Inrichting voor Stadsbestedelingen

Inrichting voor Stadsbestedelingen
Inrichting voor Stadsbestedelingen (1932)
Inrichting voor Stadsbestedelingen (1932)
Inrichting voor Stadsbestedelingen (Amsterdam-Centrum)
Inrichting voor Stadsbestedelingen
Locatie
Land van hoofdzetel Vlag van Nederland Nederland
Hoofdkantoor AmsterdamBewerken op Wikidata
Adres Prinsengracht 434
Industrie en producten
Industrie(ën) gezondheidszorgBewerken op Wikidata
Werkgebied Zorg voor wezen, verlatenen en vondelingen
Status en tijdlijn
Opgericht 1828
Opgeheven 1940Bewerken op Wikidata
Vervangt Aalmoezeniersweeshuis
Vervanging/fusie Burgerweeshuis{{{fusie}}}
Organisatiestructuur
Type organisatie, weeshuisBewerken op Wikidata
Directeur Abraham Beudeker (?-1849)
Frans Beudeker (1850 - 1897)
W.F. van Voorst (1897 - 1925)
P. den Hollander (1926 - 1936)
H.A. van Ravestijn (1937-?)
Portaal  Portaalicoon   Amsterdam

De Inrichting voor Stadsbestedelingen, ook Stadsbestedelingenhuis, was een Amsterdams opvangtehuis voor kinderen. De instelling zorgde voor Amsterdamse kinderen onder de zestien jaar oud die niet in aanmerking kwamen voor opname door het Burgerweeshuis of een van de kerkelijke weeshuizen.[1][2] Het ging om onder meer vondelingen, verlatenen en wezen.[1][2]

Tot 1825 werd de zorg voor deze kinderen georganiseerd door het College van Aalmoezeniers. De Inrichting voor Stadsbestedelingen nam deze taak in 1828 over.[3][4]

Ontstaan

In 1613 werd een College van Aalmoezeniers opgericht dat de taak had zorg te dragen voor vondelingen, verlatenen en wezen. Aan de Singel werd een aalmoezeniershuis gebouwd voor de verzorging van deze kinderen. Velen van hen werden echter 'uitbesteed'; ondergebracht bij pleeggezinnen. Aangezien dit niet altijd positieve resultaten had, werd er besloten tot de bouw van een groter aalmoezeniershuis aan de Prinsengracht 436 waar kinderen intern verzorgd konden worden. Dat gebouw, bekend als het Aalmoezeniersweeshuis, werd in 1666 in gebruik genomen.[5]

Het Aalmoezeniersweeshuis, gezien vanaf de Prinsengracht (ca. 1824)

Het Koninklijk Besluit van 6 november 1822[6] legde vast dat alle kinderen ouder dan zes jaar die niet opgevangen konden worden door particulieren, moesten worden overgebracht naar een van de Rijkswezengestichten in de Koloniën van Weldadigheid. Deze weeshuizen, onder meer in Veenhuizen, werden beheerd door de Maatschappij van Weldadigheid. Door het vertrek van de kinderen werd het Aalmoezeniersweeshuis in 1825 opgeheven, maar het College bleef actief.

Nadat het Koninklijk Besluit in 1827 werd uitgebreid naar het overbrengen van invalide verpleegden, trad het College van Aalmoezeniers uit onvrede af.[5][7] In 1828 werd een College van Regenten benoemd. Onder de naam Inrichting voor Stadsbestedelingen werd het werk van het Aalmoezeniersweeshuis voorgezet.[5]

Bestuur

Het bestuur van de inrichting werd gedaan door een college van vijf regenten. Zij richtten diverse commissies op die zich bezighielden met onder andere de financiën en het huishoudelijk bestuur. Elke commissie bestond uit twee leden. De werkzaamheden van de regenten stond onder goedkeuring van het college van burgemeester en wethouders.[2] De dagelijkse leiding was in handen van de boekhouder. Deze stond in voor het dagelijkse bestuur, de administratieve opvolging en het toezicht op het personeel. In 1856 werd deze functietitel veranderd naar 'directeur'.[2]

