Hongaarse naamvallen en uitgangen

Hongaarse naamvallen en uitgangen (achtervoegsels of suffixen) geven in de meeste gevallen de grammaticale functie van een woord in een zin aan. Het Hongaars heeft een twintigtal naamvallen. De verschillende bijbehorende uitgangen kunnen in veel gevallen achter elkaar worden "geplakt". Om deze reden wordt Hongaars een agglutinatieve taal genoemd. Woorden kunnen daardoor lang worden.

Er zijn twee categorieën van uitgangen te onderscheiden: de verbuigingsuitgangen en de afleidingsuitgangen. De verbuigingsuitgangen hebben een functie bij de vorming van naamvallen, de lokaalsuffixen (naamvalachtige uitgangen voor plaats en richting), de vorming van meervouden, en de bezitsaanduidingen. Daarentegen spelen de afleidingsuitgangen een rol bij de woordvorming, waarbij bijvoorbeeld werkwoorden omgevormd worden tot naamwoorden of naamwoorden tot werkwoorden.

Naamvallen en uitgangen

Hongaarse naamvallen en uitgangen
Naamval
(casus)
Uitgang bij stamtypen Naamval-
groep
standaard verlagend niet-verlagend
+ eindklinker
nominatief (1) ø syntactische
naamval
datief (3) -nak, -nek
accusatief (4) -ot, -et, -öt -at, -et -t
inessief -ban, -ben lokaalsuffix
illatief -ba, -be
elatief -ból, -ből
superessief -on, -en, -ön -n
sublatief -ra, -re
delatief -ról, -ről
adessief -nál, -nél
allatief -hoz, -hez, -höz
ablatief -tól, -től
comitatief
(associatief)
-ostul,
-estül,
-östül
-astul,
-estül
-stul,
-stül
instrument,
doel,
resultaat
causalis-finalis -ért
instrumentalis,
(as)sociatief
-val, -vel¹
translatief -vá, -vé¹
temporalis -kor tijdssuffix
terminatief -ig
distributief-
temporalis
-onta, -ente, -önte -nta, -nte
distributief -onként,
-enként,
-önként
-anként,
-enként
-nként restgroep
distributief -onkint,
-enkint,
-önkint
-ankint,
-enkint
-nkint
essief-modalis
essief
-ul, -ül -l
essief-formalis
formalis
-ként; -képp; -képpen
multiplicatief -szor, -szer, -ször

¹: de begin-v van van de suffix past zich aan aan de stam-eindklinker
Vocaalharmonie:  drie  vormen;  twee  vormen;  één  vorm

De verbuigingsuitgangen worden geplaatst achter naamwoorden, zoals zelfstandige naamwoorden, zelfstandig gebruikte naamwoorden en telwoorden. Er zijn uitgangen voor de naamvallen en onder andere voor aanduiding van plaats, richting, modaliteit en tijd.[1]

Groepen

De uitgangen[2] worden gebruikt in het geval van

  1. syntactische naamvallen (nominatief, datief en accusatief)
  2. lokaalsuffixen: uitgangen voor plaats en richting (ablatief, adessief, allatief, delatief, elatief, illatief, inessief, sublatief en superessief)
  3. uitgangen voor modaliteit, weer onderverdeeld in twee subgroepen en een restgroep:

Toepassing

Naamvalsuitgangen worden onder andere toegepast bij:

  1. zelfstandige naamwoorden
  2. zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden
    Voorbeeld: a piros = de rode, a pirosban = in de rode, A pirosat kérem = ik wil de rode
  3. zelfstandig gebruikte telwoorden
    Voorbeeld: hármas = nummer drie, A hármast kérem = ik wil de nummer drie;
    Voorbeeld: sok = veel - több = meer, Sokat hallottam, többet láttam = veel hoorde ik, meer zag ik
  4. voornaamwoorden, als:
    • sommige persoonlijke voornaamwoorden
      Voorbeeld: Ön = U, Önnek = aan/voor U; Maga = U, Magával = met U
      Afwijkingen bij zelfstandig gebruik van de uitgang met een persoonsuitgang: én = ik, nekem = aan/voor mij; veled = met jou
    • vraagwoorden
      Voorbeelden: mi = wat, miben = waarin; ki = wie, kivel = met wie; melyik = welke, melyiket = welke accusatief
    • betrekkelijk voornaamwoorden[3]
      Voorbeelden: ami = wat, amiben = waarin; aki = wie, akivel = met wie; amelyik = welke, amelyiket = welke accusatief
    • aanwijzend voornaamwoorden
      Voorbeelden: ez = dit/deze, az = dat/die, ezek = deze (meervoudsuitgang), ezzel = met deze (enkelvoud), ezekkel = met deze (meervoud)

