Henri Louis Tétar van Elven

Paul Tétar van Elven, Portret van Henri Louis Tétar van Elven, collectie Museum Paul Tetar van Elven, Delft.
Paul Tétar van Elven, Portret van Henri Louis Tétar van Elven, 1850, collectie Museum Paul Tetar van Elven, Delft.

Henri Louis Tétar van Elven (Rotterdam, 11 juli 1781 - Den Haag, 13 mei 1855) was een Nederlandse letterkundige en stenograaf en tevens de patriarch van de kunstenaarsfamilie Tétar van Elven.

Biografie

Henri Louis Tétar van Elven werd op 11 juli 1781 gedoopt in de schuilkerk aan Het Steiger te Rotterdam, als zoon van de laarzenmaker Martinus (Martin) van Elven uit Weert en de half-Duitse jonge weduwe Gerarda (Gerritje) Brinkman-Henkelman uit Amsterdam. Bij zijn doop kreeg hij de namen Henricus Lambertus van Elven, waarmee hij werd vernoemd naar zijn gelijknamige grootvader uit Weert. In Weert had de familie Van Elven eeuwenlang behoort tot de regentenklasse, maar in de achttiende eeuw was het stadje sterk verarmd. Martin had Weert verlaten om elders zijn geluk te beproeven.

Na de geboorte van Henri verhuisde het jonge gezin al snel naar Amsterdam, waar ze in de Kalverstraat gingen wonen. Daar werden nog meer zonen geboren, waarvan Theodorus (1783-1733, schoolmeester te Hellevoetsluis) en Martinus (1785-1824, leestenmaker te Dordrecht) de volwassen leeftijd bereikten. Zij overleden allebei ongehuwd en kinderloos.

Henri zou zijn jeugd deels hebben doorgebracht in Weert, waar hij waarschijnlijk bij zijn grootvader de winkelier Henricus Lambertus van Elven (Henry Lambert, 1717-1801) in huis woonde. Net als zijn vader werd Henri aanvankelijk laarzenmaker. In 1802 trouwde hij te Amsterdam met Anne Francoise Felicité Tétar (1776-1810), een dochter van twee Franse immigranten. Uit hun huwelijk werden twee zonen en een dochter geboren: Martinus Gerardus (Martin, 1803-1882), Jean Baptiste (Jan Baptist, 1804-1889) en Josephine Louise (1807-1807). In deze periode werd ook een aantal halfbroertjes en -zusjes van Henri geboren, nadat zijn vader snel was hertrouwd na het overlijden van Gerritje in 1804. Deze kinderen overleden kort na hun geboorte.

In 1808 verhuisde Henri's gezin naar Groningen. In 1810 is Anne daar overleden. Bij de aangifte daarvan gebruikte Henri voor het eerst de achternaam Tétar van Elven. Ook zijn voornamen werden aangepast tot Henri Louis. In deze tijd zou hij (ook) gewerkt hebben als redacteur van een Fransgezind dagblad.

In 1811 hertrouwde Henri met de 19-jarige Dorothea Carolina de Hosson (Doortje, 1792-1870), de dochter van de kunstschilder en winkelier Bernardus Franciscus Ignatius de Hosson. In 1812 werd hun dochter Johanna Catharina geboren, die datzelfde jaar nog stierf.

In 1813 is het gezin verhuisd naar Antwerpen, waar Henri tot 1817 werkte als laarzenmaker. In dat jaar werd hij griffier bij het militair gerechtshof. In Antwerpen werden nog vier kinderen geboren: Carola Josepha (Josephine, 1814-1902), Corneille (Cornelis, 1817-1845), Adelaïde Louisa Felicité (Adelaïde, 1820-1893) en Paulus Dominicus Constantius (Paul, 1823-1896). De oudste twee zonen Martin en Jan Baptist gingen in Antwerpen naar de Koninklijke Akademie. In 1823 overleed Henri's vader Martin te Amsterdam.

In 1827 kreeg Henri een baan in Brussel, bij de afdeling Waterstaat van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Het gezin verhuisde hiervoor naar Sint-Jans-Molenbeek, aan de rand van Brussel en populair bij immigranten. Jan Baptist zette zijn studie voort aan de academie van Brussel. In datzelfde jaar werd Henri grootvader, door de geboorte van Martins oudste zoon, Henri Martin Tétar van Elven (1827-1899).

Na de Belgische Opstand in 1830 verhuisde het gezin terug naar Amsterdam. Henri kreeg een aanstelling bij het Amortisatiesyndicaat, dat in deze tijd vooral zorgde voor fondsen voor de strijd tegen België. In 1835 werd Henri de voogd van de twee zonen van Dorothea's nicht, na haar overlijden en dat van haar man. De oudste zoon Gottliep Halle zat op kostschool in Breda, maar de jongste zoon Henri Halle werd in het gezin opgenomen. In 1840 werd het syndicaat opgeheven.

In 1841 kreeg Henri een nieuwe aanstelling, wederom bij Waterstaat bij Binnenlandse Zaken, nu in Den Haag. Henri, Dorothea, Adelaïde, Paul en Henri Halle verhuisden naar de Boekhorststraat in Den Haag. Na een eerdere studie aan de Koninklijke Academie in Amsterdam, zette Paul hier zijn studie voort aan de Haagsche Teeken-Academie.

In 1840 vertaalde en bewerkte Cornelis een Frans toneelstuk, dat enkele malen werd opgevoerd. In deze periode begon Henri ook te publiceren, zowel proza als poëzie. Dit werd met name gepubliceerd in almanakken. De bekendste werken zijn De godsdienst in drie zangen (1846) en Een blik in het leven van Koning Willem II (1849).

In 1849 werd de Stenografische Dienst van de Staten-Generaal opgericht. In de jaren twintig had Henri een stenografisch stelsel geleerd en was hij gevraagd om dit te tonen bij de Staten-Generaal. Dit bleek niet te werken, waarna Henri een eigen systeem ontwikkelde. In 1849 werd hij aangesteld bij de Staatscourant met de opdracht de nieuwe stenografen op te leiden. Hierna werd hij eind 1850 op wachtgeld geplaatst, met de taak om een handboek stenografie te schrijven. Dit handboek is nooit verschenen.

Begin 1850 had Henri het toneelstuk Les Femmes Savantes van Molière vertaald en bewerkt, als De geleerde vrouwen. Blijspel in 3 bedrijven. Dit werd meerdere malen opgevoerd in de schouwburgen van Den Haag en Rotterdam.

Op 13 mei 1855 overleed Henri te Den Haag, twee dagen nadat zijn jongste zoon Paul naar Delft was verhuisd. Dorothea, Adelaïde en Marie verhuisden naar Amsterdam waar zij introkken bij Josephine, die een winkel in manufacturen had in de Vijzelstraat. Henri's kinderen en kleinkinderen werden architecten, graveurs, kunstschilders, tekenaars, onderwijzers en letterkundigen, met als grootste en internationale succes zijn kleinzoon Pierre Tétar van Elven (1828-1908).