Na de invoering van de Armenwet van 1854 werd het Burgerlijk Armbestuur opgericht. Als gemeentelijke instelling van Weldadigheid viel het vanaf dat jaar onder dit bestuurlijke orgaan.[8] Door de wijziging van de Armenwet in 1871 werd het bestuur van de Inrichting voor Stadsbestedelingen niet langer uitgevoerd door een College van Regenten, maar door een Commissie van beheer en toezicht.[9]

Verpleegden

Vondelingenbriefje van een kind dat werd opgenomen in de Inrichting voor Stadsbestedelingen (1828)

Wezen

De instelling droeg zorg voor 'echte wezen' en 'onechte wezen'. Echte wezen waren kinderen van wie beide ouders waren overleden. Met onechte wezen werden kinderen bedoeld van wie de moeder was overleden, maar van wie de vader onbekend was. Deze buitenechtelijke kinderen werden niet opgenomen door kerkelijke weeshuizen.[10]

Verlatenen

De Inrichting voor Stadsbestedelingen nam tevens 'verlatenen' op. Dit waren kinderen van wie de ouder of ouders niet meer voor hen wilden zorgen (moedwillig verlaten) of tijdelijk niet konden zorgen (onvrijwillig verlaten). Onder onvrijwillig verlatenen vielen onder meer kinderen van ouders die in de gevangenis zaten of in een psychiatrisch ziekenhuis waren opgenomen.[11] Kinderen van wie de ouders die tijdelijk in het ziekenhuis verbleven, werden ook wel 'gasthuiskinderen' genoemd.[12]

Vondelingen

Vondelingen waren kinderen, vaak ook zuigelingen, die bij de instelling werden achtergelaten. Mede doordat zij buiten te vondeling waren gelegd en daardoor ziektes opliepen, was het sterftecijfer onder vondelingen erg hoog, en vele malen hoger dan dat van weeskinderen. Vondelingen werden achtergelaten omdat hun ouders in armoede leefden of omdat het kind ongewenst was.[13]

Voogdijraadkinderen

Met de invoering van de Kinderwetten van 1901 werd het ouderlijk gezag voor het eerst duidelijk omschreven in de wet. Daarnaast werd vastgelegd dat een de rechter kon beslissen over ontzetting of ontheffing van dat gezag.[5][12] Voogdijraadkinderen waren uit huis geplaatste kinderen van ouders over wie nog geen gerechtelijke uitspraak over het ouderlijk gezag was gedaan. Totdat de rechter een beslissing nam, verbleven zij in de Inrichting voor Stadsbestedelingen. Na de uitspraak keerden zij terug naar hun ouders of werden zij, wanneer de ouders uit de ouderlijke macht waren ontzet of ontheven, opgenomen door andere instellingen.[14]

Zorg

'Gesticht voor kinderen' in de kolonie Veenhuizen

In tegenstelling tot het Aalmoezeniersweeshuis was er in de beginjaren van de Inrichting voor Stadsbestedelingen geen sprake van 'gestichtsverpleging' waarbij kinderen in de instelling werden opgenomen. Kinderen onder de zes jaar oud werden ondergebracht bij 'minnemoeders' en pleeggezinnen in Amsterdam. Als zij ouder waren werden zij naar onder andere het Rijkswezengesticht in Veenhuizen overgebracht. Deze kinderen gingen 'in besteding' en werden 'bestedelingen' genoemd.[2][5] Kinderen die buiten de instelling werden verzorgd, onder meer door ouderloze echtparen, bleven onder voogdij van de instelling staan.[1]

In 1850 werd Frans Beudeker aangesteld als boekhouder, vanaf 1856 directeur genoemd, van de Inrichting voor Stadsbestedelingen. Hij maakte zich ernstige zorgen over de behandeling van de kinderen in de Rijkswezengestichten in Drenthe en Overijssel.[15] Er was onder meer sprake van slechte hygiëne, onbehoorlijke leefomstandigheden, een gebrek aan gezonde voeding en er heersten besmettelijke ziekten waaronder de 'Veenhuizensche oogziekte' die leidde tot blindheid. Doordat het onderwijs voor de kinderen ontoereikend was, en velen door ziekte blijvend invalide waren, werd het voor hen als volwassenen erg moeilijk een baan te vinden en te behouden. Velen kwamen als zij volwassen waren terecht in werkhuizen en bedelaarsgestichten.[16] Beudeker zette zich in voor een betere behandeling van deze kinderen.[15]

