Isaac Sweers

Isaac Sweers

Isaac Sweers (Nijmegen, 1 januari 1622 - 21 augustus 1673)[1][2] was een Nederlandse admiraal uit de 17e eeuw.

Afkomst

Anders dan de meeste Nederlandse zeehelden was Sweers niet afkomstig uit een zeemansfamilie of zelfs maar een havenplaats. Zijn vroege leven is uitzonderlijk goed bekend doordat er een autobiografisch verslag door zijn familie is bewaard, waarin Sweers op ironische wijze zijn jeugd beschrijft. Hij werd op 1 januari 1622 geboren in Nijmegen en was de vijfde zoon van Alida van Bronckhorst en de schepen Aernout Sweers, een regent uit de vroedschap van die plaats die door de wetsverzetting van Maurits van Oranje in 1618 zijn positie had verloren wegens zijn remonstrantse sympathieën. Zijn vader wist na de dood van Maurits zijn positie weer te herwinnen en werd door de Staten van Gelderland in 1628 gedelegeerd als bewindhebber van de VOC in de Kamer Amsterdam. Van 1628 tot 1634 woonde het gezin daar en keerde toen terug naar Nijmegen; in 1635, een jaar van een pestepidemie, overleden Sweers' beide ouders. Zijn familie stuurde hem toen naar de Franse school te Hoorn.

Jonge jaren en opleiding

In het voorjaar van 1638 werd Isaac, het schoolleven moe, op eigen verzoek naar Jacques Robbert, een zakenrelatie van zijn oom in Sevilla gestuurd, toen de belangrijkste handelsstad van Spanje. Wegens een gebrek aan ijver werd hij daar echter snel ontslagen. Om aan geld te komen trok hij toen een wissel zonder order op zijn oudste broer en reisde op een vrachtschip in september 1639 naar Plymouth en van daaruit naar zijn broer Benjamin in Londen waar hij goede sier maakte tot geldnood hem na drie maanden dwong naar het vaderland terug te keren. Zijn familie liet hem toen voor straf een half jaar als klerk werken bij zijn oudere broer Salomon Sweers, destijds de schout van Texel.

Brazilië

Op 24 september 1640 vertrok Isaac als supercargo op een schip voor de Kamer Enkhuizen van de WIC naar Pernambuco in Nederlands-Brazilië waar hij in november 1641 op voorspraak van zijn neef Codden een administratieve functie kreeg bij de WIC in Mauritia, eerst als eerste klerk bij de Raad van Brazilië, de Heren Politieke Raden, en mei 1642 als handelscommies levensmiddelen voor dertig gulden de maand. Merkend dat zijn uitgavenpatroon niet met zijn inkomsten in overeenstemming was, liet hij zich ontslaan en legde het examen af voor notaris en procureur. Vanwege zijn kennis van het Spaans kreeg hij als snel een bloeiende praktijk in Sao Antonio. Ten tijde van de grote opstand van 1645 werd hij echter in dienst geroepen. In juli nam hij deel aan een expeditie tegen Pousioque dat door de Portugese opstandelingen verlaten werd waardoor een dertigtal gevangen Nederlanders bevrijd kon worden. Sao Antonio viel daarna en Sweers raakte met zijn eenheid in een fort omsingeld; toen de commandant, majoor Hoochstraten, zich voor 3000 guldens en valse beloften liet bewegen dat over te geven en zelfs in Portugese dienst trad, weigerde Sweers daaraan mee te doen. Hij raakte krijgsgevangen maar wist het Nederlandse garnizoen van het eiland Tamarica te waarschuwen voor een Portugese aanval. Sweers werd naar Pousjaca gezonden maar daar door Hoochstraten verraden. Hij werd met de hals in het blok gesloten om een bekentenis af te dwingen door middel van ijzeren klemschroeven gemarteld waarbij hij tweemaal het bewustzijn verloor maar bekende niet. Hij moest nu met een compagnie andere krijgsgevangenen naar de Bahia marcheren. Toen hij hoorde dat andere groepen onderweg waren afgemaakt, voegde hij zich bij het gezelschap van een hoge functionaris, de ritmeester Ley, en ontkwam zo aan de dood. In Bahia merkten de Portugezen dat Sweers informatie verzamelde over Hoochstraten. Hij werd met zijn informant Broeckhuysen ingesloten. Ze vreesden al gelyncht te worden door de vijandige bevolking toen ze op Paasavond werden vrijgelaten omdat toen altijd aan wat misdadigers gratie werd verleend. De autoriteiten wilden wel van ze af en verzonden de twee met een lek vrachtscheepje naar Tercera. Tot hun verbazing werden ze niet onderweg overboord gesmeten maar daar in mei vrijgelaten. Op een schip hugenoten bereikten ze op 1 augustus 1646 Lissabon. Vandaar voer Sweers op 21 oktober met vier Nederlandse schepen naar de Vlie waar er meteen drie vergingen.

