Jac Naus

Jac Naus
Jac Naus
Volledige naam Jacobus Johannes Naus
Geboren 31 december 1913, Egchel
Overleden 15 april 1945, Bergen-Belsen
Ook bekend als "Van Thiel", "Hoogeveen" en "Van Doorn"
Groep Limburgse Onderduikorganisatie
Familie
Vader Louis Naus
Moeder Johanna Catharina Sijben
Broer(s) Leonardus Jacobus, Peter Johannes, Wilhelmus Johannes
Zus(sen) Maria Gertrudis
Beroep kapelaan, lid van het verzet

Jacobus (Jac.) Johannes Naus (Egchel, 31 december 1913 - Bergen-Belsen , 15 april 1945) was een Nederlands Rooms-Katholiek priester en verzetsman.

Jeugd, opleiding en aanstelling als kapelaan

Naus werd geboren op 31 december 1913 in Egchel bij Helden als zoon van Louis Naus en Johanna Catharina Sijben.[1][2] Zijn moeder overleed op 11 maart 1921, toen hij nog maar 7 jaar oud was.[3][2]

Na de lagere school ging Naus naar het Bisschoppelijk College in Weert.[4] Hierna studeerde hij twee jaar filosofie aan het Bisschoppelijk Klein Seminarie Rolduc te Kerkrade, gevolgd door een studie theologie aan het Groot Seminarie te Roermond.[2][4][5]


Op 26 september 1937 ontving Naus de diakenwijding, gevolgd door de priesterwijding op 2 april 1938.[2]

Op 2 april 1938 ontving Naus de priesterwijding, waarna hij werd hij aangesteld als leraar aan het Bisschoppelijk College te Weert. Op 6 juni 1939 werd Naus benoemd tot kapelaan bij de St. Martinusparochie te Venlo.[2][6] Hier kreeg hij als Aalmoezenier van de Jonge Wacht de zorg van de jeugd en de studentenvereniging toebedeeld.[4][7]

Verzet

Op 10 mei 1940 noteerde Naus in een van zijn nog bewaarde agenda's : "Inval der Duitsers".[2] De Duitse bezetter verbood het jeugdwerk en de studentenvereniging. Naus besloot in het verzet te gaan, mede geïnspireerd door een herderlijk schrijven dat door de Nederlandse Bisschoppen was uitgevaardigd en op 16 mei 1943 in alle kerken werd voorgelezen.[2] Als priester kon hij relatief eenvoudig onderduikadressen vinden en contacten leggen me andere verzetsmensen.[4] Aanvankelijk hield hij zich onder leiding van pastoor Vullinghs bezig met de pilotenhulp.[7]

In mei 1943 organiseerden Naus en zijn confrater Grad van Enckevort een bijeenkomst in een zaal naast de kapelanie, waar tussen de vijftig en zeventig personen aanwezig waren, onder anderen ambtenaren, leiders van de Jonge Werkman en enkele leden van het verzet. In een naastgelegen pand sliepen mensen van Organisation Todt. Naar aanleiding ven deze bijeenkomst werd de Limburgse Onderduikorganisatie opgericht, waarvan Naus de structuur bedacht en gewestelijk leider werd, speciaal belast met de financiën.[2][4][7]

Naus en eerdergenoemde Grad van Enckevort voelden zich in augustus 1943 gedwongen om onder te duiken, omdat de Duitsers hem op het spoor waren.[2][4][7] Naus dook onder bij zijn klasgenoot kapelaan Haghen in Beesel.[2] Later vond hij onderdak bij café- en beugelbaanhouder Paul Barten in de Roermondse Weerd.[2] Vanuit zijn onderduikadres bleef Naus vergaderingen van de LO bezoeken en zaken regelen voor het verzet.[4]

Arrestatie en dood

Op 21 juni 1944 werden acht verzetslieden, waaronder Naus, tijdens een vergadering in het pensionaat Sint Louis te Weert door de Sicherheitspolizei onder leiding van Hauptscharfführer Richard Nitsch opgepakt.[2][6][8] De Duitsers wisten van deze vergadering, doordat de documentenvervalser Bob Jesse (schuilnaam: Vos) reeds eerder opgepakt was en onder zware druk was doorgeslagen.[2][8] De gearresteerde verzetsmensen werden in Kamp Vught opgesloten.[4]

Op 5 september 1944 werden Naus en zijn medegevangen overgebracht naar Sachsenhausen, waar de een dag later aankwamen.[2] In februari 1945 werd, vanwege de snelle opmars van de Russen, naar Bergen-Belsen getransporteerd.[2][7] Hier waren de omstandigheden zeer slecht, zowel wat betreft voedsel als hygiene. Naus vermagerde sterk en werd aangetast door vlektyfus. Op 15 april kreeg hij het sacrament der zieken toegediend. Op 15 april 1945 ontving Naus het sacrament der zieken.[2][4] Die middag werd Bergen-Belsen door Britse bevrijd. Naus overleed dezelfde dag.

Eerbewijzen

De naam van Naus staat vermeld op:

In april 1946 kreeg de familie van kapelaan Naus postuum een oorkonde van de opperbevelhebber van de geallieerden, als blijk van waardering voor de hulp, die de kapelaan aan soldaten en piloten van het Britse rijk had verleend en waardoor hij hen in staat had gesteld te ontsnappen aan vijandelijke gevangenschap.[9]

In Venlo, Egchel, Oss en Best zijn straten naar kapelaan Naus vernoemd.

In 1947 schreef koningin Wilhelmina een persoonlijke brief aan de familie van Jac Naus, waarin zij onder andere schrijft: "Met diepe gevoelens van medeleven kom ik u en uw familie alsnog mijn deelneming betuigen bij zijn verscheiden. Met trots zal ik zijn daden van naastenliefde en trouw aan zijn geloofsovertuiging en aan het vaderland in herinnering houden."[10]