Brug 122, Beudekerbrug

Vanaf 1854 werd het toegestaan wezen onder te brengen bij gezinnen op het platteland. Enkel vondelingen en verlatenen werden nog naar Veenhuizen overgebracht.[17] Beudeker merkte een groot verschil in lichamelijke en geestelijke gezondheid tussen deze twee groepen. Jongens die opgroeiden in Veenhuizen waren in 90% van de gevallen te klein voor de Nationale Militie, waardoor zij werden afgekeurd. Vanaf 1863 werd het onder meer om deze reden toegestaan om ook verlatenen en vondelingen onder te brengen bij plattelandsgezinnen.[18] Mede dankzij de inzet van Beudeker werden de Rijkswezengestichten in Veenhuizen in 1869 definitief ontruimd.[15]

Beudeker was tot en met 1897 directeur van de Inrichting voor Stadsbestedelingen. Vanwege zijn grote inzet voor de bestedelingen stonden zij ook wel bekend als 'de kinderen van Beudeker'; een bijnaam die tot ver na 1900 in gebruik bleef.[15][19]

Gevelsteen 'Hongerigen spijzen', Prinsengracht 434, ontworpen door Kees Oosschot (1915)

Gebouw

De werkzaamheden van de Inrichting voor Stadsbestedelingen werden in de beginjaren uitgevoerd vanuit een pand aan de Prinsengracht 434 dat naast het voormalige Aalmoezeniersweeshuis lag. Daar bevond zich de directeurswoning, een kledingmagazijn en een vergaderzaal.[5]

Frans Beudeker was de leidende kracht in de oprichting van een nieuw gebouw voor de Inrichting voor Stadsbestedelingen. Enkele huizen aan de Lange Leidsedwarsstraat werden aangekocht, waarna op die plaats een nieuw gebouw werd neergezet dat in 1865 werd geopend.[15][20] De aanleiding hiertoe was onder meer de grote groep 'gasthuiskinderen', kinderen van ouders die vanwege ziekenhuisopname of ziekte tijdelijk niet voor hen konden zorgen, die in grote getale waren ondergebracht bij gezinnen in reguliere woonhuizen. In sommige gevallen werden 20 tot 60 kinderen per pleeggezin verzorgd.[18] Dankzij het nieuwe gebouw werd gestichtsverpleging opnieuw mogelijk.[1] Dit had een positief effect op de lichamelijke en geestelijke verzorging van de kinderen, en was bovendien goedkoper. In het geval van opname van meerdere kinderen uit één gezin, werd nog wel de voorkeur gegeven aan opname in een pleeggezin.[21]

De Inrichting voor Stadsbestedelingen, bebouwing aan de Prinsengracht voor de verbouwing van 1914-1915

Na de pensionering van Beudeker in 1897 werd zijn taak overgenomen door W.F. van Voorst. Onder leiding van Van Voorst werd de Inrichting voor Stadsbestedelingen twee maal opnieuw verbouwd: in 1901 en 1915.[5] In maart 1911 werden percelen aan de Prinsengracht 426 en 428 aangekocht, waardoor de instelling de volledige hoek van de Prinsengracht, Leidsegracht en Lange Leidsedwarsstraat in bezit kreeg.[22] De bestaande bebouwing op de percelen aan de Leidsegracht 65 en 67, en aan de Prinsengracht 426, 428, 430, 432 en 434 werd vervolgens afgebroken om plaats te maken voor het nieuwe gebouw.[23] De bouw stond onder leiding van architect Dirk van Oort die reeds eerder betrokken was bij de verbouwing aan het begin van de twintigste eeuw.[3][24] In 1915 kreeg het gebouw zijn huidige vorm.[5]

Opheffing

In juni 1940 werd het gebouw van de Inrichting voor Stadsbestedelingen overgenomen door de Wehrmacht.[25][15] De instelling werd dat jaar administratief verenigd met het Burgerweeshuis.[15] Het gebouw werd eind 1950 onderdeel van het naastgelegen Paleis van Justitie dat daar tot april 2013 werd gehuisvest.[26] Het gebouw is thans onderdeel van een hotel.