In november 1646 kwam Isaac berooid aan bij zijn oom Hans en neef Wintgens in Hoorn, gekleed in vodden: het eerste wat zijn nicht Wintgens deed toen ze hem zag was de kleermaker bestellen. Daarna reisde hij in december door naar zijn broer Salomon Sweers in Amsterdam waar hij tot augustus werkloos bleef logeren. In september 1647 probeerde Sweers als zelfstandig koopman mee te doen aan een reis voor gezamenlijke rekening op de Vergulde Snoeck naar de Maagdeneilanden maar de tocht liep al snel op de klippen: in Topsham bij Exeter moesten bondsmen worden opgehaald die in dienstbaarheid in de koloniën gingen werken, maar het schip werd door een storm op een zandbank geworpen. Met een galjoot weer naar Patria terugkerend, kreeg hij zo'n ruzie met de eigenaars dat Sweers voorgoed van de koopvaart afzag. Voorlopig bleef hij weer op kosten van zijn familie thuis.

Bij de marine

In het voorjaar van 1649 ging Sweers in zeedienst bij de Admiraliteit van Amsterdam en voer op 5 april als adelborst uit met commandeur Jan van Galen op diens Goude Maen tegen de Barbarijse zeerovers, voor twaalf guldens de maand. Ze vochten in een eskader onder Joris van Catz. Sweers regelde de verkoop als slaaf van gevangen kapers. Toen Van Galen in 1649 in een boot door Spaanse bandieten overvallen werd, raakte Sweers door twee zwaardsteken in de rug zwaargewond. Beide mannen herstelden echter. November 1649 keerden ze in het vaderland terug. Sweers, die zich ergerde aan Van Galens lastige karakter, overwoog nu in Spaanse dienst naar Oost-Indië te gaan. Van Galen vroeg hem echter secretaris van zijn vloot te worden, een hoge positie, voor vierentwintig gulden per maand. Op 10 maart 1650 ging hij met een groep van drie schepen naar Salee dat in april bezet werd om een verdrag af te dwingen. Sweers tolkte tussen de partijen. Toen Van Galen naar de Republiek terugkeerde omdat hij nog steeds last had van zijn wonden, werd Sweers luitenant-commandeur onder kapitein Jacob Swart die als bevelhebber fungeerde. Op 5 februari werd de vrede getekend waarbij Sweers de administratie afhandelde waaronder het "lossen" van christenslaven. Mei 1651 keerde hij in het vaderland terug. Op 24 juni 1651 scheepte hij zich weer in, als luitenant op de Gelderland onder schout-bij-nacht Cornelis van Velsen, kruisend tot 9 mei 1652. Eind mei stak hij weer in zee om schepen in het Kanaal te convoyeren. Teruggekeerd in het Marsdiep werd hij op 2 juli 1652, tijdens de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog, aangesteld als buitengewoon (extra-ordinaris) kapitein bij de Admiraliteit van Amsterdam op de Engel Gabriël van zesendertig stukken. Op 12 augustus vertrok hij met acht oorlogsbodems zestig koopvaarders begeleidend onder commando van Johan Gideonszoon Verburgh. Bij Grevelingen op de zuidelijke Noordzee verenigde dit flottielje zich met een eskader van tweeëntwintig schepen onder vice-commandeur Michiel de Ruyter. Samen bevochten ze een overwinning in de Zeeslag bij Plymouth. Sweers vocht daarna in de Slag bij de Hoofden en de Slag bij de Singels. In de Driedaagse Zeeslag op 28 februari 1653 bracht hij op de eerste dag eerst een Engels schip, de Sampson, mede tot zinken maar de Engel Gabriël werd toen aangevallen door vier vijandelijke schepen. In zinkende toestand gebracht sprong de totale bemanning van boord samen met de bemanning van de Meerman die vlak daarvoor in de grond geboord was. In die tijd droeg men nog geen uniformen; toen de Engelsen de mannen uit het water visten, werd Sweers niet als kapitein herkend hoewel ze de officieren er wel uit probeerden te pikken. Krijgsgevangen gemaakt gaf hij zich uit voor een Spaanse adelborst die bij de Nederlanders geattacheerd was geweest. Hij wist te ontkomen toen een Spaanse delegatie de gevangenis bezocht en hij Spaans sprekend met het gezelschap mee naar buiten liep. Hij ging naar de Spaanse ambassadeur in Londen die een paspoort voor hem uitschreef waarmee hij naar de Zuidelijke Nederlanden kon afreizen van waaruit hij weer naar zijn familie in Amsterdam ging. Het is niet bekend of hij meedeed aan de latere slagen van 1653 omdat de volledige documentatie daarover verloren is gegaan. Daarna voer hij op konvooitochten naar de Middellandse Zee.

Op 14 september 1655 werd hij poorter van Amsterdam. In 1656 deed hij mee aan het ontzet van Danzig en bleef achter met het eskader dat tot november op de nakoming van de vrede door de Zweden moest toezien maar was afwezig bij de Slag in de Sont van 1658. Op 3 januari 1659 werd hij tijdens de oorlog tegen Zweden benoemd tot gewoon kapitein, dus in vaste dienst. In 1664 deed hij op de Middelburg mee aan de expeditie van Michiel de Ruyter naar West-Afrika en Amerika.

