Initiatiefwet
Nederland
Een initiatiefwet is in de Nederlandse politiek een wet waarvan het ontwerp door een lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij deze Kamer aanhangig is gemaakt en als het daar is aangenomen, wordt ingediend bij de Eerste Kamer. Als ook deze Kamer er in meerderheid mee instemt, moet bekrachtiging door de ministerraad plaatsvinden waarna het voorstel tot wet verheven kan worden. De mogelijkheid van een initiatiefwet bestaat naast de meer gebruikelijke gang van zaken, dat de regering (koning en ministers) een wetsontwerp indient. Naast het woord initiatiefwet worden vaker de woorden initiatiefvoorstel en initiatiefwetsvoorstel gebruikt, die dezelfde betekenis hebben.
In Nederland geeft de Grondwet de leden van de Tweede Kamer het recht van initiatief. Dat is het begrip dat in de politiek wordt gebruikt voor het recht om wetsvoorstellen in te dienen door Tweede Kamerleden. Eerste Kamerleden hebben dat recht niet. Het voorstel kan over een gewone wet gaan maar ook over de Grondwet.[1] Het initiatiefrecht is in 1814 in de Nederlandse Grondwet opgenomen, de volksvertegenwoordiging in de huidige betekenis van het woord bestaat pas sinds 1796 en werd toen Nationale Vergadering genoemd.[2] De Grondwet beschrijft het in eenvoudige bewoordingen:
Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
— Artikel 82, eerste lid Grondwet
Wetsvoorstellen die worden gedaan door een lid van de Tweede Kamer, worden op een vergelijkbare manier behandeld als wetsvoorstellen van de regering. Verschil is onder meer dat een Kamerlid een initiatiefwetsvoorstel met een brief aanhangig maakt bij de Tweede Kamer. Een voorstel van de regering wordt bij Koninklijke boodschap bij de Tweede Kamer ingediend. Een initiatiefvoorstel wordt in de Tweede Kamer verdedigd door het Kamerlid dat de initiatiefnemer is. De minister is daarbij de adviseur van de Kamer. In de Eerste Kamer wordt het voorstel namens de Tweede Kamer verdedigd door een of meer Kamerleden. Dat zijn normaal gesproken de initiatiefnemers, maar dat kunnen ook andere Kamerleden zijn. Verder heeft de regering op de verschillende ministeries gespecialiseerde ambtenaren tot haar beschikking, iets wat Kamerleden niet hebben. Kamerleden worden in de Kamer ondersteund door ambtenaren van de Kamer (Bureau Wetgeving). Ook kan er aan de minister worden gevraagd om bijstand door ambtenaren van het ministerie. Tweede Kamerleden zijn niet gebonden aan de Aanwijzingen voor de regelgeving, maar die aanwijzingen worden meestal wel gevolgd.[3]
In beginsel zijn de regering en de Tweede Kamer gelijkwaardig waar het gaat om het initiëren van wetgeving in formele zin, maar op enkele punten bepaalt de Grondwet dat een wetsvoorstel alleen door de regering kan worden ingediend. Bijvoorbeeld als het gaat over (erf)opvolging van de koning(in) en om de algemene begrotingswetten. Voor deze onderwerpen is het recht van initiatief dus uitgesloten.