Keuze

De te kiezen juiste vorm van de uitgang hangt af van de stam, de uitgang en de klinkers (in verband met de klinkerharmie).

  • Stam: het type van de stam, waarachter de uitgang wordt geplaatst
    • standaard (eindigend op een medeklinker, niet verlagend), of
    • eindigend op een klinker, of
    • verlagend
  • Uitgang: het type uitgang
    • aantal mogelijke vormen (1-harmonisch, 2-harmonisch, 3-harmonisch)
    • veranderlijkheid
    • beginnend met een instabiele klinker, of
    • beginnend met een assimilerende v-,
  • Klinkerharmonie: de regels van de klinkerharmonie.

Klinkerharmonie

Op grond van het gedrag bij klinkerharmonie zijn er zijn drie typen uitgangen te onderscheiden.

  1. onveranderlijke uitgangen
    Voorbeelden: -kor = om, -ig = tot, -ért = wegens
  2. twee-harmoniserende uitgangen
    Voorbeelden: -ban/-ben = in, -nak/-nek = aan, voor, -val/-vel = met
  3. drie-harmoniserende uitgangen
    Voorbeelden: -hoz/-hez/-höz = bij, -szor/-szer/-ször = maal, keer, -ok/-ek/-ök (meervoudssuffix)

Syntactische naamvallen

De syntactische naamvallen, de 1ste naamval (nominatief), de 3de naamval (datief) en de 4de naamval (accusatief) worden veelal toegepast bij naamwoorden, zoals bij zelfstandige en bijvoegelijke naamwoorden, aanwijzende en vragende voornaamwoorden en bij telwoorden.

De syntactische naamvallen omvatten in het Hongaars:

De 3de naamval wordt aangegeven door de uitgang -nak/-nek achter de stam te zetten; er zijn twee stabiele harmonische vormen (waarvan de keuze wordt bepaald door de klinkerharmonie).

De 4de naamval wordt aangegeven door de uitgang -ot/-et/-öt, -at/-et, -t achter de stam te zetten.

Welke vorm gebruikt wordt is afhankelijk van de situatie:

  1. Bij een standaard niet-verlagende stam, die eindigt op een medeklinker, wordt de accusatief aangegeven met de standaarduitgangen -ot/-et/-öt (waarvan de keuze wordt bepaald door de klinkerharmonie). Voorbeelden zijn: napot = dag, zon, szemet = oog, bőröndöt = koffer
  1. Bij een verlagende stam worden de beginklinkers van de uitgangen verlaagd van -ot/-et/-öt tot -at/-et (waarvan de keuze wordt bepaald door de klinkerharmonie). Dit komt voor
    • achter meervoudsuitgangen, bijvoorbeeld: dobokat = trommels, bőröndöket = koffers
    • bezitsuitgangen, zoals: a dobunkat = onze trommel, a bőröndömet = mijn koffer
    • zelfstandig gebruikt bijvoeglijke naamwoorden, bijvoorbeeld: iszom a pirosat és a fehéret = ik drink de rode en de witte.
    • achter veel zelfstandige naamwoorden; zie daarvoor woordenboek. Voorbeelden zijn: fogat = tand, fület = oor.
  1. De uitgang wordt bij overige stammen -t (en vervalt dus de instabiele beginklinker van de uitgang)
    • als de stam eindigt op een klinker, bijvoorbeeld: kocsit = auto, fésűt = kam, kést = mes
    • achter een niet-verlagende stam, eindigend op een klinker plus eindmedeklinker(s): -sz, -z, -s, -zs, -j, -ly, -l, -r, -n, -ny, ssz, zz, ss, ll, rr, nn, nny, ns, nsz en nz:
      • bij een niet-klinkerverliezende stam, bijvoorbeeld: részt = deel, sulyt = gewicht, bort = wijn
      • echter: bij een klinkerverliezende stam, verschijnt de instabiele beginklinker van de uitgang (-ot/-et/-öt).
        Voorbeelden zijn: torony → tornyot = toren, eper → epret = aardbei, tükör → tükröt = spiegel
De Hongaarse syntactische naamvallen bij enkele voornaamwoorden
syntactische naamvallen voornaamwoorden: ↓
naamvalgebruikuitgang persoonlijk
voornaamwoord
aanwijzend
voornaamwoord
vragend
voornaamwoord
1ste naamval,
nominatief
onderwerp
(subject)
ø
 1.én11.mi
 2.te22.ti
 3.ő33.ők
 3.Ön33.Önök
 3.Maga33.Maguk
ev.azez
mv.azokezek
datdit
diedeze
ev.mi?ki?
mv.mik?kik?
wat?wie?
3de naamval,
datief
"aan"/"voor"
meewerkend
voorwerp
-nak/-nek
 1.nekem11.nekünk
 2.neked22.nektek
 3.neki33.neki
 3.Önnek33.Önöknek
 3.Magának33.Maguknak
ev.annakennek
mv.azoknakezeknek
daarvoor
daartoe
hiervoor
daartoe
ev.
mv.
minek?
miknek?
kinek?
kiknek?
waarvoor?
aan wat?
voor wie?
aan wie?
4de naamval,
accusatief
lijdend
voorwerp
(object)
-ot/-et/-öt
(-at/-et)
(-t)
 1.engem11.bennünket,
minket
 2.téged22.titeket
 3.őt33.őket
 3.Önt33.Önöket
 3.Magát33.Magukat
ev.aztezt
mv.azokatezeket
wat?datdit
diedeze
ev.mit?kit?
mv.miket?kiket?
wat?wie?

De vorm van de uitgangen voor het lijdend voorwerp zijn afhankelijk van de stam, waarachter ze geplaatst worden. Bij verlagende stammen zijn er slechts 2 vormen om uit te kiezen, en achter een klinker en achter bepaalde medeklinkers (van niet verlagende stammen) vervalt de beginklinker van de uitgang.

Naamvallen voor plaats en richting

Uitgangen van plaats en richting (lokaalsuffixen) worden gebruikt in de plaats waar in het Nederlands bepaalde voorzetsels (in, op, bij, ...) staan. Ze kunnen systematisch worden ingedeeld in groepjes van drie, waarbij onderscheid is tussen:

  • de richting ernaartoe (antwoord op de vraag: hová? = waarheen?),
  • de aanduiding van plaats (antwoord op de vraag: hol? = waar?), en
  • de richting ervandaan (antwoord op de vraag: honnan? = waarvandaan?).

Plaats en richting-bepalende uitgangen komen voor een groot deel in hun betekenis overeen met de voorzetsels in het Nederlands. Ze komen voor in twee of drie harmonische vormen. Veelal geven deze uitgangen plaats of richting aan, maar in enkele gevallen gaan ze samen met bepaalde werkwoorden. De uitgangen worden geplaatst achter een eventuele bezitsuitgang of meervoudsuitgang

Voorbeeld: a házban in het huis; házamban in mijn huis; a házakból de huizen uit.