Tweede en Derde Engelse zeeoorlog

De Gouda (rechts) onder commando van Isaac Sweers neemt de Prince Royal (links) over die vastgelopen is op een zandbank (Willem van de Velde de Jonge)

In de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog volgde op 22 oktober 1665 de benoeming tot schout-bij-nacht; als zodanig vocht hij op de Gouda in de Vierdaagse Zeeslag en maakte het familiezilver van admiraal George Ayscue op de Prince Royal buit tot grote woede van Cornelis Tromp die er zelf op aasde. Sweers vocht in het eskader van Tromp, die hij goed kende van de expedities onder Van Galen, in de Tweedaagse Zeeslag (op de Noordzee) en werd samen met Tromp op 6 augustus in de haven van Vlissingen door De Ruyter openlijk van nalatigheid beschuldigd; op 24 augustus 1666 werd hij desalniettemin benoemd tot viceadmiraal van Holland en West-Friesland, een functie die hij al waarnemend bekleedde sinds de Vierdaagse Zeeslag. In september kreeg hij een conflict met Cornelis Evertsen de Jonge over het prijsgeld van de Royal Charles, een schip dat Evertsen en Sweers samen geënterd hadden. Evertsen kreeg uiteindelijk de 5000 guldens. Sweers had een wat intellectuelere achtergrond dan de meeste zeelui en zijn reputatie een uitstekend navigator te zijn leverde hem in 1667 de gloednieuwe Witte Olifant van 82 kanonnen als vlaggenschip op. Na de oorlog deed hij in 1669 en 1670 mee aan expedities tegen de kapers van Algiers en veroorzaakte weer een vlagincident toen hij de vlag niet wenste te strijken voor viceadmiraal Thomas Allin.

Tijdens de Derde Engels-Nederlandse Oorlog speelde Sweers een belangrijkere rol. In de Slag bij Solebay sneuvelde luitenant-admiraal Willem Joseph van Ghent; Sweers nam als waarnemend luitenant-admiraal zijn eskader over, met als vlaggenschip de Olifant. In de winter van 1672-1673 leidde hij de 24 compagnieën matrozen te schaats die moesten verhinderen dat de Fransen in de Hollandse Oorlog de bevroren Waterlinie zouden oversteken. In het voorjaar van 1673 echter moest Sweers zijn tijdelijke functie alsnog opgeven toen luitenant-admiraal Cornelis Tromp door stadhouder Willem III van Oranje weer tot de vloot werd toegelaten. Na de Tweede Slag bij het Schooneveld maakte Tromp hem openlijk voor lafbek uit omdat hij niet fel genoeg zou hebben aangevallen. Achteraf zou door een officieel onderzoek blijken dat Sweers' schip in een direct duel zwaarbeschadigd was geraakt en zich dus tijdelijk moest terugtrekken voor reparaties.

Dood

Woedend over Tromps beschuldiging, die misschien ook gemotiveerd was door politieke motieven, daagde Sweers Tromp uit tot een duel. Willem III beval de heren echter hun twist pas na de oorlog te beslechten. Zover zou het echter niet komen. In de afsluitende Slag bij Kijkduin op 21 augustus raakte Sweers' smaldeel in gevecht met het flottielje van Kempthorne. Na een uur werd de admiraal op de Olifant in de onderbuik getroffen door een 24-ponds kogel die zijn beide benen eraf sloeg. Het weggeslingerde bovenlichaam kwam zo terecht dat ook het halve gezicht verdwenen was. De stervende admiraal kon nog verteld worden dat Kempthorne op de vlucht geslagen was en gaf toen de geest.

Op 28 augustus 1673 werd de romp sijns lichaams in een kist versamelt in de Oude Kerk te Amsterdam begraven. In 1675 kwam de epitaaf van Isaac Sweers klaar, een werk van Rombout Verhulst. Algemeen kwam men tot het oordeel dat Sweers door zijn dood de beschuldiging van lafheid weerlegd had. Een gedicht luidde:

De Hemel schijnt in brant, de Lucht verstikt;
De Zee verdrinkt in bloed; het Aartrijk schrikt:
Wat's dit? 't is SWEERS: en dat's genoech geschreven.
Dus doet zijn dood de waarde Vrijheit leven.

Sweers liet een vrouw achter, Constantia Blommaert (1626-1694) — de dochter van Samuel Blommaert, de bewindhebber van de Kamer Amsterdam van de VOC — met wie hij op 19 januari 1655 in het huwelijk trad, en vijf kinderen; vier dochters: Catharina, Alida, Margarita en Constantia, en als laatste een zoon, Isaac Sweers de Jongere, die ook marinekapitein zou worden. Het Scheepvaartmuseum van Amsterdam heeft nog een prachtig pendantenpaar van beide echtgenoten, geschilderd in 1654 door Isaack Luttichuys. Zijn vrouw werd een van de regentessen van het in 1681 gebouwde bejaarden-/verzorgingshuis de Amstelhof, tegenwoordig de Hermitage in Amsterdam.