Hostellerie Pomme d'Or

Hostellerie La Pomme D'Or

De Gouden Appel wordt voor het eerst vermeld op naam van Gelein Caen, die schepen was en later burgemeester van Oudenaarde.

Volgens Edmond Vanderstraeten (in "Aldenardiana en Flandriana" uit 1988) zou op de plaats waar later De Gouden Appel stond, vroeger het kasteel hebben gestaan van Margaretha van York, weduwe van Karel de Stoute. Na de Slag bij Nancy, waarbij haar echtgenoot om het leven kwam, zou zij zich hier hebben gevestigd. Het enige tastbare overblijfsel van haar verblijf was een grote Bourgondische schouw, die in 1888 werd uitgebroken en overgebracht naar het Sterckshofmuseum in Antwerpen.

Die schouw bestond uit twee witte marmeren zuilen. Het kroonstuk stelde Adam en Eva voor. Het hoofd van Eva was gemodelleerd naar een adellijke dame uit die tijd, met haar haar netjes samengebonden in een net. Het hoofd van Adam was grof uitgevoerd en versierd op oosterse wijze.

Volgens schepen Van Cauwenberghe, auteur van "Histoire d'Audenaerde", verbleef Margaretha van York echter niet hier, maar in het Voogdenhuis, het huis van de familie Bruggeman. Stadsrekeningen uit 1478 vermelden dat 1200 Parijse ponden werden betaald aan Cornelis van den Bare, hofmeester van de hertogin-weduwe, voor de aankoop van twee huizen aan de westzijde van de markt, die als verblijf moesten dienen.

Toch lijkt de visie van Vanderstraeten aannemelijker, aangezien de stad moeilijk een huis kon aankopen waarvan zij al eigenaar was. Doorslaggevend bewijs voor een van beide theorieën ontbreekt echter.

In 1523 woonde hier Jan Pochon, zoon van Jan, gehuwd met Adriana Vanderstraeten, dochter van Andreas. Jan was tinder (metaalbewerker). Over het aantal knechten dat hij in dienst had is niets bekend, wel dat hij schepen van de stad was en tegelijk ontvanger.

In 1573 kwam het huis in handen van Jacob Dilvael, zoon van Jacob, eveneens schepen en burgemeester. Na hem woonde hier Jacob Stalins, die tijdens de inname van de stad door de troepen van Jacob Blommaert bij de Baerpoorte in de arm werd geschoten. Zoals elke burger moest ook hij wachtdiensten verrichten, aan poorten, stadsmuren of andere strategische plaatsen.

In 1580 was De Gouden Appel eigendom van Loys van Spierre. Zijn grafopschrift vermeldt dat hij ontvanger was van de boven- en benedenkasselrij van Oudenaarde en overleed op 20 juli 1593. Zijn echtgenote, jonkvrouw Johanna van Braekele, stierf eerder, op 25 juli 1582, en werd begraven in Waasmunster, waar zij met haar kinderen was gevlucht om aan de binnenlandse onrust te ontsnappen.

Van herberg tot hotel

In 1598 werd het pand eigendom van Charles van Spierre. In 1686 kwam het via erfopvolging in handen van Josse Emm. Ballet, heer van Leeuwenborch, zoon van Jeanne Marie van Spierre.

Rond 1707 woonde hier Franz Meganck, gevolgd door Jacobus van de Velde in 1735. Daarna kwam Anne de Boul, en in 1778 Jacques van de Velde, die er een herberg (cabaret) uitbaatte.

Dat De Gouden Appel bij de Franse bezetting goed bekendstond, blijkt uit een handschrift uit 1798. Daarin wordt beschreven hoe Franse soldaten een bloedige inval deden in de herberg nadat enkele aanwezigen zich gewapend verzetten. Zeven personen werden gedood, onder wie een inwoner van Oudenaarde en twee onschuldige handelaars die er verbleven. De doden werden ontkleed en door de ramen op straat gegooid. Zo verhaalt de Oudenaardse kroniek.

Later kende het pand opnieuw andere bewoners: Antoine Hilderon in 1869, Leopold Mariman in 1882, en vanaf 1884 de familie Paeme die met François Paeme (1884), Theodule Paeme (1906), Frans Paeme (1932) en Jean Paeme (1963) het hotel De Gouden Appel voortzetten onder de Franse naam "Hôtel de la Pomme d'Or" en later "Hostellerie la Pomme d’Or"