Een vollediger overzicht geeft onderstaande tabel, waarin met de antwoorden op de vragen hova? = waarheen?, hol? = waar? en honnan? = waarvandaan? de verschillende naamvallen zijn gegroepeerd:

Hongaarse lokaal-naamvallen bij enkele voornaamwoorden
plaats- & richtingsuitgangen (lokaalsuffixen) ↓ voornaamwoorden: ↓
groep,
algemene
betekenis
 
hová?
waarheen?

 
hol?
waar?

 
honnan?
waar-
vandaan?
persoonlijk voornaamwoord
 * hová?
waar-
heen?
hol?
waar?
honnan?
waar-
vandaan?
aanwijzend voornaamwoord
hová?
waar-
heen?
hol?
waar?
honnan?
waar-
vandaan?
vragend voornaamwoord
hová?
waar-
heen?
hol?
waar?
honnan?
waar-
vandaan?
"in",
(~binnen)
illatief

-ba
-be

inessief

-ban
-ben

elatief

-ból
-ből

 1.
 2.
 3.
11.
22.
33.
belém
beléd
belé
belénk
belétek
beléjük
bennem
benned
benne
bennünk
bennetek
bennük
belőlem
belőled
belőle
belőlünk
belőletek
belőlük
abbaabbanabból
ebbeebbenebből
mibe?miben?miből?
kibe?kiben?kiből?
"op"
(~dichtbij)
sublatief

-ra
-re

superessief

-on
-en
-ön

delatief

-ról
-ről

 1.
 2.
 3.
11.
22.
33.
rám
rád

ránk
rátok
rájuk
rajtam
rajtad
rajta
rajtunk
rajtatok
rajtuk
rólam
rólad
róla
rólunk
rólatok
róluk
arraazonarról
erreezenerről
mire?min?miről?
kire?kin?kiről?
"bij",
(~buiten)
allatief

-hoz
-hez
-höz

adessief

-nál
-nél

ablatief

-tól
-től

 1.
 2.
 3.
11.
22.
33.
hozzám
hozzád
hozzá
hozzánk
hozzátok
hozzák
nálad
nálad
nála
nálunk
nálatok
náluk
tőlem
tőled
tőle
tőlünk
tőletek
tőlük
ahhozannálattól
ehhezennélettől
mihez?minél?mitől?
kihez?kinél?kitől?
"tot/tot aan"
(plaats en tijd)
terminatief
-
-ig
ø
ameddigaddigeddig

Addig nyújtózkodj,
ameddig a takarója ér!

meddig?

Voor het aangeven van plaats of richting zijn er ook postposities of achterzetsels. Deze worden los achter het bijbehorende woord geplaatst en vertonen geen klinkerharmonie.

Voorbeelden: a ház mögött achter het huis, a kert előtt voor het tuin

De uitgangen, achtervoegsels en de achterzetsels kunnen onderling vaak gecombineerd worden tot zelfstandige eenheden.

Voorbeelden: benne in hem/er in, mögöttem achter mij, velünk = met ons.

Naamvallen voor tijd

Er zijn twee naamvallen die verband houden met de tijd:

  • De terminatief met de vorm -ig is niet-harmonisch. . Tot / tot aan (voor tijdstip of voor plaats) wordt aangegeven door -ig (terminatief) achter de stam te zetten. Deze uitgang is stabiel en er is dus geen klinkerharmonie.
    Voorbeelden: Meddig? = Tot wanneer? / Tot hoever?; Mettől meddig? = Van wanneer tot wanneer?; Négyig = Tot vier (uur); Budapestig = tot Boedapest
  • De temporalis met de vorm -kor is niet-harmonisch. Om (tijdstip) wordt aangegeven door -kor (temporalis) achter de stam te zetten. Deze uitgang is stabiel (er is geen klinkerharmonie).
    Voorbeelden: Mikor? = Wanneer?; Hány órakor? = Hoe laat?; Ötkor / Öt órakor = Om vijf / Om vijf uur; Gyermekkor = ten tijde van de kinderleeftijd.
  • De distributief-temporalis met de vormen -onta/-ente/-önte en na een klinker -nta/-nte heeft drie of twee harmonische vormen. Deze is vergelijkbaar met de distributief, maar heeft alleen betrekking op de tijd.
    Voorbeeld: naponta = dagelijks, évente = jaarlijks, csütörtökente = donderdags, elke donderdag.
Hongaarse grammatica naamvallen terminatief, temporalis en distributief-temporalis
Uitgangen met betrekking tot tijd Voorbeelden voornaamwoorden:
betekenisnaamvalvormen persoonlijk v.n.w. aanwijzend v.n.w. vragend v.n.w.
"tot"
(tijdstip
of plaats)
terminatief -ig  ø
 *az
dat
die
ez
dit
deze
meddig?addigeddig
hoelang?
hoever?
tot dan,
tot daar
tot nu,
tot hier
meddig? tot wanneer?
tot waar?
"om"
(tijdstip)
temporalis -kor  ø
 *az
dat
die
ez
dit
deze
mikor?akkorekkor
wanneer?dan, toen
mikor? wanneer?
"herhaaldelijk"
"elke ..."
(tijdstip)
distributief-
temporalis
-onta/-ente/-önte 
-nta/-nte 
ø

