Herman Nohl

Herman Nohl
Persoonsgegevens
Volledige naam Hermann Julius Nohl
Geboortedatum 7 oktober 1879
Geboorteplaats Berlijn
Overlijdensdatum 27 september 1960
Overlijdensplaats Göttingen
Geboorteland Vlag van Duitse Keizerrijk Duitse Keizerrijk
Nationaliteit Duitse
Opleiding en beroep
Beroep filosoof, pedagoog en estheticus
Erkenning en lidmaatschap
Lid van Duitse academie voor taal en literatuurBewerken op Wikidata
Prijzen en onderscheidingen Goethemedaille van de stad Frankfurt (1959)Bewerken op Wikidata
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Herman Nohl (Berlijn, 7 oktober 1879 - Göttingen, 27 september 1960) was een Duits filosoof, pedagoog en estheticus.[1]

Levensloop

Nohl werd geboren in Berlijn op 7 oktober 1879. Hij was de zoon van de klassieke filoloog Hermann Nohl en Luise Gabriele Doepke.[2] Nohl was afkomstig uit een familie van leraars en dominees.[1] Aan de universiteit van Berlijn studeerde Nohl van 1898 tot en met 1904 geschiedenis, Duitse letterkunde en filosofie bij onder meer Wilhelm Dilthey, Friedrich Paulsen en Ulrich von Wilamowitz-Moellendorff.[2][3] In 1902 werd Nohl aangesteld als de assistent van Dilthey. Toen Nohl in 1904 promoveerde met het werk Sokrates und die Ethik was Dilthey zijn promotor.[2]

In 1908 behaalde hij zijn onderwijsbevoegdheid met het werk Die Weltanschauungen Der Malerei.[1][2] Vanaf 1915, tijdens de Eerste Wereldoorlog, volgde hij een militaire opleiding. Tussen 1915 en 1918 was hij als gewoon soldaat gestationeerd bij het Duitse bezettingsleger in Gent.[1]

Vanwege een knieblessure en bijziendheid werd hij ingedeeld bij de economische inspectie, onder andere bij de kolenbevoorrading, een taak die hij hoofdzakelijk verrichtte vanuit zijn bureau aan de Kouter.[1] Vanuit Gent schreef hij ruim 600 brieven aan zijn vrouw Bertha Oser in Duitsland.[4] Daaruit blijkt een grote belangstelling voor het Vlaamse volk, de steden en landschappen, schilderkunst en literatuur. In Vlaanderen had hij contact met schilders als Albert Servaes, James Ensor en Albijn van den Abeele. Daarnaast was hij geboeid door het werk en de persoonlijkheid van onder anderen Georges Minne, Jules de Bruycker, August Vermeylen, Hugo Verriest, Guido Gezelle en Stijn Streuvels. Tijdens de oorlogsjaren sprak hij zich in toenemende mate kritisch uit over het Duitse politieke klimaat in Vlaanderen en hij had de Duitse nederlaag lang op voorhand voelen aankomen.[1]

In 1919 begon hij met een studie naar volkspedagogiek, wat een direct gevolg was van zijn oorlogservaringen in Gent. Datzelfde jaar was hij medeoprichter van de Volkshochschule Jena dat diende als modelschool. Vanaf 1920 doceerde hij filosofie en pedagogiek in Göttingen.[1] Twee jaar later kwam er een leerstoel pedagogiek in Göttingen, waar hij werd aangesteld als hoogleraar. Wetswijzigingen omtrent de jeugdbescherming en de jeugdrechtbank in 1922 en 1923 zorgden voor een andere focus in zijn colleges. Hij verlegde de aandacht naar de onderwerpen zorg, ondersteuning en resocialisatie. Zijn ideeën over sociale pedagogiek werden in 1927 gebundeld in het werk Jugendwohlfahrt.[2]

In samenwerking met Ludwig Pallat schreef Nohl tussen 1928 en 1933 het vijfdelige Handbuch der Pädagogik. Het werk beschrijft nieuwe perspectieven op alle vakgebieden binnen de pedagogiek. De machtsovername door Adolf Hitler eind januari 1933 zorgde ervoor dat enkele artikelen voor het boek moesten worden aangepast zodat deze pasten bij het nationaalsocialistisch gedachtegoed.[2] In 1937 werd Nohl door de nationaalsocialisten gedwongen tot pensionering. Enkele jaren later, in 1943, werd hij gedwongen tot fabrieksarbeid.[1]

Na het einde van de Tweede Wereldoorlog in 1945 nam Nohl zijn leerstoel in Göttingen opnieuw op. Twee jaar later ging hij met emeritaat, maar hield zijn functie tot en met 1949 aan, waarna hij werd opgevolgd door Erich Weniger.[2] Vanaf 1945 tot aan zijn dood was hij redacteur van het pedagogische tijdschrift Die Sammlung.[2] Nohl overleed in Göttingen op 27 september 1960.