Instituut voor de Landbouw
Het Instituut voor de Landbouw te Wateren was een landbuwschool die werd opgericht door de Maatschappij van Weldadigheid (MvW) in 1823. Dit Instituut was een van de eerste landbouwscholen in Nederland. Tot 1859 heeft deze school in meer of mindere mate de interne opleidingen verzorgd van de MvW. Het Instituut werd ook aangeduid als "kweekschool", als "opvoedingsgesticht voor den landbouw" en als "Instituut voor den Landbouw".
De Maatschappij van Weldadigheid
De MvW was opgericht in 1818 ter bestrijding van de armoede in Nederland door de behoeftigen te leren een bestaan als boer op te bouwen. De te werk gestelde behoeftigen werden aangeduid als kolonisten. Al gauw bleek dat er behoefte was aan kaderpersoneel dat binnen de MvW allerlei functies kon vervullen. Hierbij werd als eerste gedacht aan de zonen van kolonisten in de leeftijdscategorie 13 jaar en ouder.
Landbouwonderwijs elders
Daarnaast bleek in Nederland behoefte te bestaan aan landbouwonderwijs op wetenschappelijk niveau. In Duitsland functioneerde het landbouwinstituut van Hohenheim (bij Stuttgart) als zodanig. Waarschijnlijk om financiële redenen heeft de MvW dit denkbeeld niet opgepakt en bleef de school in Wateren niet meer dan een interne opleidingsinstituut voor de MvW.
Groot en Klein Wateren
Tussen 1819 en 1823 werden in de marke van Diever en Wateren boerderijen en grote stukken heide aangekocht. Van deze landerijen werd in 1823 100 morgen (ruim 85 hectare) beschikbaar gesteld aan de in aanbouw zijnde school. Drie jaar later was al de helft van dit areaal ontgonnen.
Het instituut
In 1823 werd begonnen met de bouw van het Instituut. Het complex bestond uit:
- een school voor 75 leerlingen
- twee woonzalen
- een keuken
- een washuis
- een broodbakkerij
- enkele dienstwoningen
- een boerderij met loodsen en schuren voor 25 koeien, 4 paarden en 400 schapen.
Het onderwijs
Het onderwijs was inhoudelijk voornamelijk gebaseerd op de ideeën van de Zwitserse pedagoog Johann Heinrich Pestalozzi (1746-1827). In 1819 stelde D.J. van Ewijck (1786-1858), een filantroop (en een latere gouverneur van Drenthe), Kornelis Mulder, een leerling van de Groningse hoogleraar Van Swinderen, in staat een opleiding te volgen in Hofwil bij Bern. Philipp Emanuel von Fellenberg (1771-1844) was daar op het landgoed van zijn vader een landbouwkundig instituut begonnen. In 1821 bracht generaal Johannes van den Bosch een bezoek aan dit instituut en aan zijn pupil.
Verdere ontwikkeling
Kornelis Mulder werd de eerste "instituteur" van de kweekschool in Wateren. In 1824 waren er 30 leerlingen; in 1826 waren er 60. Het was voor de ontwikkeling van de school niet gunstig dat Mulder in 1831 vertrok naar de bedelaarskolonie in Ommerschans voor het vervullen van een leidinggevende functie. Zijn vertrek markeert het begin van een periode waarin de kwaliteit van het onderwijs achteruit ging. Er werd alleen nog lesgegeven in de avonduren. Overdag werkten de leerlingen in een steenbakkerij in Groot Wateren of op het land, voornamelijk in de teelt van aardappelen. Een gunstige ontwikkeling was dat de school meer aandacht ging geven aan de veeteelt. Daartoe werd in de buurtschap Oude Willem heide omgezet in grasland.
Pas in de jaren 1840-1850 probeerde men, onder invloed van de "landhuishoudkundige school" in Groningen, tot structurele verbeteringen te komen. Er werd weer overdag lesgegeven en ook de theorielessen in de avond werden beter.
De afloop
In 1859 verkocht de MvW alle gronden - 2000 hectare - in Wateren en omgeving. Een deel ervan - het landbouwinstituut met de daarbij behorende landerijen (500 ha) werd verkocht aan J.F. de Ruyter de Wildt. De leerlingen kregen in den vervolge een (goedkopere) opleiding in Frederiksoord. Activiteiten van latere eigenaars hebben er toe geleid dat er rond het complex van het Instituut het dorp Zorgvlied is ontstaan.