Naamvallen voor instrument, doel en resultaat

Er zijn drie naamvallen die verband houden met instrument, doel en resultaat: de causalis-finalis, de instrumentalis en de translatief.

  • De causalis-finalis voor wegens, om met de uitgang -ért is niet-harmonisch, en veroorzaakt ook geen wijzigingen in de stam, waarachter deze wordt geplaatst.
  • De instrumentalis voor met, samen met wordt aangegeven door -val/-vel achter de stam te zetten, waarbij de -v wordt aangepast aan de eind-medeklinker (twee harmonische vormen).
    Voorbeelden: a macskával met de kat, az ablakkal met het raam.
  • De translatief met de betekenis (veranderend) in/tot heeft de vormen -vá/-vé. De begin-v van de uitgang assimileert met de eindklinker van het woord waaraan de uitgang wordt toegevoegd, vergelijkbaar met -val/-vel.
Hongaarse grammatica naamvallen voor instrument, doel en resultaat bij persoonlijk, aanwijzend en vragend voornaamwoord
Naamvallen voor instrument, doel en resultaat voorbeelden:
betekenisnaamvalvormenpers. vnw.aanwijzend voornaamwoordvragend voornaamwoord
"wegens",
"om"
causalis-finalis-ért 
 * kiért?
 1.
 2.
 3.
 
 
11.
22.
33.
 
 
értem
érted
érte
Önért
Magaért
értünk
értetek
értük
Önökért
Magukért
 *az
dat
die
ez
dit
deze
miért?azértezért
mikért?azokértezekért
waaromdaaromhierom
mi?, mik?ki?, kik?
ev.miért?kiért?
mv.mikért?kikért?
waarom?om wie?
"met"instrumentalis,
sociatief
-val/-vel
 *kivel?
 1.
 2.
 3.
 
 
11.
22.
23.
 
 
velem
veled
vele
Önnel
Magával
velünk
veletek
velük
Önökkel
Magukkal
 *az
dat
die
ez
dit
deze
mivel?avval/azzalevvel/ezzel
mikkel?azokkalezekkel
waarmee?
met wat?
daarmee
met die
hiermee
met deze
 *mi?, mik?
wat?
ki?, kik?
wie?
ev.mivel?kivel?
mv.mikkel?kikkel?
waarmee?met wie?
"(veranderend)
in/tot"
translatief-vá/-vé  ø
 *az
dat
die
ez
dit
deze
mivé?azzáezzé
waarin?,
in/tot wat?
daarin
in dat
hierin
in dit
mivé?
waarin?, in wat?

Restgroep naamvallen

De distributief -onként/-enként/-önként is vergelijkbaar met de distributief-temporalis, maar kan ook worden toegepast als het niet om de factor tijd gaat. De beginklinker vervalt als de stam eindigt op een klinker.

Voorbeeld: Darabonként adják el = Ze verkopen het per stuk.

De associatief -ostul/-estül/-östül heeft een instabiele beginklinker, die vervalt als de stam eindigt op een klinker. De betekenis is ongeveer: samen met (zijn eigen).

Voorbeeld: Kutyástul ment sétalni = Zij ging wandelen samen met haar (eigen) hond. Soms wordt de uitgang -val/-vel ook als "associatief" beschouwd.

