Hoefsmid

Bob Demuyser: De Hoefsmid
Een hoefstal of travalje

Een hoefsmid is een persoon die de hoeven van een paard of ander hoefdier onderhoudt om de juiste hoefstand te behouden of te bevorderen.

Geschiedenis

Tot de 17e eeuw werden personen die zieke dieren behandelden over één kam geschoren met hoefsmeden en in Zuid-Nederland smet genoemd, maar vanaf toen werden ze apart aangeduid als peirdemeester.[1]

Tot in de tweede helft van de 20e eeuw werd de taak van hoefsmid vaak als nevenfunctie uitgeoefend door de dorpssmid. Men ging met de paarden naar de smederij, waar zij 'warm' werden beslagen. Vaak werden de paarden daartoe vastgezet in de travalje, een hoefstal bij de smederij. In 1919 werd voor vakkundige beroepsbeoefenaren de erkenning van 'rijksgediplomeerd hoefsmid' ingevoerd. Het examen werd afgenomen op het 'Instituut voor hoefkunde der Veeartsenijkundige Hogeschool' te Utrecht.[2]

Werkzaamheden

Naast bekappen, randen afsnijden en bijvijlen, kan het om meerdere redenen zinvol zijn hoefijzers onder de hoeven te bevestigen. De belangrijkste reden van dit aspect van de hoefverzorging van paarden is het voorkomen van excessieve slijtage bij gebruik op verharde wegen. De hoefsmid maakt de ijzers precies passend en bevestigt deze, al dan niet met correcties aan de stand van de hoeven. De ijzers zijn vaak al in verschillende maten geprefabriceerd.

In Nederland kan iedereen zich hoefsmid noemen sinds de rijkserkenning voor de beroepsbeoefenaren is afgeschaft. Er bestaat nog wel een vakopleiding, opgeleide hoefsmeden hebben onder meer een goede kennis van de anatomie van het paard.

De meeste hoefsmeden werken ambulant en komen met hun bedrijfswagen naar de klanten. Meestal een als hoefsmederij ingerichte bestelwagen, soms een zware personenauto met aanhanger. De moderne hoefsmid heeft alles bij zich om bij de klant de werkzaamheden te kunnen doen. Zoals een aambeeld, een smeedoven op gas of een elektrische oven, en het nodige handgereedschap. Ook een flinke voorraad verschillende soorten en maten hoefijzers en hoefnagels horen bij de standaard uitrusting.

Paarden kunnen "warm" beslagen worden of "koud". Warm beslaan wil zeggen dat de hoefijzers in een smeedoven worden verwarmd, en vervolgens op een aambeeld passend worden gemaakt naar het model van de hoef. Daarbij wordt ook het warme hoefijzer tegen de hoef aangehouden en gebrand om te zien of het ijzer goed past.

Bij "koud" beslag worden de ijzers niet verwarmd, de smid zoekt een ijzer uit de voorraad die het best past bij de hoef en slaat dat eronder. Meestal zijn nog wel wat klappen met een hamer op het ijzer nodig op om het wat ruimer of nauwer te maken. Het hangt doorgaans van de voorkeur van de smid af om warm of koud te beslaan. Sommige paarden kunnen niet "warm" worden beslagen, bijvoorbeeld als de zolen te dun zijn of als het paard bang is voor de rook.

Varia

Afbeeldingen

Zie de categorie Farriers van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.