Hinterkaifeck-moorden

De Hinterkaifeck-moorden was een zesvoudige moord die op 31 maart 1922 plaatsvond op de afgelegen boerderij Hinterkaifeck in Beieren, Duitsland, ongeveer 70 kilometer ten noorden van München. Alle zes bewoners van de boerderij werden gedood door een onbekende dader of daders. De zaak geldt als een van de bekendste en raadselachtigste onopgeloste misdrijven in de Duitse geschiedenis.

Slachtoffers

De slachtoffers waren:

  • Andreas Gruber (63)
  • Cäzilia Gruber (72), zijn echtgenote
  • Viktoria Gabriel (35), hun dochter
  • Cäzilia Gabriel (7), dochter van Viktoria
  • Josef Gruber (2), zoon van Viktoria
  • Maria Baumgartner (44), dienstmeid

Locatie

De boerderij Hinterkaifeck werd rond 1863 gebouwd en lag nabij het gehucht Kaifeck. De naam is afgeleid van de ligging (hinter = “achter”). Het erf werd omringd door bossen en lag afgelegen van andere boerderijen. In 1923 werd de boerderij afgebroken. Op de locatie bevindt zich tegenwoordig een gedenkteken ter nagedachtenis aan de slachtoffers.

Achtergrond

Andreas Gruber was eigenaar van de boerderij via zijn vrouw Cäzilia, die het bezit had verkregen na een eerdere scheiding. In 1915 werden Andreas Gruber en zijn dochter Viktoria veroordeeld wegens een incestueuze relatie die zou hebben plaatsgevonden tussen 1907 en 1910. Andreas kreeg een gevangenisstraf van één jaar, Viktoria een maand.

Viktoria was weduwe van Karl Gabriel, die volgens officiële berichten in 1914 tijdens de Eerste Wereldoorlog was gesneuveld. Zijn lichaam werd echter nooit teruggevonden.

In de maanden voorafgaand aan de moorden meldden verschillende personen ongewone gebeurtenissen op de boerderij, waaronder voetstappen, geluiden op zolder en onbekende voorwerpen op het erf. Deze meldingen werden niet onderzocht door de autoriteiten.

De moorden

Op 31 maart 1922 arriveerde Maria Baumgartner als nieuwe dienstmeid op de boerderij. Later die avond werden Andreas Gruber, zijn vrouw, Viktoria en haar dochter Cäzilia vermoedelijk één voor één naar de schuur gelokt, waar zij met een houweel (mattock) werden gedood. Daarna werden Maria Baumgartner en de tweejarige Josef in het woonhuis vermoord.

Onderzoek wees uit dat de dader of daders na de moorden nog enkele dagen op de boerderij verbleven, het vee verzorgden en voedsel gebruikten. Vier lichamen werden in de schuur aangetroffen; twee bevonden zich in het woonhuis.

Ontdekking

De moorden werden pas op 4 april 1922 ontdekt, nadat de familie meerdere dagen niet was gezien. Buren betraden de boerderij en troffen de lichamen aan. De plaats delict werd daarbij ernstig verstoord.

Onderzoek

Het onderzoek stond onder leiding van rechercheurs uit München. Door de verontreiniging van de plaats delict en het ontbreken van moderne forensische technieken kon geen dader worden geïdentificeerd. Vastgesteld werd dat het motief waarschijnlijk niet roof was, aangezien geld en waardevolle goederen onaangeroerd bleven.

De zaak werd officieel gesloten in 1955, zonder dat iemand werd veroordeeld.

Verdachten en theorieën

In de loop der jaren werden meerdere personen als verdachte beschouwd, waaronder:

  • Lorenz Schlittenbauer, buurman en mogelijke vader van Josef
  • Karl Gabriel, de echtgenoot van Viktoria, van wie werd gespeculeerd dat hij de oorlog had overleefd
  • diverse lokale bewoners en rondtrekkende arbeiders

Geen van deze theorieën kon overtuigend worden bewezen.

Nalatenschap

De Hinterkaifeck-moorden hebben geleid tot talrijke publicaties, documentaires en fictieve bewerkingen. De roman Tannöd (2006) van Andrea Maria Schenkel is losjes op de zaak gebaseerd. In 2007 werd het dossier opnieuw onderzocht door studenten van een politieacademie met moderne onderzoeksmethoden, zonder definitieve conclusies.