De formalis en de essief hebben de betekenis "als", "in de hoedanigheid van".

Hongaarse grammatica naamvallen
Restgroep Hongaarse uitgangen
betekenis naamval vormen
iedere, herhaaldelijk distributief -onként/-enként/-önként, -nként
samen met (eigen) associatief -ostul/-estül/-östül, -stul/-stül
als formalis -ként
als essief -ul/-ül (-an/-en)

Meervoud

Het meervoud van onder andere het zelfstandig naamwoord worden gevormd met uitgangen.[4][5] Deze zijn standaard: -ok/-ek/-ök, waarbij de uitgang zoals gebruikelijk wordt gekozen volgens de regels van de klinkerharmonie. Als het woord, waarachter de uitgang wordt geplaatst, eindigt op een klinker, dan vervalt bij de meervoudsuitgang de instabiele beginklinker. Verder wordt de instabiele beginklinker beïnvloed door het woord, waarachter de uitgang wordt geplaatst. Als het woord "verlagend" is, dan ontrondt de beginklinker. De keuze van de uitgang is dan niet -ok/-ek/-ök, maar wordt dan: -ak/-ek. Bijvoeglijke naamwoorden zijn vrijwel alle verlagend.

Voorbeelden standaard meervouden: (napok = dagen; kertek = tuinen; bőröndök = koffers; barátok = vrienden).
Voorbeelden meervouden achter een klinker: autók, leckék = lessen, fésűk = kammen.
Voorbeelden meervouden bij een verlagende stam: orrak = neuzen, fülek = oren
Voorbeelden meervouden bij bijvoeglijke naamwoorden: a pirosak = de rode (mv.); a zöldek = de groene (mv.)

Bezit

Hongaarse bezitsuitgangen, enkelvoudig bezit
uitgang of suffix standaardvorm na
verlagende
stam
na klinker
niet-verlagende
stam
possessief 1ste pers. e.v. -om/-em/-öm -am/-em -m
possessief 2de pers. e.v. -od/-ed/-öd -ad/-ed -d
possessief 3de pers. e.v. -a/-e, -ja/-je -ja/-je
possessief 1ste pers. m.v. -unk/-ünk -nk
possessief 2de pers. m.v. -otok/-etek/-ötök -atok/-etek/-etök -tok/-tek/-tök
possessief 3de pers. m.v. -uk/-ük,-juk/-jük -juk/-jük

Bezitsuitgangen (possessiefsuffixen)[6][7] worden gebruikt om de persoon van de bezitter aan te geven. Ook is er onderscheid tussen de uitgangen voor enkelvoudig en voor meervoudig bezit.

Voorbeelden enkelvoudig bezit: napom = mijn dag; bőröndöd = jouw koffer
Voorbeelden meervoudig bezit: kertjeim = mijn tuinen; barátaid = jouw vrienden

Werkwoordvervoeging

Bij de vervoeging van werkwoorden worden achter de stam van het werkwoord uitgangen gebruikt. Bij de verschillende tijden en wijzen worden nog "tekens" geplaatst voor de uitgangen. De uitgangen zijn gewoonlijk afhankelijk van de klinkerharmonie en van de laatste letter van de werkwoordstam. Bezitsuitgangen en persoonsuitgangen lijken voor een deel sterk op elkaar. Bij de vervoeging van werkwoorden[8][9] worden uitgangen gebruikt die volgende zaken kunnen weergeven:

  1. de persoon en het getal (dit deel van de uitgang staat achteraan)
  2. wijze en de tijd. De tegenwoordige tijd van de aantonende wijs heeft geen eigen teken. De verleden tijd en de andere wijzen hebben een teken, dat staat achter de stam en voor de eventuele verdere uitgang.
  3. de bepaaldheid van het lijdend voorwerp: de onbepaalde en de bepaalde vervoeging hebben ieder hun eigen uitgangen.

