Spijsverteringsklier

5 mm lange juveniele van een Haliotis asinina met aan de linkerkant in het geel de spijsverteringsklier
De mantel (in grijs) bedekt het grootste deel van het dorsale lichaamsoppervlak.[1] Aangeduid zijn kieuwen (g), spijsverteringsklier (dg), adductiespier (am), epipodiale tentakels (ept), rechter mantellob (rml), puntoog (es), cefalische tentakels (ct) linker mantellob (lml)

De spijsverteringsklier, middendarmklier of hepatopancreas[2] is een klier (orgaan van het spijsverteringskanaal) die voorkomt bij veel weekdieren en geleedpotigen. Het biedt de functies die bij zoogdieren afzonderlijk worden verstrekt door de lever en de alvleesklier. Deze klier produceert de spijsverteringsenzymen en draagt bij aan de absorptie van voedsel. De functie ervan lijkt in vele opzichten op zowel de lever als de alvleesklier bij de gewervelde dieren.

De middendarmklier bestaat uit een massa buisjes met daarop aansluitend, blind eindigende buisjes bekleed met onder andere kliercellen. Bij slakken en tweekleppigen worden door de middedarmklier enzymen afgescheiden en in de maag geloosd. Door fagocytose vindt vervolgens bij herbivore soorten en bij sommige carnivore soorten voedselopname plaats.

Bij de Koppotigen is de middendarmklier uit (a) twee lobben opgebouwd, (b) een sponzig pancreas en (c) een grote massieve 'lever'. Bij de Hogere Kreeften is ze echter een gepaard orgaan ontstaan uit de middendarm. Beide klieren zijn met deze darm verbonden door een buis die zich vertakt in lobjes.

Verteerd voedsel komt vanuit de maag in de middendarmklier en wordt daar door absorptiecellen opgenomen.

Noten

  1. Jackson, D.J.; McDougall, C.; Green, K.; Simpson, F.; Wörheide, G.; Degnan, B.M. (2006): 'A rapidly evolving secretome builds and patterns a sea shell' in BMC Biology, Volume 4, p. 40
  2. Kokke-Smits, M.E., & Osse, J.W.M. (1968). Van der Klaauw en Van Oordt's technische termen ten gebruike bij het zoölogisch en anatomisch onderwijs aan Nederlandsche universiteiten (8ste druk). Leiden: E.J. Brill.