Herr Christ, der einge Gottessohn

Herr Christ, der einge Gottessohn (BWV 96) is een religieuze cantate van Johann Sebastian Bach. Bach heeft deze cantante gecomponeerd op het destijds bekende koraal Herr Christ, der einge Gottessohn geschreven door Elisabeth Creutziger, een van de oudste koralen uit de Lutherse kerk en voor het eerst gepubliceerd door Luther in eerste Gesangbuch uit 1524.
Programma
De cantate is geschreven voor de achttiende zondag na Trinitatis en werd voor het eerst uitgevoerd op 8 oktober 1724 in Leipzig.
De tekst van de cantate sluit aan bij de Bijbellezingen voor deze zondag, te weten:
- 1 Korintiërs 1:4–8
- Matteüs 22: 34-46
Tekst
De tekst van het openingskoor en het slotkoraal komen overeen met het eerste en zesde (en laatste) couplet van het eerder genoemde koraal van Creutziger. De tussenliggende recitatieven en aria's zijn vrije bewerkingen van het tweede tot en met het vierde couplet van deze koraal. Wie de bewerkingen heeft uitgevoerd, is onbekend.
- Koor: "Herr Christ, der einge Gottessohn"
- Recitatief (aria): "O Wunderkraft der Liebe"
- Aria (tenor): "Ach, ziehe die Seele mit Seilen der Liebe"
- Recitatief (sopraan): "Ach, führe mich, o Gott, zum rechten Wege"
- Aria (bas): "Bald zur Rechten, bald zur Linken"
- Koraal (koor): "Ertöt uns durch dein Güte"
Muzikale bezetting
De zang wordt uitgevoerd door de vier solisten en volledig vierstemmig koor. Het orkest bestaat uit twee violen, een altviool, hoorn of zink (cornetto), twee hobo's, traverso, flauto piccolo, cello en basso continuo. Opvallend is de rol voor de piccolo-fluit die in het openingskoor een voorname rol speelt. In 1724 componeerde Bach een grote rol voor de piccolo en traverso in enkele cantates, behalve deze ook in BWV 8 en BWV 103 en voor de traverso in cantates als BWV 113 en BWV 114. Men neemt tegenwoordig aan dat Bach in 1724 enige maanden de beschikking had over een zeer talentvolle fluitist. Er wordt daarbij gedacht aan de toenmalige rechtenstudent Friedrich Gottlieb Wild.[1] Bach heeft Wild in 1724 leren kennen en heeft hem enige tijd muziekles gegeven. Een door Bach geschreven aanbevelingsbrief uit 1727 is bewaard gebleven. In een latere uitvoering van deze cantate verving Bach de piccolo-fluit door de violino piccolo en de hoorn of zink door een trombone.
Toelichting
In het openingskoor wordt de koraalmelodie niet zoals gebruikelijk in Bachs koraalcantates door de sopranen gezongen, maar door de alten, begeleid door de hoorn of zink. Het stuk is geschreven in een 9/8e maat, waarmee Bach een rustieke, pastorale sfeer neerzet die hij ook gebruikte in stukken over Jezus' geboorte en waarnaar verwezen wordt in de koraaltekst door het woord Morgenster. De piccolofluit speelt boven het koor en orkest een fonkelende partij die goed past een fonkelende ochtendster. Doordat de sopranen niet de koraalmelodie zingen, vormen zij de verbinding tussen het aardse en de hemelse van de morgenstern. In het eerste recitatief, secco begeleid door alleen het continuo, vertelt de alt over Jezus als afstammeling van David maar ook van de maagd Maria waarmee Jezus de enige Zoon van God is.
In de lange tenoraria speelt de fluitist met de traverso weer een opvallende rol. Het recitatief voor sopraan is een gebed om begeleiding door God op het levenspad, een verwijzing naar de morgenster. De volgende bas-aria illustreert de woorden “Bald zur Rechten, bald zur Linken lenkte sich mein verirrter Schritt” (Spoedig naar rechts, spoedig naar links neigden mijn dwalende schreden) met grillige motieven en een veelvuldige afwisseling tussen blazers en strijkers. In het middendeel beelden gelijkmatige stappen uit: “Gehe doch, mein Heiland, mit” (Maar ga met mij, mijn Heiland). Het slotdeel combineert beide elementen. Bach plaatste bij de uitvoering de blazers en strijkers zowel op een galerij links van de zangers als op een galerij rechts. Hierdoor konden de dwalende schreden van links naar rechts worden uitgebeeld. Een techniek die oorspronkelijk uit Venetië uit de laat 16e-eeuw kwam. In het slotkoraal wordt het laatste couplet van het koraal gezongen door het vierstemmig koor, begeleid door hoorn, hobo's en strijkers.
Zie ook
Externe links
- BWV 96 Werkbespreking met tekst, vertaling en verwijzingen naar partituur en registraties, bijeengebracht door Eduard van Hengel