De "tekens" worden niet tot de uitgangen gerekend, maar gaan er wel mee samen:

  1. teken voor de verleden tijd: -t-,-ott-/-ett-/-ött- achter de stam en voor de eventuele verdere uitgang
  2. teken voor de voorwaardelijke wijs: -ná-/-né- achter de stam en voor de eventuele verdere uitgang
  3. teken voor de aansporende of gebiedende wijs: -j- achter de stam en voor de eventuele verdere uitgang

Woordvorming

Ook voor de woordvorming worden uitgangen gebruikt.[10], zoals bij de vorming van bijwoorden, zelfstandig naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden.

Voorbeeld van vorming van een bijwoord:

l = wel, goed; magyarul = Hongaars, op z'n Hongaars; görögül = Grieks, op z'n Grieks

Voorbeeld van vorming van een zelfstandig naamwoord:

barátság = vriendschap; segítség = hulp; borász = wijnbouwer, oenoloog; ismeretlenség = onbekendheid

Voorbeeld van vorming van een bijvoeglijk naamwoord:

barátos = vriendelijk; ismeretlen = onbekend, debreceni = van Debrecen

Er zijn nog veel andere vormen van woordvorming.

Volgorde van de uitgangen

De Hongaarse uitgangen kunnen in een bepaalde volgorde achter de woordstam van naamwoorden geplaatst worden. In verband met de plaatsing achter de absolute stam kunnen de uitgangen en naamvallen onderscheiden worden in twee groepen.[11] De uitgangen van groep 1 worden geplaatst vóór die van groep 2. De uitgangen van groep 2 kunnen ook direct achter de absolute stam worden geplaatst.

stam van het naamwoord volgorde van plaatsing van uitgangen:
groep 1 groep 2
    • stabiel, niet alternerend
      • niet verlagend
      • verlagend
         
    • alternerend
      • verlagend
      • niet verlagend
    • nominatief
      • enkelvoud, absolute stam, de stam zonder uitgang
         (zoals deze verschijnt in het woordenboek)
      • meervoud (-ok/-ek/-ök, -ak)
    • bezitter (-é)
    • 3de persoon bezitsuitgang
      • enkelvoud (-a/-e, -ja/-je)
      • meervoud (-ai/-ei, -jai/-jei)
  • Een stam van een naamwoord heet alternerend (niet stabiel) als deze verandert onder invloed van een uitgang. Een stam heet verlagend als de stam invloed heeft op de standaardvormen van de uitgang. Alternerende stammen zijn vaak ook verlagend.

    Hongaarse werkwoorden

    Zie Hongaars werkwoord voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

    Van de Hongaarse werkwoorden staat in het woordenboek de belangrijkste stam opgenomen. Deze stam van het werkwoord komt overeen met de derde persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd. Deze stam wordt gewoonlijk gebruikt in alle werkwoordstijden. Meer stammen kunnen er zijn bij onregelmatige werkwoorden, bijvoorbeeld voor andere tijden en wijzen. Een veel voorkomende bijzonderheid vormen de -ik werkwoorden, waar de uitgang -ik achter de stam staat bij de woordenboekvorm.

    De vervoeging van de werkwoorden vindt plaats door uitgangen voor de personen. De meest uitgangen zijn er in twee harmonische vormen of in drie harmonische vormen, waaruit dan een keuze gemaakt moet worden op grond van de regels voor de klinkerharmonie. De keuze is daarbij afhankelijk van de (laatste) klinker in de stam van het werkwoord. Het grammaticaal geslacht wordt daarbij niet aangegeven. Om de verschillende wijzen en tijden aan te duiden wordt vóór de uitgang nog eerst een "teken" geplaatst, waardoor er een verlengde stam ontstaat.

    Voorbeeld: Ül = Hij zit (woordenboekvorm zitten), Ülök = Ik zit (eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd) Ültem = Ik zat (eerste persoon enkelvoud verleden tijd), Üljél le = Zit! (gebiedende wijs, 2de persoon)
    Voorbeeld ik-stam: Lakik = Hij woont (woordenboekvorm wonen, stam met -ik), Lakunk = Wij wonen (eerste persoon meervoud, Laktunk = Wij woonden (verleden tijd).