Eerste voorstel in 1815: domein Soestdijk
Een van de eerste voorstellen vanuit het parlement, dat toen nog uit één Kamer bestond, werd 28 juni 1815 gedaan aan Koning Willem I. Het voorstel was om een wet uit te vaardigen om het domein waarop paleis Soestdijk stond, namens het Nederlandse volk in volle eigendom aan te bieden aan de Prins van Oranje, als opperbevelhebber van het Nederlandse leger, als bewijs van hun 'verknochtheid, liefde en dankbaarheid' voor het 'heldhaftig en moedig gedrag' van prins en troepen in de veldslagen bij Quatre Bras en Waterloo een paar weken eerder. Daardoor bleven Brussel en omliggende streken behouden voor het Koninkrijk der Nederlanden en vielen niet in handen van wat de 'alles vernielende vijand' werd genoemd (Frankrijk onder Napoleon). Het eigendomsrecht kon volgens het voorstel overgaan op de erfgenamen.[4][5]
Aantallen
Eerst werd er door het parlement slechts sporadisch gebruik van het recht van initiatief gemaakt. Tussen 1814 en 1977 betrof het ongeveer 230 voorstellen.[6] Het gebruik van dit recht wisselde in de loop van de tijd. Het aantal initiatiefwetsvoorstellen bedroeg tussen 1945 en 1970 zestien, waarvan er drie wet zijn geworden. Tussen 1970 en 2000 waren deze getallen respectievelijk 175 en 63. Na 2000 is het aantal verder toegenomen. Tussen 1 januari 2000 en 1 januari 2025 zijn er in totaal meer dan 280 voorstellen aanhangig gemaakt door Tweede Kamerleden, waarvan 105 voorstellen sinds 1 januari 2017. In 2021, 2022 en 2023 waren het er steeds veertien, in 2024 drie en in 2025 dertien. Onderstaande tabel maakt de cijfers tot 1 januari 2026 per periode inzichtelijk.[6][7][8]
| Periode | Aantal | In Staatsblad |
|---|---|---|
| 1814-1848 | >26 | 3 |
| 1848-1887 | 44 | 6 |
| 1887-1918 | 41 | 12 |
| 1918-1940 | 57 | 10 |
| 1945-1967 | 8 | 2 |
| 1967-1986 | 101 | 36 |
| 1986-2004 | 120 | >39 |
| 2005-2024 | 264 | Deels nog in behandeling bij het parlement.
Aangenomen door TK: 97 (w.v. verworpen door EK: 12) Verworpen door TK: 24 |
| 2025-heden | 13 | Twaalf voorstellen zijn nog in behandeling bij de Tweede Kamer
Verworpen door TK: 1 |
Ook de Grondwet kan door een initiatief vanuit de Tweede Kamer gewijzigd worden. Er worden regelmatig voorstellen tot wijziging van de Grondwet aanhangig gemaakt, maar in de praktijk halen die voorstellen meestal niet de tweederde meerderheid in tweede lezing. Ssuccesvolle voorbeelden zijn:
- de uitbreiding van het aantal leden van Provinciale Staten in 1840;
- de verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd van 21 jaar naar 18 jaar in 1972 (Van Thijn);
- het uit de Grondwet halen van de verplichte kroonbenoeming van burgemeesters (2018);
- toevoeging van de gronden handicap en seksuele gerichtheid aan artikel 1 (2023).[1]
In 2025 is een bijzonder initiatiefwetsvoorstel aanhangig gemaakt. Voor het eerst in de Nederlandse parlementaire geschiedenis heeft een Gevolmachtigde Minister van een van de landen van het Koninkrijk een voorstel gedaan voor een Rijkswet. Een gevolmachtigde minister mag dit doen namens de regering van zijn land. De Gevolmachtigde Minister heeft dit recht op grond van artikel 15, derde lid, van het Statuut voor het Koninkrijk. Dit initiatief van de Gevolmachtigde Minister van Aruba is erop gericht om te komen tot vaststelling van een geschillenregeling voor het Koninkrijk. [9]
Procedure
Als een of meer Kamerleden een initiatief aanhangig maken, is de eerste vervolgstap dat de Kamer advies vraagt aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Dit advies wordt eerst verstrekt aan de initiatiefnemers. Tot 1 mei 2022 werd het advies pas gepubliceerd, samen met de reactie van de initiatiefnemers op dit advies. Sindsdien wordt op grond van de Wet open overheid in de week na het uitbrengen van een advies tot publicatie overgegaan door de Afdeling advisering van de Raad van State. Op grond van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer wordt met de behandeling van het initiatief door de Kamer gewacht op de publicatie van de reactie van de initiatiefnemer.
