vooral bevriend met Swancke en Boddaert. Van de werken van laatstgenoemde, wiens gedichten de meeste achting genoten, maakte Willemsen in zijn geschriften en preken veelvuldig gebruik.
Willemsens interesse in het culture leven toont ook zijn lidmaatschap bij de Haagse vereniging Kunstliefde spaart geen vlijt. Tevens was hij lid van het Zeeuwsch Genootschap.
Verheffing prins Willem IV
Ter verheffing van Wilem IV als stadhouder van Zeeland in 1747 ging Willemsen in de Nieuwe Kerk in het bijzijn van de prins voor. Ook schreef hij een gedicht voor de prins. De twee spraken die zondag ook met elkaar, waarbij de prins aangaf de preek van Willemsen graag te willen ontvangen. Willemsen was het echter niet gewoon zijn preken uit te schrijven en moest meteen aan het werk om aan het verzoek van de prins te voldoen. De preek die hij prins Willem meegaf werd in 1748 in Edinburgh in het Engels uitgegeven. Bij het bezoek van Willem IV ontmoette Willemsen ook diens moeder Marie Louise van Hessen-Kassel, met wie hij een correspondentie begon, waarin hij veel gedichten verwerkte.
Gezinsleven en vermogen
Willemsen was getrouwd met Anna Catharina Mattheeus, een uit Oost-Indië afkomstige vrouw, die hem na een vroege dood erfgenaam liet van een op 8 ton geschat vermogen. Hij hertrouwde in 1738 met Elisabeth Verwout Noiret, die hem 2 mei 1754 ontviel. Beide huwelijken waren kinderloos. Dankzij de grote erfenis van zijn eerste vrouw was Willemsen een vermogend man. Zijn middelen veroorloofden hem het bewonen van een fraai huis aan de Rouaansekaai en het houden van een buitenplaats te Gapinge. Ook had hij een fraaie boekerij met oriëntalia en een grote schilderijenverzameling, waaronder enkele Van der Venne's. Daarnaast investeerde Willemsen een groot deel van zijn vermogen in de MCC, een compagnie die zich voornamelijk bezig hield met slavenhandel. Willemsen werd na zijn overlijden net als zijn twee echgenotes begraven in de Oostkerk.
Literatuur
- H. de Jong, 'Leven en werk van Jacobus Willemsen te Middelburg' op theologienet.nl.
- Alex Meijer, 'Van preek tot poëzie: gelegenheidsgedichten van Jacobus Willemsen voor Marie Louise van Hessen-Kassel', op stadhoudersvrouwen.nl, 2024.