Tegelijk met de reactie van de initiatiefnemer kan ook besloten worden om te komen tot een gewijzigd voorstel van wet of tot wijziging in de memorie van toelichting. Hierna wordt het wetsvoorstel door de Kamer in behandeling genomen door de meest betrokken commissie (bijvoorbeeld de algemene commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport). Vaak volgt er dan een schriftelijke ronde waarbij de commissie die het voorstel van wet behandelt vragen kan stellen. De reactie hierop wordt gepubliceerd. Eventueel kan er nog een schriftelijke ronde volgen. Als de commissie van mening is dat het initiatiefwetsvoorstel voldoende is voorbereid, wordt het voorstel van wet aangemeld voor plenaire behandeling. Meestal wordt het voorstel dan in enkele ronden plenair behandeld, waarna de Tweede Kamer erover stemt. Voor de stemming over het wetsvoorstel wordt eerst gestemd over eventueel ingediende amendementen van andere Kamerleden. Bij de plenaire behandeling is de minister adviseur namens de regering. Gedurende het proces in de Tweede Kamer kan het voorstel ook worden gewijzigd door de initiatiefnemer(s). Als het voorstel is aangenomen, wordt het als voorstel van de Tweede Kamer naar de Eerste Kamer gestuurd. Daar wordt het op een vergelijkbare manier behandeld. Meestal wordt het initiatief dan verdedigd door de oorspronkelijke initiatiefnemers. Indien het voorstel ook door de Eerste Kamer is aangenomen, volgt bekrachtiging door de regering en op een later te bepalen moment inwerkingtreding.
Initiatiefwetsvoorstellen kunnen zijn aangenomen, verworpen of ingetrokken, of nog actief in behandeling zijn, maar het komt ook vrij vaak voor dat ze een slapend bestaan leiden.[10] Sinds de wijziging van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer van 2021 worden initiatiefwetsvoorstellen zonder initiatiefnemer die nog in de Kamer zit als vervallen beschouwd. Een keer per jaar wordt hiertoe een lijst van 'weeswetsvoorstellen' gemaakt. Zes weken na een mededeling van deze lijst door de voorzitter worden de initiatiefwetsvoorstellen als vervallen beschouwd, behalve als het voorstel intussen is overgenomen door een of meer leden van de Tweede Kamer.
Indien een initiatiefwetsvoorstel wordt aangenomen, betekent dat nog niet per se dat dit ook een wet wordt. In uitzonderlijke gevallen kan de Kroon besluiten om de wet niet te bekrachtigen (goedkeuring wordt dan onthouden). Dit gebeurde bijvoorbeeld bij een initiatiefvoorstel Vermeend/Vreugdenhil betreffende lastenverlichting voor het midden- en kleinbedrijf in 1994.[11][12] Ook is dit voorgekomen in 1917 en 1928 rond initiatieven op onderwijsgebied. Wel is er soms discussie over al dan niet bekrachtigen, zoals bij een wetsvoorstel over een referendum[13] voor een nieuw Europees Verdrag.
De titel (het opschrift) van het wetsvoorstel bevat de namen van de initiatiefnemer(s), de officiële titel van de wet niet. Informeel wordt een initiatiefwet soms wel naar de initiatiefnemer genoemd, zie hieronder.
Voorbeelden
Bekende initiatiefwetten zijn:
- kinderwet van Van Houten (1874)
- initiatiefwetsvoorstel-Marchant over het vrouwenkiesrecht (1919)
- initiatiefwet-Hillen: aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (wet Hillen)
- initiatiefwet-Vendrik/Verburg: openbaarheid topinkomens (wet-Harrewijn)
- initiatiefwet-Dittrich: spreekrecht nabestaanden in rechtszaken
- initiatiefwet-Van de Camp: bestrijding wapengeweld
- initiatiefwet-Van Heemst/Vos: sluiting drugspanden
- initiatiefwet-Duivesteijn: bijdrage aan lagere inkomens voor eigen woning
- initiatiefwet-Van Boxtel: afschaffing verplichte aanstellingskeuring
- initiatiefwet-Vermeend/Moor: bevordering werkgelegenheid langdurig werklozen
- initiatiefwet-Roethof/Haas-Berger: hulp aan weggelopen minderjarigen
- initiatiefwet-Van der Doef/De Beer: Algemene periodieke keuring
- initiatiefwet-Geurtsen/Van Schaik: legalisering casino's
- initiatiefwet-Waalkens: strafbaarstelling van het plegen van ontuchtige handelingen met dieren en pornografie met dieren
- initiatiefwetsvoorstel - Voortman en Van Weyenberg (1991): het wetsvoorstel open overheid
Trivia
- In de titel Wet van 18 december 2003 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, ter zake van het bevorderen van de financiering van de eigen woning met eigen middelen (materiële implementatie initiatiefwetsvoorstel Hillen) is wel de naam van initiatiefnemer Hillen terechtgekomen. Hier nam de regering het wetsvoorstel in aangepaste vorm over.[14]
Zie ook
Bronnen, noten, referenties
- Kenniscentrum voor beleid en regelgeving, Nr. 129 (Grondslag voor initiatiefvoorstellen) op website Rijksoverheid
- 1 2 Breunese, mr. H.M.B. (2012). De lange weg van het initiatiefwetsvoorstel constitutionele toetsing. Publicatiereeks Recht en Overheid 2012
- ↑ De eerste gekozen parlementen: 1796-1848. www.tweedekamer.nl. Tweede Kamer der Staten-Generaal. Geraadpleegd op 5 april 2024.
- ↑ Kenniscentrum voor beleid en regelgeving, Aanwijzingen voor de regelgeving, Rijksoverheid. Regeling van 1 januari 1993 (Stcrt. 1992, 230), nadien regelmatig gewijzigd. De 11e wijziging van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar) is op 1 april 2022 in werking getreden (Stcrt. 2022, 5649)
- ↑ Handelingen, 29 junij 1815. Gearchiveerd op 13 maart 2023.
- ↑ Noot: de wet die door de koning is uitgevaardigd, spreekt niet van erfgenamen maar van afstammelingen, wat juridisch een breder begrip is.
- 1 2 De Vries, G.J.P. (1 mei 1982, blz. 161-204). Het gebruik van het recht van initiatief 1814-1977. Acta Politica 1982
- ↑ Visscher, G. (2004/6). Kamerleden in vak K. Regelmaat, blz. 194-207 2004
- ↑ Borstlap, H. (1972). Het recht van initiatief van de Staten-Generaal. Acta Politica, blz. 405-444 1972
- ↑ [Artikel 15 Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden wetten.overheid.nl].
- ↑ Jaarverslag 2006. Raad van State (26 april 2007), pp. 60-61. Gearchiveerd op 24 januari 2023.
- ↑ Recht van initiatief. www.parlement.com. Gearchiveerd op 15 december 2021. Geraadpleegd op 16 december 2021.
- ↑ Debat over contraseign eventueel initiatiefvoorstel voor referendum nieuw Europees verdrag (31091) - Parlementaire monitor. www.parlementairemonitor.nl. Gearchiveerd op 16 december 2021. Geraadpleegd op 16 december 2021.
- ↑ Debat contraseign nieuw Europees Verdrag. Gearchiveerd op 16 december 2021.
- ↑ Ministerie van Financiën, Wet van 18 december 2003 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, ter zake van het bevorderen van de financiering van de eigen woning met eigen middelen (materiële implementatie initiatiefwetsvoorstel Hillen). zoek.officielebekendmakingen.nl (29 december 2003). Geraadpleegd op 30 december 2021.